Politieke filosofie is een filosofisch vakgebied waarin vraagstukken rond politiek en maatschappij aan de orde zijn. Als zodanig is er een relatie met politicologie en sociologie. Meer concreet gaat het in op vragen rond autoriteit, eigendom, macht, politiek, rechtvaardigheid en vrijheid. Zaken waar de politieke filosofen over nadenken zijn onder meer: De manier waarop een rechtvaardige samenleving kan worden ingericht door middel van bijvoorbeeld wetgeving. De constructies van macht, leiderschap en democratie in een samenleving. Het onderscheid tussen de verschillende politieke machten (trias politica). De verhouding van individu en collectief, vrijheid en onvrijheid. De analyse en achtergronden van grote politieke systemen als democratie, communisme en kapitalisme.
Het gebruik van de term politieke filosofie kan ook verwijzen naar een bepaalde filosofische opvatting over het wezen of doel van maatschappij of staat. Het kan soms in beperktere zin worden gebruikt als een synoniem voor 'politieke zienswijze'. Het onderscheid dat soms tussen sociale filosofie en politieke filosofie wordt gemaakt is meer een kwestie van de toevallige studierichtingen op universiteiten dan inhoudelijke verschillen; de grens tussen beide is vaag. Aan veel universiteiten en voor veel filosofen bestaat het onderscheid dan ook niet. Ook overlapt het op bepaalde punten met de rechtsfilosofie, waarbij de rechtsfilosofie zich wel op wetten als zodanig richt (bijvoorbeeld wat wetten rechtvaardig maakt), terwijl politieke filosofie eerder de rol van het recht in het breder politiek geheel plaatsen. Verder hangt de politieke filosofie van een filosoof ook vaak samen met diens opvattingen over ethiek en wijsgerige antropologie.
Geschiedenis thumb|De Chinese filosoof Confucius is wellicht een van de eerste politieke denkers.
De Oudheid De Chinese politieke filosofie gaat al terug tot de periode van Lente en Herfst, en is zo al terug te vinden bij Confucius in de zesde eeuw voor Christus. Het ontstond als reactie op de sociale en politieke onrust typerend voor de periode van Lente en Herfst en de periode van de Strijdende Staten. De grote filosofieën van die tijd - confucianisme, legalisme, mohisme, Nongjia en taoïsme - hadden elk een politiek aspect in hun filosofie. Filosofen als Confucius, Mencius en Mozi hadden vooral aandacht voor het creëren van politieke eenheid en stabiliteit via hun filosofie. Confucianisme pleit voor een hiërarchische, meritocratische staat, gebaseerd op empathie, loyaliteit en interpersoonlijke relaties. Het legalisme verdedigt een sterk autoritaristische overheid, gebaseerd op Dracoonse straffen en wetten. Daartegenover staat dan weer het mohisme dat vooral pleit voor een communaal en gecentraliseerd bestuur gefundeerd op principes als spaarzaamheid en ascetisme. Volgens het Nongjia is het ideaal dan weer communalisme en egalitarisme. & , A companion to world philosophies, Wiley Blackwell, 1999, p. 183. De stroming van het taoïsme denkt dan weer in de richting van een soort proto-anarchisme. Tijdens de Qin-dynastie was het legalisme de dominante filosofie, maar werd tijdens de Han-dynastie vervangen door het confucianisme. Deze filosofie bleef dominant totdat China overging tot het staatskapitalisme in de 20e eeuw., The political philosophy of Confucianism, Routledge, 2005, p. xvii-xx. .
thumb|Plato (links) en Aristoteles (rechts), uit De School van Athene, een fresco van Rafaël. Plato's Politeia en Aristoteles' Politika maakte van deze twee Griekse filosofen wellicht de meest invloedrijke politieke filosofen uit de geschiedenis. De westerse politieke filosofie kent haar begin bij de oude Grieken en concreter in Plato's Politeia in de vierde eeuw voor Christus., Ideas of the great philosophers, Barnes & Noble Publishing, 1993, p. 59. . Dit oude Griekenland werd gekenmerkt doordat het was versnipperd in kleine poleis waarin vlijtig geëxperimenteerd kon worden met verschillende politieke structuren. Deze werden door Plato onderverdeeld in vijf categorieën: aristocratie, timocratie, oligarchie, democratie en tirannie. Andere centrale werken binnen deze Griekse filosofie waren Aristoteles' zijn Ethica Nicomachea en Politika., Aristotle: political philosophy, Oxford University Press, 2002, p. 3. . Bij beide filosofen wordt het politieke denken beheerst door de toenmalige staatsindeling. Er wordt niet gesproken over echte staten, maar slechts poleis. Aristoteles ziet bijvoorbeeld de stadstaat als de perfecte staatsvorm en rechtstreeks voortvloeiend uit de aard van de mens: de mens is namelijk van nature een sociaal wezen., "Aristotle's Political Theory", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011, bezocht op 12-04-2012."political philosophy", Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica Online Academic Edition. Encyclopædia Britannica Inc., 2012. bezocht op 12-04-2012.
Na Plato en Aristoteles zou vooral door Alexander de Grote, aan wie Aristoteles nog les had gegeven, de poleis van de kaart verdwijnen en vervangen worden door een echte staat waarbij de verschillende steden onder een centraal bestuur werden geplaatst. Nog sterker kwam deze unificatie naar voren binnen het Romeinse Rijk dat werkelijk een wereldrijk vormde. Dit zou zijn invloed hebben op de Romeinse politieke filosofie hoewel die verder ook sterk beïnvloed werd door de Stoa, waaronder ook de bekende staatsman Cicero., Cicero: a study in the origins of republican philosophy, Rodopi, 2002, p. 1. . Belangrijk zijn onder andere zijn werken De republica (De Staat) en De legibus (over de Wetten) waarin hij spreekt over de ideale staat en Romeins recht. Een ander belangrijk stoïcijns politiek filosoof was Marcus Aurelius, die zelf Romeins keizer was.
Middeleeuwen thumb|De Kerkvader Augustinus was een van de vroegste christelijke politieke denkers, maar stond nog sterk onder de invloed van Plato. De politieke filosofie in Europa werd in de middeleeuwen sterk beïnvloed door het christendom. Een vroeg voorbeeld daarvan is de kerkvader Augustinus van Hippo. De vroege christelijke filosofie van Augustinus werd daarnaast sterk getekend door het werk van Plato. De grote verschuiving van deze christelijke filosofie bestond uit het temperen van de stoïcijnse filosofie en het Romeinse rechtvaardigheidsideaal, en een grotere nadruk op de notie van vergiffenis. Hij liet, grotendeels vanuit de idee van de erfzonde, het optimisme van Plato en Aristoteles varen als zou men de mensen het perfecte leven kunnen aanbieden door de ideale staat te organiseren. Het belangrijkste werk dat Augustinus op het vlak van politieke filosofie geschreven heeft, was de De civitate Dei.
Ook de middeleeuwse scholasticus Thomas van Aquino heeft zich sterk beziggehouden met politieke filosofie en rechtsfilosofie. Hij deed vooral onderzoek naar de verschillende soorten wetten die mogelijk zijn. Zo zijn er volgens Thomas vier soorten wetten, namelijk Gods kosmische wetten, Gods geschreven wetten, natuurlijke en universele wetten door de rede gestuurd en menselijke wetten specifiek opgesteld voor concrete situaties. Daarnaast ontwikkelde hij in zijn Summa Theologica ook de idee dat een koning die als een tiran regeerde in feite geen echte koning was en kon worden afgezet. Dit vond men ook terug in de Magna Carta, die ook tijdens de middeleeuwen ontstond., The theory and practice of revolt in medieval England, Ashgate Publishing Ltd., 2003, p.14. Ook van invloed was de Engelse bisschop Johannes van Salisbury. Midden-Oosten Ook de opkomst van de islam, gebaseerd op de Koran en de profeet Mohammed, zorgde voor een sterke verschuiving in het politieke denken, althans rond de Middellandse Zee en in het Midden-Oosten. De Arabische filosofie legde vooral de nadruk op de relatie tussen wetenschap en religie, en de noodzaak van ijtihad om de waarheid te vinden. In het Westen wordt echter vooral gekeken naar hoe de politieke filosofie naar voren kwam bij de grote denkers van de Arabische filosofie,zoals Al-Kindi, Al-Farabi, Avicenna, Averroes en Ibn Khaldun. Het is vooral deze laatste filosoof die belangrijke bijdragen heeft geleverd aan de politieke filosofie. Zo beroept bijvoorbeeld de hedendaagse filosoof Ernest Gellner zich op Ibn Halduns definitie van regering als "een institutie die alle onrechtvaardigheden van een andere soort dan die zijzelf veroorzaakt, voorkomt" als de best geformuleerde definitie binnen de politieke filosofie. Volgens Ibn Khaldun moest de staat worden beperkt tot een minimum en enkel bestaan als een noodzakelijk kwaad, namelijk in de vorm van de beperking van de vrijheid door de vrijheid van anderen., Plough, Sword, and Book, University of Chicago Press, 1992, p. 239. . Ook wordt er wel gekeken naar het specifieke machtsdenken zoals die bij het islamitische denken voorkomen met begrippen als sultan en oemma.
Europese Renaissance Tijdens de Renaissance ontstonden de eerste seculiere politieke filosofie, terwijl ze in de middeleeuwen nog dienstdeed als de dienstmeid van de theologie. De voornaamste politieke denker tijdens de Renaissance was de Italiaanse filosoof Niccolò Machiavelli, die zijn filosofie vooral uiteenzet in Il Principe, postuum gepubliceerd in 1532. Een ander vooraanstaand politiek werk van Machiavelli is Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio. Beide werken zouden een sterke invloed hebben op het verdere politieke denken. In deze werken zet Machiavelli een pragmatische en consequentalistische opvatting van politiek uiteen. Goed en kwaad worden gedefinieerd in termen van wat nuttig is en wat niet om een bepaald doel te bereiken, en dus in termen van machtsbehoud. Bedrog en hardhandige onderdrukking zijn soms nodig als dit in het voordeel van de heerser in kwestie is. Ook de bekende filosoof Dante Alighieri heeft een werk geschreven De Monarchia (1310 - 1313) waarin hij een verdediging van de monarchie uiteenzette.
De Engelse denker Thomas Hobbes bouwde op deze ideeën verder en ontwikkelde daarnaast ook de notie van sociaal contract. Noch Machiavelli, noch Hobbes waren aanhangers van de idee dat de koning een soort goddelijk recht had om te heersen, maar vertrokken daarentegen van een inherent egoïsme in de mens. Daarom pleitte Hobbes dan ook voor een centraal leider, de Leviathan, die de "oorlog van allen tegen allen" zou stoppen en zo orde op zaken zou stellen.
Verder leverde de Engelse filosoof John Locke nog bijdragen aan de politieke filosofie, voornamelijk in zijn werk Two Treatises of Government (1689). Net als Hobbes vertrekt Locke van een zekere natuurtoestand waarop dan de individuen met elkaar een sociaal contract afsluiten. Hij zag echter een absoluut heerser als onnodig, want hij was ervan overtuigd dat er bepaalde natuurwetten waren die, gecombineerd met een rationaliteit in de mens zelf, zouden leiden tot een goed bestuur.
Ook de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza heeft zich ingelaten met politieke kwesties. Hij is vooral bekend vanwege zijn Tractatus theologico-politicus (1670). Dit werk was een pleidooi voor vrijheid van meningsuiting en zag de democratie als beste staatsvorm. Ook reageerde hij fel tegen religieuze intolerantie en stelde de autoriteit van het Testament en de zeventiende-eeuwse dogmatiek in vraag. right|320px|thumb|Eugène Delacroix' De Vrijheid leidt het volk (1830, Louvre), een symbool voor het botsen van de oude regimes met de nieuwe politieke ideeën.
Verlichting Tijdens de Verlichting ontstonden er vele nieuwe politieke ideeën over de menselijke conditie, de oorsprong van de staat en de wetten. Daarnaast kwam men rond deze tijd ook in contact met vele andere samenlevingen door het verregaand Europees kolonialisme. Ook werd deze periode gekenmerkt door een reeks revoluties en burgeroorlogen, waaronder de Engelse Burgeroorlog, de Amerikaanse Revolutie en de Franse Revolutie. Deze grootschalige conflicten stonden in een wederzijdse wisselwerking met de grote politieke denkers van die tijd, zoals Jean-Jacques Rousseau en John Locke.