De Veldtocht naar Rusland onder bevelvoering van keizer Napoleon I van Frankrijk tegen het keizerrijk Rusland was een grootschalige militaire operatie vanaf juni 1812, die met de terugtocht duurde tot december van dat jaar. Historisch gezien was het een onderdeel van de Zesde Coalitieoorlog. De mislukte aanval vormde het omslagpunt van de napoleontische oorlogen. Van het enorme leger van ruim 466.000 soldaten dat Rusland introk overleefden er maar 40.000.
Tot 1941 stond de veldtocht in Rusland bekend als de Vaderlandse Oorlog (Russisch: Отечественная война; Otetsjestvennaja Vojna); de Russische term Vaderlandse Oorlog van 1812 onderscheidt het van de Grote Vaderlandse Oorlog, de term die de Sovjet-Unie gebruikte voor haar deel in de Tweede Wereldoorlog.
De blijvende rol van de veldtocht in het Russische nationale bewustzijn komt tot uitdrukking in Tolstojs boek Oorlog en vrede, en in de verwijzingen ernaar tijdens en na de Duitse invasie van 1941-1945. De beschrijving van de militaire en politieke gebeurtenissen in het boek sluiten zeker niet in alle opzichten aan bij de historische werkelijkheid.
Achtergrond thumb|300px|Europa in 1812 Op 25 juli 1807 werd na uitgebreide onderhandelingen een overeenkomst gesloten tussen Frankrijk, Pruisen en Rusland waarbij over en weer voorwaarden werden afgesproken voor het sluiten van vrede, later de Vrede van Tilsit genoemd. De inhoud van de overeenkomst zorgde op een aantal punten voor onvrede aan beide kanten:
Ten eerste was een van de voorwaarden dat Rusland zich nu ook zou houden aan het door Napoleon ingevoerde continentale stelsel, een tegen de Britten gerichte handelsboycot. Dit leidde tot klachten van de Russische handel en nijverheid omdat ze in de Britten een belangrijke handelspartner voor onder andere hout verloren. Omdat de Russische economie grote schade opliep stelde tsaar Alexander I voor om enkele versoepelingen van het continentale stelsel in te voeren. Napoleon wilde daar echter niets van weten. Alexander besloot desalniettemin het contact met de Britten te herstellen. Ten tweede bepaalde de Vrede van Tilsit dat een groothertogdom Warschau zou worden gevormd, dat in feite een Franse satellietstaat werd. De Russische diplomatie zag dit als een eerste teken van het herstel van de Poolse staat en vond een groot pro-Frans machtsblok aan haar grens ongewenst. Haar bezorgdheid werd nog vergroot toen in 1809 het groothertogdom Warschau werd aangevuld met het Poolse deel van Oostenrijk. Ten derde beloofde Napoleon de Donauvorstendommen aan Alexander te geven. Deze waren echter niet in zijn bezit. Vanwege de situatie in Spanje, waar 250.000 Fransen vochten tegen het Britse invasieleger onder Wellington, bezat Napoleon geen leger om deze vorstendommen te veroveren. Tsaar Alexander begreep dat hij de vorstendommen niet van Napoleon zou krijgen en besloot ze zelf te veroveren.
Dit alles ondermijnde het in Tilsit gesloten verbond tussen Frankrijk en Rusland. In 1811 hervatte Rusland om economische redenen de handel met Groot-Brittannië. Napoleon protesteerde hiertegen en toen tsaar Alexander I niet naar deze protesten luisterde, verklaarde hij op 22 juni 1812 de oorlog aan Rusland.
De veldtocht Voorbereiding Voor de veldtocht naar Rusland trof Napoleon meer voorbereidingen dan ooit tevoren. Hij liet grote voorraden proviand, medicijnen, kleding en bouwmaterialen aanleggen. Tevens verzamelde hij zoveel mogelijk troepen. Terwijl het Franse platteland honger leed werden de boerenknechten het leger in gesleept. Toch bestond de Grande Armée voor meer dan de helft uit niet-Fransen: Duitsers (inclusief militairen uit Pruisen), Polen, Italianen, Oostenrijkers, Zwitsers, Kroaten, Spanjaarden en ook Nederlanders.
Legersterktes en vervolg Op 24 juni 1812 trok het leger van Napoleon de Memel over. Met zijn ruim 466.000 man was het de grootste strijdmacht die tot dan toe in de Europese geschiedenis bijeen was gebracht. Ze bestond uit drie delen: De centrale aanvalsmacht met 250.000 man onder het persoonlijke commando van de keizer Twee andere frontlegers onder Eugène de Beauharnais (80.000 man) en Jérôme Bonaparte (70.000 man) Twee aparte corpsen onder Jacques MacDonald (32.500 man) en Karl Schwarzenberg (34.000 Oostenrijkse troepen)
Met 250.000 man (50% cavalerie en 35% infanterie) vormden de Fransen het grootste contingent van deze Grande Armée. Onder hen bevonden zich 25.000 Nederlanders die sinds 1810 Franse staatsburgers waren. Daarnaast stond er achter de Russische grens een reserveleger van 95.000 man klaar en waren er 35.000 man aan genietroepen en andere ondersteunende eenheden. In totaal was dit 610.000 man, met 200.000 paarden.
Volgens huidige schattingen was het Russische Leger aanvankelijk kleiner in aantal dan de Fransen. Ongeveer 280.000 man Russische troepen lagen verspreid langs de grens van het Poolse hertogdom Warschau, een Franse satellietstaat. Deze troepen waren verdeeld over drie hoofdlegers: Het Eerste Leger van het Westen onder commando van generaal Barclay de Tolly met ongeveer 159.800 man Het Tweede Leger van het Westen onder commando van generaal Bagration met 62.000 man Het Derde Leger van het Westen onder commando van generaal Tormasov met ongeveer 58.200 man Twee reserve-eenheden, een met 65.000 en een met 47.000 man, ondersteunden de drie frontlegers. Volgens deze cijfers zouden de Russische eenheden die bij aanvang van de oorlog tegenover het leger van Napoleon stonden ongeveer 392.000 man omvatten. Daarnaast had de regering in Sint-Petersburg vrede gesloten met Zweden (Finse Oorlog; Vrede van Fredrikshamn) en het Ottomaanse Rijk (Zevende Russisch-Turkse Oorlog; Vrede van Boekarest) waardoor later nog eens 100.000 man aan troepen vrijkwam. Rond september was de totale Russische troepensterkte gestegen naar 900.000 man, exclusief de onregelmatige kozakkeneenheden, die zo'n 75.000 man aan het totaal toevoegden.
Tsaar Alexander I en zijn naaste generaal Michael Andreas Barclay de Tolly hadden al van tevoren besloten tot een defensieve strategie, waarbij ze grote veldslagen zoveel mogelijk uit de weg zouden gaan en via een tactiek van de 'verschroeide aarde' het leger van Napoleon letterlijk wilden laten 'doodlopen' in de weidsheid van het Russische achterland. Het merendeel van de generaals was hier tegen omdat het indruiste tegen de offensief ingestelde militaire traditie van het Russische leger. Commandant Bagration behoorde tot de felste tegenstanders, maar kreeg bij de tsaar en Barclay voorlopig geen voet aan de grond.
De veldtocht begon op 23 juni 1812. Napoleon had kort tevoren een laatste vredesaanbod naar Sint-Petersburg gestuurd. Toen hij geen antwoord kreeg gaf hij bevel om het Russische gouvernement Grodno binnen te trekken. Hij verklaarde: "Over twee maanden vraagt Rusland mij om vrede" ('Avant deux mois, la Russie me demandera la paix'). Dat bleek echter een misvatting.
De keizer en zijn troepen vielen zonder veel weerstand te ondervinden Wit-Rusland binnen. Het was niet Napoleons bedoeling Rusland te veroveren. Hij hoopte het hoofdleger van de tsaar in één grote veldslag uit te schakelen en daarna Alexander tot een voor Frankrijk voordelige vrede te dwingen. De Russen vermeden echter een massaal gevecht en trokken zich volgens plan langzaam terug, onderweg alles vernietigend wat de vijand aan voedsel, voer en materialen zou kunnen gebruiken. Daarnaast speelde het weer een belangrijke rol. De eerste dagen regende het constant, waardoor de wegen veranderden in grote modderpoelen en de aanvoer van voedsel, medicijnen en verbandmiddelen stagneerde. Vervolgens kregen de voort marcherende napoleontische soldaten te maken met een hittegolf zodat menigeen letterlijk stierf van de dorst en anderen ziek werden doordat ze dronken uit drassige waterpoelen en rivieren. Na ruim twee weken had de Grande Armée al 135.000 man verloren, voornamelijk door ziektes, uitputting, hitte en desertie. Ook waren er 20.000 paarden gestorven door gebrek aan voedsel en water.
De Russische troepen, aangevoerd door de tsaar en commandant Barclay, bleken in de achterhoedegevechten met het hun achtervolgende invasieleger veel betere strijders dan Napoleon en zijn generaals hadden verwacht. Met name hun cavalerie overtrof die van de Fransen. Ze bestookte de aanvoerlijnen van Napoleons hoofdmacht waardoor die al snel gebrek kreeg aan voedsel, verband en medicijnen. Toch moesten de Russen achtereenvolgens hun steden Wilna, Minsk en Witebsk prijsgeven. Ze vielen vrijwel ongeschonden in vijandelijke handen.
Napoleon had ook veel last van het gecombineerde Derde Leger onder generaal Aleksandr Tormasov en het Donauleger onder admiraal Pavel Tsjitsjagov, samen zo'n 150.000 man sterk, die de achterhoede van de Grande Armée bestookten.
Op 18 juli gaf de tsaar het oppercommando van het leger over aan Barclay de Tolly en vertrok naar Sint-Petersburg. Van daaruit riep hij de Russische bevolking op tot verzet tegen de indringers. Ze diende de vijand op alle mogelijke manieren dwars te zitten. De Russisch-orthodoxe kerkleiding deed daar nog een schepje bovenop door Napoleon tot antichrist uit te roepen, omdat zijn troepen orthodoxe kerken zouden ontwijden, vrouwen zouden verkrachten en kinderen ontvoeren. De patriarch maakte zelfs de lijfeigenen wijs dat die het onder een eventueel napoleontisch regime slechter zouden krijgen dan onder het tsaristisch bewind.
Hoe verder het Russische leger zich terugtrok des te groter werd het verzet binnen de Russische legerleiding en aan het hof in Sint-Petersburg tegen de defensieve strategie van Barclay. Ze noemden hem 'laf 'en beweerden dat hij, een Baltische Duitser, het strijdvaardige bloed miste van de 'echte' Rus. De opperbevelhebber maakte zich niet populairder door zich steeds meer met Duitse stafleden te omgeven. Het kostte hem grote moeite om weerstand te bieden aan de groeiende militaire en politieke druk om het beslissende gevecht met Napoleon aan te gaan, in plaats van voortdurend terug te trekken. Die druk werd extra groot toen het Tweede Leger onder Bagration zich verenigde met het Eerste onder Barclay die voorlopig opperbevelhebber bleef. Bagration was een groot voorstander van het offensief, een voorkeur die hij deelde met stafchef Jermolov. Barclay daarentegen besefte dat de vijand nog onvoldoende was uitgeput en uitgedund. Daardoor zou Napoleon een grote veldslag hoogstwaarschijnlijk nog altijd winnen. De daarmee gepaarde gaande vernietiging van het Russische leger zou tevens de ondergang van het tsaristische rijk inluiden. Toch begon ook de tsaar te twijfelen aan de defensieve strategie die hij tot dan toe steeds had ondersteund.
Slag bij Smolensk
Bij Smolensk, kernstad van de Russische religieuze orthodoxie, kwam het tussen 16 en 18 augustus toch tot bloedige schermutselingen tussen delen van de Grande Arméé en Russische eenheden. Daarbij kwamen 11.000 Russen om of raakten gewond. Het invasieleger telde 9.000 doden en gewonden. Barclay wist zich aan de stootkracht van de tegenstander te onttrekken en vervolgde zijn terugtocht. Dat zinde zijn tegenstanders binnen het leger niet. Generaal Bagration droeg er namens de hele generale staf bij de tsaar schriftelijk op aan om Barclay te vervangen. Alexander ging overstag. Barclay bleef bevelhebber van het Eerste Leger, maar werd op 29 augustus als opperbevelhebber van de hele Russische strijdmacht vervangen door de populaire, politiek en militair door de wol geverfde 67-jarige veldmaarschalk Michail Koetoezov. Deze volgde echter dezelfde defensieve strategie als die van zijn voorganger. Ook hij begreep dat een militaire confrontatie met de strijdmacht van Napoleon in het open veld zou leiden tot het onnodig opofferen van het Russische veldleger.
Slag bij Borodino