Centrosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorende tot de groep van de Centrosaurinae, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Vondst en naamgeving In 1901 groef Lawrence Morris Lambe in het gebied van de Red Deer River in Alberta, Canada, schedelmateriaal op van grote ceratopiden. In 1902 benoemde hij een stuk schedel, specimen NMC 1173, als een soort van Monoclonius: Monoclonius dawsoni. Aan deze soort wees hij ook een achterste stuk nekschild toe.

Later kwam Lambe tot de conclusie dat dit tweede specimen een aparte soort vertegenwoordigde. In 1904 benoemde Lambe het als de typesoort Centrosaurus apertus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse κέντρον, kentron, 'scherpe punt' en verwijst naar het lange naar beneden gerichte uitsteeksel op het nekschild. Ten onrechte stellen verschillende populair-wetenschappelijke boeken dat deze naam betrekking heeft op de grote hoorn op de neus; weliswaar dacht Lambe dat dit inderdaad het geval was, maar in feite was de vermeende hoorn een afgebroken eerste epiparietale dat in 1909 door Barnum Brown als zodanig onderkend werd toen hij de breuklijn ervan op de schildrand ontdekte. De soortaanduiding apertus betekent 'geopend' in het Latijn en verwijst naar de opvallende openingen in de wandbeenderen, de parietaalvensters. De geslachtsnaam Centrosaurus heeft dezelfde etymologie als de later benoemde stegosauriër Kentrosaurus. Volgens Edwin Hennig leverde dit een verboden homonymie op en hij hernoemde daarom Kentrosaurus naar Kentrurosaurus. Een homonymie, gelijkluidendheid, kan echter vermeden worden door Centrosaurus zoals gebruikelijk is op zijn Italiaans uit te spreken, dus als 'sentrosaurus', in plaats van de uitspraak te volgen van het Klassiek Latijn die 'kentrosaurus' luidt.

Het holotype NMC 971 is gevonden in een laag van de Belly River Group die dateert uit het Campanien-Maastrichtien. Het bestaat uit een wandbeen. Al in het begin van de twintigste eeuw zijn van Centrosaurus veel vollediger resten gevonden, waaronder complete schedels. Deze vondsten vallen echter in het niet bij de ontdekking in de tweede helft van die eeuw van uitgebreide beenderlagen van Centrosaurus, samen de zogenaamde Hilda mega-beenderlaag vormend. Hierdoor is het hele skelet bekend geworden. Er zijn minstens acht van dit soort vindplaatsen bekend, die vermoedelijk gevormd zijn door het verdrinken van hele kudden, ieder bestaande uit duizenden individuen. Ze vertegenwoordigen de grootste opeenstapelingen van fossielen van dinosauriërs uit het Mesozoïcum die bekend zijn. De meeste van deze bonebeds stammen uit de Dinosaur Park Formation en zijn ongeveer vijfenzeventig miljoen jaar oud, maar in 2015 werd een beenderlaag gemeld uit de bovenste Oldmanformation die iets ouder is. Dit breidt het bereik in de tijd uit tot zo'n zevenenzeventig miljoen jaar. left|thumb|Schedel ROM 767 (eerder ROM 5419) verzameld door William Arthur Parks in 1919 Direct binnen het geslacht zijn nog twee soorten benoemd. In 1940 benoemde Charles Mortram Sternberg Centrosaurus longirostris, 'met de lange snuit', gebaseerd op specimen NMC 8795, een stuk schedel in 1917 gevonden in de Dinosaur Park Formation van Alberta. Tegenwoordig wordt aangenomen dat dit een jonger synoniem is van C. apertus. In 2005 benoemden Michael Ryan en Anthony Russell Centrosaurus brinkmani. In 2012 werd dit het eigen geslacht Coronosaurus.

De naamgevingsgeschiedenis van Centrosaurus is erg ingewikkeld geraakt door twee lastige vraagstukken. Het eerste daarvan is of de naam niet al bezet was. In 1843 had Leopold Joseph Fitzinger ook al een Centrosaurus benoemd, een hagedis. Daniel Chure achtte dit in 1989 zo'n ernstig probleem dat hij de vervangingsnaam Eucentrosaurus, 'ware Centrosaurus', creëerde. Deze naam heeft echter geen navolging gevonden. Om te beginnen vonden de meeste onderzoekers Centrosaurus Fitzinger 1843 een nomen oblitum, een naam die zijn geldigheid had verloren doordat hij vergeten was. Op de tweede plaats wees Benjamin Creisler erop dat Centrosaurus Fitzinger 1843 een opzettelijk jonger synoniem was van Phrynosoma, niet vergezeld ging van een beschrijving en zonder hoofdletter gespeld was terwijl er geen enkele aanwijzing te vinden valt welke bedoeling Fitzinger hiermee naamgevingstechnisch nu eigenlijk had. Hoewel al deze bezwaren formeel gezien niet relevant zijn, wordt in de praktijk steeds de naam Centrosaurus gebruikt, niet Eucentrosaurus. thumb|Afgietsel van NMC 1173, het holotype van Monoclonius dawsoni Het tweede vraagstuk is of Monoclonius crassus Cope 1876 geen ouder synoniem is van Centrosaurus apertus zodat het geslacht Monoclonius moet heten. Reeds Brown viel het op dat het lectotype van M. crassus, ook een stuk nekschild, zeer geleek op het holotype van C. apertus. Er waren wel verschillen, maar die weet hij aan het feit dat het lectotype van een oud individu was waarvan de schedelkraag versleten was. De meeste onderzoekers volgden deze redenering met als consequentie dat de centrosaurussoorten bij Monoclonius werden ondergebracht. In 1936 hernoemde Oskar Kuhn Centrosaurus apertus tot een Monoclonius apertus en in 1964 Centrosaurus longirostris tot een Monoclonius longirostris. Aan de andere kant waren er ook onderzoekers die meenden dat Monoclonius crassus wegens de beperkte resten een nomen dubium was en daarom monocloniussoorten in Centrosaurus plaatsten. Zo hernoemde Richard Swann Lull in 1933 Monoclonius nasicornus Brown 1917 in een Centrosaurus nasicornus en Lori Russell in 1930 Monoclonius cutleri Brown 1917 in Centrosaurus cutleri. Lull paste in 1933 ook de oplossing toe om Centrosaurus als een ondergeslacht van Monoclonius te beschouwen wat een Monoclonius (Centrosaurus) apertus en een Monoclonius (Centrosaurus) cutleri opleverde. In 1940 hernoemde C.M. Sternberg Monoclonius dawsoni tot een Centrosaurus dawsoni en Monoclonius recurvicornis Cope 1889 in een Centrosaurus recurvicornis. In 1975 hernoemde Wann Langston jr. deze laatste soort per abuis in een Centrosaurus recurvatus; de laatste soortaanduiding was dus een lapsus calami.

In 2010 werd er door Gregory S. Paul nog een aantal centrosaurussoorten gecreëerd toen hij verschillende eerder benoemde Centrosaurinae bij Centrosaurus onderbracht enkel omdat hij meende dat het bereik van het geslacht ruimer moest. Dat resulteerde in een Centrosaurus albertensis (= Styracosaurus); Centrosaurus ovatus (= Rubeosaurus); Centrosaurus procurvicornis (= Einiosaurus); Centrosaurus horneri (= Achelousaurus); Centrosaurus lakustai (= Pachyrhinosaurus lakustai) en een Centrosaurus canadensis (= Pachyrhinosaurus). Dit heeft geen navolging gevonden. thumb|AMNH 5427, het holotype van Monoclonius flexus In 1996 meende Peter Dodson dat beide taxa, Monoclonius en Centrosaurus, geldig en gescheiden waren. Browns argument dat het lectotype door ouderdom afgesleten was, verwierp hij. Tegenwoordig wordt het juist in principe aanvaard, maar is de conclusie toch niet dat Monoclonius prioriteit heeft. Recente studies stellen dat bij de ceratopiden bij oudere dieren zeer sterke resorptie van de stekels kan plaatsvinden. Dat betekent dat niet goed kan worden vastgesteld bij welke soort zo'n oud exemplaar precies hoort; in casu kan M. crassus identiek zijn aan zowel Centrosaurus apertus als aan Monoclonius nasicornus. Andere wetenschappers menen juist dat het lectotype van een onvolgroeid dier is, maar dan blijft de conclusie hetzelfde omdat ook daarvan de identiteit niet zeker is. Gekoppeld aan het feit dat Edward Drinker Cope geen notities maakte over de exacte vondstlocaties maakt dit Monoclonius crassus volgens de huidige onderzoekers alsnog tot een nomen dubium waarmee Centrosaurus geldig blijft.

Bepaalde monocloniussoorten zijn naar huidige inzichten jongere synoniemen van Centrosaurus apertus. Dat geldt voor de in 1914 door Brown op basis van specimen AMNH 5239, een schedel gevonden in de Dinosaur Park Formation van Alberta, benoemde Monoclonius flexus, alsmede voor Monoclonius cutleri Brown 1917, gebaseerd op specimen AMNH 5427, een meer compleet skelet met zelfs huidafdrukken. Een lastig geval vormt Monoclonius dawsoni waaraan het holotype van Centrosaurus oorspronkelijk toegewezen was. Ook dit wordt wel als een jonger synoniem gezien — en dan had Lambe in eerste instantie gelijk gehad de beide beenderen met elkaar in verband te brengen — maar dat zou betekenen dat de geldige soortnaam Centrosaurus dawsoni moet zijn in plaats van Centrosaurus apertus daar de soortaanduiding dawsoni twee jaar eerder is gebruikt. Over het algemeen wordt deze consequentie niet getrokken.

Centrosaurus apertus zou hiermee de enige nog erkende centrosaurussoort zijn, ware het niet dat Monoclonius nasicornus nog steeds vaak een Centrosaurus nasicornus genoemd wordt daar men hem niet bij het een nomen dubium als typesoort hebbende geslacht Monoclonius wil onderbrengen.

Namenlijst De ingewikkelde naamgevingsgeschiedenis kan worden samengevat in een namenlijst.

Centrosaurus Lambe 1904 non Fitzinger 1843: = Monoclonius (Centrosaurus) Cope per Lull 1933; = Eucentrosaurus Chure & McIntosh 1989 Centrosaurus apertus Lambe 1904: geldige typesoort; = Monoclonius (Centrosaurus) apertus (Lambe 1904) Lambe per Lull 1933; = Monoclonius apertus (Lambe 1904) Kuhn 1936; = Eucentrosaurus apertus (Lambe 1904) Chure & McIntosh 1989 Centrosaurus cutleri (Brown 1917) Russell 1930: jonger synoniem van C. apertus; = Monoclonius cutleri Brown 1917; = Monoclonius (Centrosaurus) cutleri (Brown 1917) Brown per Lull 1933; = Eucentrosaurus cutleri (Brown 1917) Chure & McIntosh 1989 Monoclonius (Centrosaurus) flexus (Brown 1914) Brown per Lull 1933: jonger synoniem van C. apertus; = Monoclonius flexus Brown 1914; = Eucentrosaurus flexus (Brown 1914) Chure & McIntosh 1989 Centrosaurus nasicornus (Brown 1917) Lull 1933: geldige soort, wellicht non Centrosaurus; = Monoclonius nasicornus Brown 1917; = Eucentrosaurus nasicornus (Brown 1917) Chure & McIntosh 1989 Centrosaurus longirostris Sternberg 1940: jonger synoniem van C. apertus; = Monoclonius longirostris (Sternberg 1940) Kuhn 1964; = Eucentrosaurus longirostris (Sternberg 1940) Chure & McIntosh 1989 Centrosaurus dawsoni (Lambe 1902) Sternberg 1940: ouder synoniem van C. apertus; = Monoclonius dawsoni Lambe 1902; = Brachyceratops dawsoni (Lambe 1902) Lambe 1915 Centrosaurus recurvicornis (Cope 1889) Sternberg 1940: nomen dubium; = Monoclonius recurvicornis Cope 1889; = Ceratops recurvicornis (Cope 1889) Hatcher vide Stanton & Hatcher 1905; = Centrosaurus recurvatus Langston 1975 (sic); = Eucentrosaurus recurvicornis (Cope 1889) Chure & McIntosh 1989 Centrosaurus brinkmani Ryan & Russell 2005: = Coronosaurus brinkmani (Ryan & Russel 2005) Ryan, Evans & Shepherd 2012 Centrosaurus albertensis (Lambe 1913) Paul 2010: = Styracosaurus albertenis Lambe 1913 Centrosaurus ovatus (Gilmore 1930) Paul 2010: = Styracosaurus ovatus Gilmore 1930; = Rubeosaurus (Gilmore 1930) Horner & McDonald 2010 Centrosaurus procurvicornis (Sampson 1995) Paul 2010: = Einiosaurus procurvicornis Sampson 1995 Centrosaurus horneri (Sampson 1995) Paul 2010: = Achelousaurus horneri Sampson 1995 Centrosaurus lakustai (Currie, Langston & Tanke 2008) Paul 2010: = Pachyrhinosaurus lakustai Currie, Langston & Tanke 2008 Centrosaurus canadensis (Sternberg 1950) Paul 2010: = Pachyrhinosaurus canadensis Sternberg 2010

Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Centrosaurus in grootte vergeleken met een mens