De Elzas (Frans: Alsace, Duits: Elsass, Alemannisch: Elsàss) is een streek in het uiterste noordoosten van Frankrijk, onderdeel van de bestuurlijke regio Grand Est. Het bestaat uit de twee departementen Bas-Rhin en Haut-Rhin, sinds 2021 bestuurlijk samengevoegd onder de naam Collectivité européenne d'Alsace, waardoor de Elzas sindsdien een bestuurlijke eenheid (collectivité territoriale) vormt, met de uitgebreide bevoegdheden van een departement.

Geografie De Elzas ligt in het noordoosten van Frankrijk aan de linkeroever van de Rijn, die de grens met Duitsland vormt. In het westen ligt de Elzas tegen de regio Lotharingen (Frans: la Lorraine). Van het noorden naar het zuiden lopen door de Elzas, aan de grens met Lotharingen, de Vogezen, een middelgebergte. In het oosten van de Elzas strekt zich evenwijdig tussen de Vogezen en de Rijn, het Rijndal uit; de vlakte tussen de bergketen en de rivier draagt de naam Grand Ried.

Aangrenzende regio's

Geschiedenis De Elzas werd ten tijde van de komst van Julius Caesar bewoond door de Germaanse stam van de Tribokers. Nadat Caesar hen in 58 v.C. had verslagen, werd hun woongebied ondergebracht in de Romeinse provincie Germania Superior, samen met het huidige Baden aan de andere zijde van de Rijn. In 297 n.C. werd het gebied afgescheiden tot een aparte provincie, Germania Prima.

In de 4e eeuw kwam het bloot te staan aan invallen van stammen uit het onbezette Germania en alleen een bondgenootschap met een van die stammen – de Franken – hield het gebied voorlopig nog een eeuw binnen het Romeinse Rijk, hoewel de militaire macht er in wezen al Frankisch was geworden. Aan het einde van de 5e eeuw hadden de Germaanse Alemannen zich in de Elzas gevestigd, evenals in Zwitserland en het huidige zuidwesten van Duitsland (in Duitsland worden zij Zwaben (Schwaben) genoemd). Het Romeinse Rijk had toen opgehouden te bestaan en de Alemannen aanvaardden het gezag van het Frankische Rijk. In de 9e eeuw, na de dood van Karel de Grote, zou dit rijk gesplitst worden. Daarbij kwam de Elzas samen met Lotharingen in het oostelijke rijk – het Duitse Rijk (Heilige Roomse Rijk) – terecht, een staatkundige situatie die voor de duur van duizend jaar tot in de 17e eeuw zou blijven bestaan.

In de 8e eeuw komt de naam Elzas ook voor het eerst in documenten voor. De naam is afgeleid van het Oudgermaanse *ali-sazzo, wat betekent: aan de andere kant wonenden. Namelijk: vanuit Duitsland, aan de andere kant van de Rijn wonend. Het eerste deel van de naam komt nog voor in het Nederlandse 'elders' en het Engelse 'else'; het tweede deel is etymologisch verwant met 'zitten' (gezeten zijn), 'zetel' , 'zate'. In het Nederlands is de naam 'de Elzas', in het Duits 'das Elsass', In het Frans 'L'Alsace'. Letterlijk zijn Elzassers 'zij die aan de andere zijde wonen'.

Bestuurlijk was de Elzas onderverdeeld in ca. 70 steden waarvan 10 rijkssteden met autonoom bestuur, direct ressorterend onder de Duitse keizers, en in vele geestelijke en adellijke heerlijkheden. Het latere keizerlijke huis Habsburg vormde een van deze lokale feodaliteiten en had dus zijn oorsprong in de Elzas; het zou later zijn macht overigens naar oostelijker streken verleggen. Cultureel behoorde de Elzas tot het Rijnland en als zodanig maakte het in de 16e eeuw ook de lotgevallen mee van de kerkhervormingsstrijd in het Duitse Rijk: vooral de Elzasser steden voerden toen het lutheranisme in. In het zuiden was de oriëntatie op Zwitserland gericht en daar werden het calvinisme en zwinglianisme van invloed met als centrum Mühlhausen (Mulhouse), een stad die tot in de 18e eeuw lid was van het Zwitsers Eedgenootschap. Vooral Straatsburg bleef een belangrijk intellectueel centrum waarin al deze stromingen lange tijd naast elkaar konden voortbestaan. Sociale, religieuze en economische onrust bracht de plattelandsbevolking ertoe zich aan te sluiten bij boerenopstanden (boerenoorlog) die in de midden en zuidelijke Duitse landen om zich heen grepen en zeer gewelddadig door de adel werden onderdrukt. Om de uit balans geraakte machtsverhoudingen opnieuw vast te leggen, werd in Duitse landen een Dertigjarige Oorlog gevoerd en bij de Vrede van Westfalen in 1648 vond in tal van gebieden, ook in de Elzas, een herstel van het rooms-katholicisme plaats. De ontvolking van marginale gebieden door de oorlogen, zoals in de Vogezendalen, werd gecompenseerd door een toestroom van kolonisten van elders: Franssprekende Lotharingers en Duits-Zwitsers sprekende mennonieten.

Het zuiden van de Elzas (Sundgau, nu het departement Haut-Rhin) kwam in 1648 grotendeels in Franse handen. Dit was het eerste succes van het Franse streven naar de Rijn als de Franse staatsgrens. De volgende stap vond in 1681 plaats met de overgang van Straatsburg en omgeving naar Frankrijk. Overige gebieden volgden een voor een en aan het einde van de loop van de 18e eeuw was de gehele Elzas onder Frans gezag gekomen, hoewel de Franse koningen tal van autonome bestuursvormen en rechtsplegingen lieten voortbestaan en het protestantisme niet verboden werd. De Franse Revolutie voerde daarentegen in 1789 een centralistisch bestuur in en deelde de Elzas bestuurlijk op in twee departementen. Sindsdien kreeg de verfransing steeds meer gestalte, vooral onder de politiek bewust geworden burgerij die zich nu op Parijs ging oriënteren. De plattelanders bleven niettemin als vanouds Duitse (Elzassische) dialecten spreken. Maar vooral het Franse staatsonderwijs legde ook daar de grondslag voor toekomstige tweetaligheid. De zielzorg door de kerken hanteerde echter consequent de volkstaal, ondanks de druk die werd uitgeoefend door Parijs.

Historische gebieden Droysens Historische Handatlas (1886), kaartblad Elsass (1648-1789) onderscheidt de volgende gebieden (tussen haken de Duitse benaming zoals die in deze atlas teruggevonden kan worden):

I. Geestelijke staten: 1. Hegenheim (deel van het prinsbisdom Bazel) (Basel) 2. gebieden van de Duitse Orde 3. abdij Murbach 4. Mundat Rouffach (Ruffach) (deel van het prinsbisdom Straatsburg) (Strassburg) 5. prinsbisdom Straatsburg 5a. heerlijkheid Reichshoffen (Reichshofen) (1664 aan het hertogdom Lotharingen) 6. heerlijkheden van het domkapittel Straatsburg (Strassburg) 7. abdij Andlau (met een deel van het gebied zijn leden van de rijksridderschap beleend). 8. abdij Marmoutier (Maursmünster) 9. abdij Neubourg (Neuburg) (bij Dauendorf, eigenlijk deel van Palts-Zweibrücken, Pfalz-Zweibrücken) 10. abdij Walbourg (Walburg) (deel proosdij Wissembourg (Weissenburg), 1687 aan het seminarium van Straatsburg) 11. prinsbisdom Spiers (Speyer) 12. Mundat Wissembourg (Weissenburg) (deel prinsbisdom Spiers)

II. Rijkssteden en rijksdorpen 13. rijksstad Straatsburg met de ambten Ilkirch (Illkirch), heerlijkheid Barr, Marlenheim en Wasselonne (Wasselnheim) 13a. heerlijkheid Herrenstein (1527-1651 aan Straatsburg) (Strassburg) 14. Decapolis 15. 40 Rijksdorpen (landvoogdij Haguenau) (Hagenau)

III. Wereldlijke staten A. Sundgau 16. graafschap Ferrette (Pfirt, omvattend Ferrette, Altkirch, Thann, Belfort en Rothenburg) 17. heerlijkheid Landser 18. heerlijkheid Masevaux (Masmünster) B. Opper-Elzas 19. heerlijkheid Cernay 20. heerlijkheid Ensisheim 21. heerlijkheid Issenheim 22. heerlijkheid Bollwiller 23. heerlijkheid Landsberg C. Neder-Elzas 24. heerlijkheid Koenigsbourg (Hochkönigsburg) (1648 als pand aan het huis Fugger) 25. heerlijkheid Villé (Weiler) (1648 als pand aan het huis Fugger) D. Overige Oostenrijkse gebieden 25a. heerlijkheid Biesheim (verbonden met Breisach in Baden) E. Niet-Oostenrijkse gebieden 26. heerlijkheid Landskron (Baden) 27. heerlijkheid Beinheim (Baden) 28. graafschap Horbourg (Horburg) met de heerlijkheid Riquewihr (Reichenweier) (1332: Württemberg) 29. tot Lotharingen behoorden een deel van het dal van de Lièpvre (Leberau) met de steden Sainte-Marie-aux-Mines (Markirch) en Saint-Hippolyte; verder de enclave Soultzbach-les-Bains (Sulzbach) 30. graafschap Rappoltstein (Ribeauviller) (Hoheneck en Gutenberg Oostenrijks); uitgestorven 1673; aan Palts-Birkenfeld 31. graafschap Lichtenberg, 1481 aan Hanau en Pfalz-Zweibrücken; 1569 geheel aan Hanau; 1736 aan Hessen-Darmstadt 32. heerlijkheid Oberbronn, 1541 van Lichtenberg aan Leiningen-Westenburg; 1728 aan Hohenlohe 32a heerlijkheid Niederbronn, 1541 van Lichtenberg aan Leiningen-Westenburg; 1764 Franse annexatie 33. heerlijkheid Fleckenstein, uitgestorven in 1720; Franse annexatie 34. heerlijkheid Schœneck (familie Eckbrecht von Dürckheim) 35. heerlijkheid Hohenbourg (Hohenburg) (familie von Sickingen) 36. graafschap Lutzelstein (Lützelstein); Palts-Veldenz, uitgestorven in 1694; aan Palts-Zweibrücken 37. heerlijkheid Ban de la Roche (Steinthal); Palts-Veldenz, uitgestorven in 1694; Franse annexatie 38. Cleebourg (Pfalz-Kleburg) en de heerlijkheid Bischwiller (Palts-Zweibrücken) 39. Selz (Keur-Palts, Kurpfalz), 1769 Palts-Zweibrücken 40. Schweighausen en Hochfelden (enclaves van Land van Haguenau) 41. gebieden van de Rijksridderschap

IV. 42. graafschap Salm 43. graafschap Dagsburg (Leiningen-Hartenburg) 44. graafschap Saarwerden (Nassau)

Moderne geschiedenis

Na de verloren Frans-Duitse Oorlog van 1870 moest Frankrijk het gebied aan het nieuwe Duitse Keizerrijk afstaan. Daarin vormde het sindsdien met Lotharingen als Elzas-Lotharingen een provincie die met de status van 'Reichsland' voorlopig vanuit Berlijn zou worden bestuurd. In Frankrijk bestond veel weerzin tegen dit vredesverdrag, weerzin die voeding gaf aan decennialange revanchegedachten. Dit revanchisme zou op zijn beurt weer bijdragen aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Maar voorlopig, na 1870, werd het Frans gaandeweg verwijderd uit het bestuur en het onderwijs. Honderdduizend, één op de tien, Elzassers en vooral de ambtenaren en militairen vertrokken naar Frankrijk. Na twintig jaren was de bestuurlijke situatie genormaliseerd en had het Duits als bestuurs- en onderwijstaal een exclusieve positie gekregen. Ook werd bestuurlijke autonomie onder een eigen regionaal parlement door Berlijn toegekend.

Na de Eerste Wereldoorlog, bij de ondertekening van de Vrede van Versailles in 1919 kwam de revanche en werd de Elzas weer door Frankrijk ingelijfd. Ca. honderdduizend 'Duitsers' kregen niet de vrijheid om voor het Franse staatsburgerschap te opteren, waaronder ook Elzassers met vaders die van de andere zijde van de Rijn stamden of in Duitse overheidsdienst waren getreden. Zij moesten het land verlaten. Nu riep de drastische invoering van het Frans in bestuur en op school verzet op, niet zozeer om nationale maar meer om praktische redenen. De meeste Elzassers verstonden namelijk geen Frans. Het centrale bestuur vanuit Parijs had weinig begrip voor het Elzasser particularisme en een autonomiebeweging ontstond met als doel een aparte bestuurlijke status te verwerven, maar dat werd door Parijs heftig afgewezen als uiting van landverraad.