De Walderveense molen staat aan de Renswoudsestraatweg in de buurtschap Walderveen in Lunteren, tussen Barneveld en Renswoude in de provincie Gelderland. Het is een in 1895 door de molenmaker Wijnveen uit Voorthuizen gebouwde stenen windmolen, eerder stond er een standerdmolen. die wordt gebruikt voor het malen van graan, zoals gerst, rogge, maïs en tarwe voor veevoer. Op de molen is een koekenbreker en een zakkenlift aanwezig.

De molen is ingericht als boerengemaal wat onder andere blijkt uit de trap van de maal- naar de steenzolder, die tussen de twee maalkoppels staat en de maalbakken die vlak bij het luiluik uitkomen. Op een boerengemaal werden vaak kleine partijtjes gemalen waarbij de boer wachtte tot het graan gemalen was en het meel dan meteen meenam. Op het ene maalkoppel werd het graan gebroken en op het andere werd het gebroken graan vermalen tot meel.

Geschiedenis thumb|left|Opstelling maalbakken. De vloer van de maalzolder is in 1975 gedeeltelijk vernieuwd. In 1566 stond er in Walderveen al een standerdmolen. Het oorspronkelijke molenaarshuis aan de Renswoudsestraatweg 26 gebouwd in 1855 door Gerrit Wilbrink is een hallehuisboerderij. Het "nieuwe" molenaarshuis met 30 als huisnummer is gebouwd door Hendrik Mulder, toen hij de standerdmolen kocht van Ruud Adema. In 1895 werd boven op een stenen onderbouw een tweedehandsmolen geplaatst, die in 1849 in Zaandam was gebouwd. Deze brandde in 1911 af. Op de stenen voet werd in 1912 weer een tweedehandsmolen gebouwd. In 1909 werd in een aan de oostzijde van de molen gebouwd stenen motorhok een 14 pk petroleummotor geplaatst, die een op de begane grond geplaatste maalstoel met zestiender stenen aandreef. De petroleummotor met toebehoren kostte 1300 gulden en het motorhok 2505,80 gulden, waaronder twee kunststenen samen voor 150 gulden. In 1925 kreeg molenaar Arie Mulder een vergunning voor het plaatsen van een 31-34 pk Crossley ruwoliemotor type 0.117 in een maalschuur ten zuiden van de molen. Ook werd er toen een graanschuur gebouwd. De ruwoliemotor werd koud gestart en was na 60 seconden in vol bedrijf. Deze motor dreef twee maalstoelen in de maalschuur aan. Vanaf dat moment gebeurde het malen meer en meer op motorkracht en begon de molen in verval te raken. Na de Tweede Wereldoorlog werd alleen nog gemalen met een hamermolen. In 1960 kwam een 29.267 gulden kostende en in 1962 afgeronde restauratie op gang. Daarna werd op de molen door Nico van Koerten nog voor medicinale voeders gemalen. thumb|left|Wiekverbetering in 1959 naar eigen molenaarsontwerp afgeleid van de Dekkerwiek, dat ook op enkele andere molens in de omgeving van Ede werd toegepast. Op 22 december 2014 zijn er voor het bepalen van de ouderdom van het achtkant en de kap vijf boormonsters genomen voor dendrochronologisch onderzoek. Volgens dit onderzoek is de boom voor de grenen achtkantstijl nummer II rond 1790 gekapt en die voor nummer VI rond 1780. De bomen zijn afkomstig uit Noordoost Polen. Dit komt overeen met het ingehakte jaartal 1801 in een van de achtkantstijlen. Het achtkant zou dan in 1801 gebouwd kunnen zijn door molenmaker H. de Roos uit Leeuwarden. In 1955/1956 heeft een zekere A. de Roos uit de omgeving van Leeuwarden de Puurveense molen gerestaureerd. Onbekend is of dit een nazaat was van H. de Roos. De boom voor de eikenhouten penbalk in de kap is rond 1875 gekapt en stamt uit het Weser-Leinberglandes. Het linker voeghout kon niet gedateerd worden.

Beschrijving De molen is een achtkante korenmolen van het type stellingmolen met een stenen onderbouw en een grenenhouten, rietgedekte bovenbouw. De stelling zit op 5,90 m. ter hoogte van het ondertafelement. De liggers van de stelling liggen in de stenen voet en zijn verankerd aan het ondertafelement. De stelling heeft een buitensluiting. Oorspronkelijk was de keerkuip geschilderd in de kleuren rood, wit, blauw.

Er zijn 2 koppel maalstenen. Beide maalstenen zijn maalvaardig en worden gebruikt al naargelang de behoefte. Een van de stenen is bijvoorbeeld bij uitstek geschikt voor het malen van "fijne" stoffen. Het ene koppel is nog van natuursteen, bestaande uit basalt uit de Duitse Eifel. Het andere koppel is van kunststeen met een speciale, harde laag aan de maalzijde, waarvan de groeven (uitslag) van een iets zachter materiaal gemaakt zijn dan de kerven, zodat de steen zichzelf enigszins scherpt. De stenen zijn voorzien van een regulateur, waardoor het malen gelijkmatiger verloopt.

De balken in de kap zijn van eikenhout. De kap is in 1990 voorzien van een zogenaamd Engels kruiwerk, hetgeen een kruiwerk met ijzeren rollen is. Tegelijkertijd is de kruilier vervangen door een kruirad. Op 25 november 2011 is de eiken staartbalk vervangen en de kruilier weer teruggeplaatst. Vroeger draaide de kap op neuten (houten blokken), die aan de bovenkant van ijzeren plaatwerk waren voorzien. Op de detailfoto zijn nog de inkepingen te zien waarin de blokken geschoven werden. Ook heeft er ooit een stutvang in plaats van de nu aanwezige vlaamse vang gezeten, hetgeen nog te zien is aan de stutkast op het linker voeghout. Op de overring zit een slagstuk.

thumb|left|De op 16 februari 1916 verongelukte molen thumb|left|100px|Telmerken, vlotmerken, eigendomsmerken of belastingmerken op de buitenkant van de achtkantstijl Op 4 juni 1911, pinksterzondag, brandde 's avonds de houten achtkant met de rieten kap door blikseminslag af. Ook ging hierbij 300 mud graan verloren. Op de overblijvende stenen onderbouw werd in 1912 een nieuwe molen gebouwd met onderdelen van andere molens afkomstig van het molensloopbedrijf Gebr. de Boer uit Oostzaan. Mulder ging volgens een door hem bijgehouden kasboek op 7 juli 1911 een molen kopen in Oostzaan. Op 8 november 1911 betaalde hij voor de tweedehands molen 1870 gulden. Het vervoer per schip naar Nijkerk kostte 65 gulden en voor het vervoer vanaf Nijkerk naar Walderveen werd 50 gulden betaald. De totale kosten van de tweedehands molen inclusief transport en de herbouw bedroegen 4298,06 gulden.

De herkomst van de nieuwe molenonderdelen is tot op heden in feite onbekend. Hierover circuleren verschillende versies. Onderdelen van een houtzaag- en korenmolen uit Drachten (de molen van Van Beek), de houten achtkant met het jaartal 1801 met initialen HR (Harrie Ritzen, H. Roos ?) op de achtkantstijl op het zuidwesten ter hoogte van de steenzolder en een tweedehands kap van een molen uit de Zaanstreek, De Duinmeier uit 1681 en afgebroken in 1912, zouden gebruikt zijn. De molen van Van Beek werd gebouwd met onderdelen van de in 1677-1680 gebouwde De os in Workum. Gelet op de dendrochronologische datering rond 1790 kan het houten achtkant dus niet afkomstig zijn van de molen van Van Beek.

Op een achtkantstijl zit op de buitenkant telmerken, vlotmerken, eigendomsmerk of bewijs van betaling belasting ingekerfd.https://web.archive.org/web/20181111000209/http://www.omgevingindepraktijk.nl/sites/default/files/bestanden/Erfgoed/2b%20Merk%20op%20hout.pdf Houtmerken De houten achtkant was te groot voor de voet, die daarom 80 cm schuin naar buiten werd opgemetseld. De kap is eigenlijk te groot voor de achtkant en waarschijnlijk zijn de voeghouten aan de voorkant ingekort. Bijzonder zijn de dubbele kistramen in de houten achtkant. Waarschijnlijk heeft de maalzolder er oorspronkelijk niet gezeten maar daar ongeveer een meter boven een andere vloer (krukzolder?). Het spoorwiel, het bovenwiel en de bonkelaar zijn waarschijnlijk afkomstig uit de voormalige oliemolen De Duinmeier. Het spoorwiel heeft waarschijnlijk vroeger in de oliemolen dienstgedaan als steenwiel en heeft losse dammen. Twee sectoren van het spoorwiel zijn vernieuwd. Het oude gedeelte heeft kammen van azijnhout en de nieuwe sectoren van acaciahout. Het bovenwiel en de bonkelaar zijn conisch en waarschijnlijk nieuw gemaakt, nadat de oliemolen door de toenmalige eigenaar, Molenaar, was omgebouwd tot pelmolen. De plooistukken en de velgen van het bovenwiel zijn van iepenhout en de kruisarmen van eikenhout gemaakt.

Door een stormvlaag brak op woensdag 16 februari 1916 een wiek van de houten buitenroe af, waarna de bovenas dompte en nog twee wieken afbraken toen ze tegen de stelling en de molenromp sloegen, ook die van de ijzeren pot binnenroe. Het was een stormachtige dag, waarbij in de Bilt het uurgemiddelde van de windsnelheid 18,5 m/sec bedroeg. Er werd die dag zonder zeil en met beide koppels gemalen. De as kon dompen, omdat de springbeugel te licht bleek te zijn en bij het dompen afbrak. De toenmalige molenaar Mulder kwam hierbij enige tijd vast te zitten in de molen. Nadien is er over de pen een zware springbeugel gemonteerd, die zijn dienst een jaar later bewees toen de molen 's nachts bij een zware storm achteruit ging draaien. Bij de februaristorm van 1953 brak een gedeelte van de wieken af en sloeg dwars door de stelling.

Het luiwerk voor het opluien (ophijsen) van de zakken graan bestaat uit een luias en een luitafel. Een gaffelwiel ontbreekt, waardoor niet met de hand opgeluid kan worden. Daarom is er tevens een elektrisch aangedreven luiwerk aanwezig. Voor het afschieten (laten zakken) is op de maalzolder een apart afschietwerk aanwezig, bestaande uit een as met een wiel dat afgeremd kan worden met een met de hand bediende rem. Vlak hierboven zit een tweede afschietwerk, bestaande uit een kast met drie schijven, dat vermoedelijk gebruikt werd om naar de graanzolder af te schieten.

De uit 1862 afkomstige, 4,70 m lange, gietijzeren bovenas is van de fabrikant L.T. Enthoven & Co. met als nummer 333. De as wordt gesmeerd met reuzel en de kammen (tanden) op de tandwielen met bijenwas. De vang, waarmee het wiekenkruis wordt afgeremd, is een met een wipstok bediende Vlaamse vang bestaande uit vijf blokken. In de ezel zit voor het scharnieren van de vangbalk een schuif, waardoor een traploze afstelling van de vangbalk mogelijk is. De koningsspil is gelagerd in de lange spruit.

thumb|Roeplaatjes thumb|Aangegoten balkkoppen De molen is gerestaureerd in 1912, 1916, 1962, 1980, 1990, 2005 en 2014 en beschikt weer over de klassieke wiekvoering, met zeil (oudhollandse tuigage, zonder andere aerodynamische middelen, zoals bv. fokwieken).

In 1916 werd een van de afgebroken roeden vervangen door een potroe afkomstig van de poldermolen Klein Houdijk Teijlingen of Klein Houdijker Molen uit Kamerik. Voor de twee nieuwe roeden werd 336 gulden betaald. Het totale herstel in 1916 bedroeg 882 gulden. 200px|thumb|left|P.COPPES, 1962, Bergharen In 1961/62 werd de molen geheel opnieuw met riet gedekt en werd de stelling vernieuwd. Ook werden twee nieuwe, gelaste roeden met Busselneuzen gestoken. Daarvoor hadden de roeden een wiekverbetering naar eigen molenaarsontwerp, die afgeleid was van de Dekkerwiek. Ook op enkele andere molens in de omgeving werd dit ontwerp toegepast, zoals op De Hoop in Lunteren. Op een achtkantstijl staat aan de zijkant onderelkaar: P.COPPES 1962 Bergharen.

Bij de restauratie in 1980 zijn weer nieuwe roeden gestoken, maar nu zonder de Busselneuzen en werden de wieken weer van een oudhollandse tuigage voorzien. De in 1979 gemaakte, 21,50 m lange roeden zijn afkomstig van de firma Derckx. De binnenroe heeft als nummer 326 en de buitenroe 325. Bij deze restauratie zijn de lange spruit en de lange schoren vervangen. Ook zijn nieuwe essenhouten belegstukken op het bovenwiel gezet en zijn enkele kammen vervangen. Daarnaast is de staartbalk vernieuwd en is de kruilier vervangen door een kruirad. Deze restauratie kostte totaal ruim 142.000 gulden.