thumb|Myceens Myceens is een Oudgrieks dialect dat werd gebruikt door de Myceense beschaving, die in de Late Bronstijd (ca. 1600 tot 1100 v.C.) de Egeïs kwam te domineren. Op het Griekse vasteland vormden zich in die periode kleine autonome koninkrijken, waaronder Mycene dat zijn naam aan de volledige cultuur heeft gegeven. Omstreeks 1450 v.C. namen de bewoners van het vasteland de controle in handen over Kreta en de Cycladeneilanden, die tot die tijd elk hun eigen cultuur hadden gekend. De Myceense paleisburchten werden rond 1200 v.C. geteisterd door een eerste golf van verwoestingen, die het einde inluidde van de beschaving. Een tweede golf rond 1150 v.C. bracht de genadesteek toe. Tijdens de branden die hiermee gepaard gingen, zijn de in de paleizen opgeslagen kleitabletten gebakken en aldus voor ons bewaard gebleven. Ze zijn beschreven met het Lineair B-schrift, dat in 1952 werd ontcijferd door Michael Ventris en John Chadwick. De ontsluiting van deze teksten maakte van het Myceens het oudst geattesteerde stadium van de Griekse taal (ca. 13e-12e eeuw v.C.), waar voorheen de Homerische epen de oudst bekende Griekse taaluitingen waren (ca. 8e eeuw v.C.).

Plaats van het Myceens binnen de Griekse dialecten De Griekse dialecten van het eerste millennium v.C. vallen uiteen in twee grote groepen: Oost-Griekse dialecten, waaronder Attisch en Ionisch, en West-Griekse dialecten, waaronder Dorisch. Het Myceens moet echter veel vroeger, in het tweede millennium v.C., worden gesitueerd. Niettemin vertoont het Myceens al een aantal karakteristieken van de latere oostelijke dialecten waarmee ze zich onderscheiden van de westelijke, bijvoorbeeld: de evolutie van de Proto-Indo-Europese werkwoord-uitgang -ti tot -si (3e persoon enkelvoud); het typerende voegwoord hote (wanneer). Hieruit kan men besluiten dat de opsplitsing in Oost- en West-Grieks zich al had voltrokken in de Myceense tijd. Het betekent bovendien dat het Myceens geenszins mag worden beschouwd als een vorm van Proto-Grieks waar alle andere dialecten op zouden teruggaan.

Schrift en fonologie Het syllabaire Lineair B-schrift, dat in gewijzigde vorm op Cyprus in gebruik is gebleven zelfs nadat het Griekse alfabet in zwang raakte, leent zich slecht om Grieks te noteren. Een overzicht van de voornaamste syllabogrammen met hun conventionele transcripties:

Tekens om klinkers weer te geven: a e i o u Het Myceens kent vijf klinkers (a, e, i, o, u), zowel kort als lang (een onderscheid dat niet wordt weergegeven in het schrift). De diftongen (tweeklanken) op -i (ai, ei, oi) worden in het schrift minder goed weergegeven dan de diftongen op -u (au, eu, ou). Er is geen manier om een beklemtoonde klinker weer te geven in het schriftbeeld.

De occlusieven (plofklanken) worden per categorie verdeeld in verschillende series: B-, P- en PH-reeks: pa, pe, pi, po, pu G-, K- en KH-reeks: ka, ke, ki, ko, ku D-reeks: da, de, di, do, du T- en TH-reeks: ta, te, ti, to, tu Q-reeks: qa, qe, qi, qo (qu komt niet voor) De Myceense occlussieven bevatten niet alleen de Proto-Indo-Europese labialen (lipklanken) (/p/, /ph/, /ph/), de dentalen (tongklanken)(/t/, /d/, /th/) en de velaren (klanken van het zachte verhemelte) (/k/, /g/, /kh/), maar daarnaast zijn ook de labiovelaren (klanken van tegelijkertijd geronde lippen en het zachte verhemelte) (/gw/, /kw/, /kwh/), waarvan de uitspraak niet met zekerheid bepaald kan worden, nog bewaard in het Grieks van het tweede millennium voor Christus. Het schrift maakt geen onderscheid in stemhebbend of geaspireerd karakter: /pa/, /ba/ en /pha/ worden met hetzelfde teken weergegeven. Opmerkelijk is dat het schrift wel een aparte reeks heeft voor de stemhebbende /d/ (da, de, di, do, du) en een andere reeks voor de stemloze en stemloos geaspireerde /t/ en /th/ (ta, te, ti, to, tu) . Dat onderscheid toont aan dat de Indo-Europese stemhebbende geaspireerde klank *dh wellicht reeds stemloos was geworden. Bewijs daarvan zien we terug in te-ke dat het Griekse θηκε noteert. Indien die evolutie nog niet in het Myceens had plaatsgevonden, zou θηκε als de-ke genoteerd zijn geweest.

L- en R-reeks: ra, re, ri, ro, ru Het Myceens heeft de liquidae /l/ en /r/, die echter beide met slechts één grafeem worden genoteerd.

M-reeks: ma, me, mi, mo, mu N-reeks: na, ne, ni, no, nu Deze beide reeksen worden gebruikt om de nasalen (neusklanken) te noteren.

S-reeks: sa, se, si, so, su De sibilant /s/ valt aan het woordbegin weg en tussen vocalen in het oud-Grieks verandert in een aspiratie.

J-reeks: ja, je, jo, ju (ji komt niet voor) W-reeks: wa, we, wi, wo (wu komt niet voor) Deze reeksen noteren de halfklinkers /w/ en /j/. In tegenstelling tot het klassieke Grieks blijft de /w/ in het Myceens nog overal behouden.

Z-reeks: za, ze, zi, zo, zu Deze reeks noteert zogenaamde affricaten.

De Proto-Indo-Europese laryngalen waren reeds verdwenen in de Myceense taal en werden dus niet genoteerd. Daarnaast bevat het schrift nog enkele samengestelde of (nog) niet geïdentificeerde klinkers en medeklinkers. In het Myceens doet zich ook assimilatie voor. Hierbij veranderen medeklinkers van klank door naburige klanken. Contractie lijkt dan weer onbestaande in het Myceens Grieks.

Het schriftsysteem waarop Lineair B is gebaseerd (Lineair A), was duidelijk bedoeld voor een taal met een volledig ander klanksysteem dan het Grieks. Lineair B kent immers enkel open lettergrepen en quasi geen consonantenclusters, wat belangrijke consequenties heeft voor de spelling van Griekse woorden. De meest opvallende spellingsregels zijn: het enkel schrijven van dubbelconsonanten: ko-no-so (= Knôssos); het niet noteren van r/l/m/n/s voor een volgende consonant: pe-ma (= sperma); de ontdubbeling van andere consonantenclusters met gebruik van “dode klinkers” die hun kwaliteit ontlenen aan de klinker uit de volgende syllabe: te-ko-to-ne (= tektones), waarbij de ‘o’ in ‘ko’ een dode klinker is; het niet noteren van consonanten aan het woordeinde, behalve bij clusters: pa-te (= patêr) vs. wa-na-ka (= wanax = wanaks). Tot slot enkele voorbeelden: Het Griekse woord basileus (koning) komt op Myceense kleitabletten voor als qa-si-re-u en zal ongeveer als gwasileus geklonken hebben. Het woordje -te (en) wordt in het Myceens gespeld -qe (uitgesproken kwe); men herkent hierin het Latijnse -que. De letter digamma, die de w-klank noteerde, was in het klassieke Attische Grieks niet meer in gebruik. Het woord oinos (wijn) wordt in het Myceens gespeld als wo-no en klonk als woinos. Een bekende term uit Homerus, anax (vorst, leider), komt op de tabletten voor als wa-na-ka, uitgesproken wanax (Myceense koning).

Morfologie Woordsoorten In het Myceens zijn de volgende woordsoorten betuigd: substantief, adjectief, voornaamwoord, telwoord, werkwoord, bijwoord, voorzetsel, en partikel. Daarnaast is het voegwoord -qe betuigd, dat in het Grieks van het eerste millennium voor Christus τε geworden is. De telwoorden zijn meestal niet uitgeschreven, maar worden weergegeven met logogrammen. Om die redenen is er weinig bekend over de uitspraak. Het lidwoord en het tussenwerpsel zijn in het Myceens niet betuigd. Het naamwoordelijke systeem is in het Myceens veel uitvoeriger betuigd dan het werkwoordelijke systeem. Van substantieven en adjectieven alleen zijn er respectievelijk 770 en 270 vormen betuigd; van werkwoorden 138. Die ongelijke verdeling is te wijten aan de administratieve aard van het overgeleverde materiaal.

Verbuiging van de nomina Bij de nomina onderscheidt men naamval, getal en geslacht. Het Myceens kent, net als het Klassiek Grieks, drie geslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Eveneens zoals het Klassiek Grieks, onderscheidt het drie getallen: enkelvoud, dualis en meervoud. Men neemt acht Indo-Europese naamvallen aan: de nominatief, accusatief, datief, genitief, ablatief, locatief, instrumentalis en vocatief. Het Klassiek Grieks kent er daarvan nog vijf: de nominatief, accusatief, datief, genitief en vocatief. Hoewel de naamvallen in het Myceens ten gevolge van het schrift niet goed te onderscheiden zijn, wordt aangenomen dat het een rijker naamvalssysteem dan het Grieks kent. Naast de Klassiek Griekse naamvallen, kan men ook het bestaan van de instrumentalis aannemen. De locatief is daarbij samengevallen met de datief en de ablatief met de instrumentalis.

De nomina worden volgens drie declinaties verbogen. De adjectieven van de eerste en de tweede declinatie vallen samen.

Substantieven van de eerste declinatie De Myceense eerste declinatie bevat substantieven van de ā-stam en de ja-stam. De lange ā is in de meeste Griekse dialecten bewaard gebleven, maar in het Ionisch-Attisch in een η veranderd in het eerste millennium voor Christus. De eerste declinatie bevat vooral vrouwelijke nomina op -ā, maar ook mannelijke op -ās.Bartoněk (2003), p. 164. In onderstaande tabel staan zowel de schriftelijke weergaven (links) als de uitgangen (rechts) van de eerste declinatie weergegeven.Bartoněk (2003), p. 165.

Naamval Weergave vrl. Uitgang vrl. Weergave mnl. Uitgang mnl. Nom. ev. -A -ā/-a -A -ās Gen. ev. -A -ās -A-O -ā(h)o Dat. ev. -A -āi/ai -A -āi/ai Acc. ev. -A -ān/an(-de) -A -ān Voc. ev. ? ? ? ? Instr. ev. ? ? ? ? Nom./acc. dual. -O/-A-E/-A -ō/-ā(h?)e/a(h?)e/-ā?, ai? A-E -ā(h?)e/a(h?)e Gen./dat. dual. -O-I -ojin? ? ? Nom. mv. -A/.-A3 -ai -A -ai Gen. mv. A-O -ā(h)ōn -A-O -ā(h)ōn Dat. mv. A-I -ā(hi),-ai(h)i, -ais? -A-I -ā(hi), -ai(h)i, -ais? Acc. mv. -A(-DE) -ans(-de) -A -ans Instr. mv. -A-PI -āphi ? ?

Bij bovenstaande tabel moet het volgende worden opgemerkt:Bartoněk (2003), pp. 164-167. De naamvallen die worden weergegeven met een -A zijn niet van elkaar te onderscheiden, tenzij met behulp van de context; De enkelvoudsuitgangen zijn identiek voor vrouwelijke en mannelijke woorden, afgezien van de genitief, die bij mannelijke woorden wordt weergegeven door A-O; De datief is in het Myceens nauwelijks betuigd; De meervoudsuitgangen zijn vrij goed van elkaar de onderscheiden, behalve die van de nominatief en accusatief; In het Myceens is in de genitief meervoud de intervocalische s uit de uitgang -āsōm vervangen door een aspiratie, die overigens niet genoteerd wordt. In het latere Grieks verdwijnt hij helemaal; De instrumentalis meervoud op -āphi is alleen voor de vrouwelijke woorden van de eerste declinatie betuigd. Deze uitgang komt nog voor bij Homerus, maar is zijn oorspronkelijke waarde dan kwijtgeraakt.

De substantieven in de eerste declinatie omvatten 140 soortnamen en 200 eigennamen.Bartoněk (2003), p. 168.

Substantieven van de tweede declinatie De tweede declinatie bevat mannelijke en vrouwelijke substantieven op -os en onzijdige substantieven op -on. De uitgangen zijn te vinden in onderstaande tabel.Bartoněk (2003), p. 188.

Naamval Weergave mnl./vrl. Uitgang mnl./vrl. Weergave onz. Uitgang onz. Nom. ev. -O -os -O -on Gen. ev. -O-JO, -O -ojjo, -ō? -O-JO -ojjo Dat. ev. -O -ō?i/o?i -O -ō?i/o?i Acc. ev. -O(-DE) -on(de) -O(-DE) -on(de) Voc. ev. ? -e? Nom./acc. dual. -O -ō -O -ō Gen./dat. dual. -O-I -o(j(j))in? ? ? Nom. mv. -O -oi -A -a Gen. mv. -O -ōn -O -ōn Dat. mv. -O-I -oi(h)i (-ois?) ? ? Acc. mv. -O(-DE) -ons(de) -A -a Instr. mv. -O, -O-PI -ōis/ois,-o(i)phi ? ?

Bij bovenstaande tabel moeten de volgende dingen opgemerkt worden:Bartoněk (2003), pp. 188-189. Net als bij de -A in de eerste declinatie, kunnen naamvallen die worden weergegeven met een -O niet op basis van het schrift onderscheiden worden; De genitief enkelvouduitgang op -O-JO wordt teruggevonden in Homerus. Het alternatief op -O komt veel minder voorDuhoux (2013), p. 2.; De instrumentalis meervoud op -PI is zeldzaam.

De substantieven van de tweede declinatie bevatten 215 soortnamen en ongeveer 1000 eigennamen.Bartoněk (2003), p. 189.

Adjectieven van de eerste en tweede declinatie