thumb|Motorwagen 77 op lijn 2 van de Gemeentetram Utrecht (GTU) en een tramstel van de NBM (motorwagen 5 en bijwagen 53) op het Stationsplein te Utrecht met rechts het Hôtel du Commerce (Stationsplein 12), circa 1927 thumb|2017: de nieuwste trams in de provincie, lagevloertram 6001 op een proefrit In de provincie Utrecht hebben trams gereden tussen 1879 en 1949 en rijden weer vanaf 1983. In de provincie zijn in de eerste periode vier belangrijke interlokale tramlijnen aangelegd en daarnaast twee kortere. In Amersfoort en Utrecht reden paardentrams, in Utrecht werd later de paardentram vervangen door de elektrische tram.

Buiten de stadstram in Utrecht en de tramlijnen van de NBM zijn de meeste trams in de provincie opgeheven tussen 1924 en 1931. De Gemeentetram Utrecht reed voor het laatst in 1939. De laatste trams van en naar Zeist reden voor het laatst in 1949.

In 1983 keerde de tram terug: in dat jaar werd de tramlijn tussen Utrecht en Nieuwegein/IJsselstein geopend. In 2019 werd een lijn van station Utrecht Centraal naar Utrecht Science Park in gebruik genomen. Tussen 2001 en 2008 reed er een pendeltram van Houten naar Houten Castellum.

Overzicht Aan het eind van de 19e eeuw had Nederland een uitgebreid netwerk van spoorlijnen. De aanleg van een spoorlijn was duur en aan strenge regels gebonden. Om ook kleinere plaatsen te ontsluiten, waren er vanaf 1878 grofweg twee mogelijkheden: een lokaalspoorweg of een tram. Op een lokaalspoorweg waren minder strenge regels van kracht, maar daar stond tegenover dat de treinen (destijds) niet harder mochten rijden dan 40 km/u. Die maximumsnelheid is in de loop van de jaren wel eens veranderd. Op een trambaan lag de maximumsnelheid weer lager dan op een lokaalspoorweg, en ook de eisen die werden gesteld aan de trambaan en de trams zelf waren lager dan die op een lokaalspoorweg.

Kortom, voor het opzetten van een netwerk van railvervoer waren er verschillende mogelijkheden. Belangrijk is nog te vermelden dat de staat spoorlijnen aanlegde tussen de belangrijkste plaatsen van Nederland. Voor de overige verbindingen vertrouwde de overheid op het zogenoemde particulier initiatief. De staat kon zo'n initiatief wel steunen met gunstige leningen, maar verder wenste men niet te gaan. Vervoer over de weg was eigenlijk geen optie, er was nog nauwelijks sprake van een samenhangend wegennet. De wegen waren bovendien vaak onverhard en in slechte staat.

Binnen de provincie Utrecht ontstond een bescheiden tramnetwerk. Op de tramlijn Utrecht - Vreeswijk na, werden tramlijnen alleen aangelegd in de oostelijke helft van de provincie. In de westelijke helft werden plaatsen als Vinkeveen en Mijdrecht aangesloten op een netwerk van lokaalspoorwegen, de Haarlemmermeerspoorlijnen.

In het zuidwestelijk deel van de provincie zijn nooit lokaalspoorwegen of tramlijnen aangelegd. thumb|Een paardentram onderweg in Amersfoort (1905)

Het netwerk van tramlijnen in de provincie omvatte de stadslijnen in de stad Utrecht (Utrechtse paardentram, die in 1906 werd opgevolgd door de Gemeentetram Utrecht). Vanaf Utrecht waren twee interlokale lijnen: naar Vreeswijk en naar Zeist. Vanuit Zeist werd een van Nederlands langste tramlijnen aangelegd, eerst naar Doorn en Arnhem, en later naar Amersfoort. Dit was de tramlijn Amersfoort - Arnhem. Vanuit Doorn was er een zijlijn naar Wijk bij Duurstede. Los van dit netwerk waren er de stadstram in Amersfoort en de tramlijn Soest - Baarn.

In de provincie hebben paardentrams gereden, stoomtrams, motortrams, tractortrams en elektrische trams.

In 1914 beleefde het netwerk een hoogtepunt: maar de concurrentie met de autobus bleek moordend. De tram in Amersfoort ging in 1917 als eerste ten onder, daarna was het kort achter elkaar de beurt aan de tramlijnen Soest - Baarn (1924), Utrecht - Vreeswijk (1929) en Doorn - Wijk bij Duurstede (1931). De stadstrams van Utrecht reden voor het laatst in 1939. De laatste trams in Utrecht reden in mei 1949, toen de dienst werd gestaakt op de lijnen Utrecht - Zeist en Amersfoort - Zeist - Rhenen.

In 1983 werd, na jarenlang geharrewar, uiteindelijk de tram in Utrecht nieuw leven ingeblazen, toen de sneltram naar Nieuwegein werd geopend. De gemeente Utrecht was fel tegenstander van het plan, maar moest het afleggen tegen de beslissing van de minister om een sneltram aan te leggen tussen Utrecht en Nieuwegein/IJsselstein. Andere varianten die werden bestudeerd, waren een spoorlijn naar Nieuwegein en een trolleybus. In 2019 is de lijn verlengd naar het Utrecht Science Park.

In dit artikel wordt een korte beschrijving van de opkomst en ondergang van de verschillende lijnen en het Utrechtse stadsnetwerk gegeven. De opbouw van het artikel is zoveel mogelijk chronologisch; het artikel begint met de eerst aangelegde tramlijn, en eindigt, na een vermelding van bewaard gebleven historische trams, met de sneltram.

Utrecht - Zeist; de eerste, en de laatste thumb|Een paardentram op de lijn van Utrecht naar Zeist

De eerste tramlijn in de provincie Utrecht werd geopend in 1879. In dat jaar werd de tramlijn van het Rhijnspoorstation in Utrecht, via De Bilt naar station Zeist geopend. De tramlijn was aangelegd door de Stichtse Tramway-Maatschappij (STM). De STM ging zelf met trams rijden.

De tram reed van west naar oost door de toenmalige stad Utrecht. Na het verlaten van het Stationsplein reed de tram over het Vredenburg, de Neude, Voorstraat en de Biltstraat. Op dit gedeelte van de tramlijn reden vanaf ongeveer 1900 ook stadstram van de Utrechtsche Tram-Maatschappij en, na het opheffen van dit bedrijf, vanaf 1906 van de Gemeentetram Utrecht. Dit "stadstraject" ging vanaf dat moment ook in eigendom over op de gemeente Utrecht.

De tramlijn naar Zeist werd in 1909 geëlektrificeerd. In die jaren gebeurde hetzelfde met de andere paardentramlijnen in de stad. Voor de bovenleiding koos de STM voor 750 volt gelijkspanning. De gemeente Utrecht had de lijnen juist met 600 volt geëlektrificeerd. Dat gold ook voor het deel van de lijn binnen de stad Utrecht, dat immers eigendom was van de gemeente en was toegevoegd aan het gemeentelijk tramnet. Voor de trams naar Zeist had dat tot gevolg dat er binnen Utrecht met minder vermogen gereden kon worden.

In De Bilt liep de lijn op korte afstand van het KNMI. Het KNMI was bang voor zwerfstromen, die de gevoelige seismologische meetapparatuur zouden kunnen beïnvloeden. Daarom moest de lijn met een dubbelpolige bovenleiding worden uitgevoerd, waarvoor de motorwagens met hulptrolleystangen werden uitgevoerd. Pas in 1940 kon met één trolleystang worden volstaan. In 1946 werd deze trolleystang vervangen door een schaarbeugel.

Na de Tweede Wereldoorlog bleven de trams naar Zeist rijden. De dienstregeling werd zelfs uitgebreid met een stadsdienst naar de F.C. Donderstraat. De Gemeentetram Utrecht was in 1939 veranderd in het Gemeentelijk Gas-, Elektriciteits-, Bus- en Radiobedrijf Utrecht (GEBRU). De laatste stadstram in Utrecht reed in 1939. Na de oorlog had het GEBRU kennelijk een tekort aan bussen, wat de reden van de stadstram verklaarde.

Toch was de tram bezig met de laatste jaren van het bestaan. De gemeente Utrecht was de tram liever kwijt dan rijk, de tram werd in Utrecht als een lastpost gezien die de modernisering van het wegennet in de weg stond. Ook de Nederlandsche Buurtspoorweg-Maatschappij (NBM), waarin de STM in 1927 was opgegaan, wilde graag van de tram af. In 1949 werd de dienstregeling snel afgebouwd. De tram reed vanaf januari van dat jaar alleen nog in de spitsuren naar Zeist. Buiten de spitsuren reed de tram alleen nog op het stadstraject. De dienst op het stadstraject werd in maart beëindigd en de spitstrams naar Zeist werden teruggebracht tot vier per dag. Op 2 mei 1949 ten slotte viel het doek voor de tram. Op dezelfde dag reed ook de tram tussen Amersfoort, Zeist en Doorn voor het laatst.

De eerste stoomtram: Zeist - Arnhem thumb|Tram van de NBM te Rhenen, na verlegging van het tramspoor na herstel van oorlogsschade uit 1940

Niet Utrecht, maar Zeist was de plaats waar de tweede tramlijn werd geopend.

In 1882 werd de lijn van station Zeist naar Station Zeist-Driebergen geopend. Dit laatste station heet sinds 1948 Driebergen-Zeist. Vanaf station Zeist-Driebergen was een lijn naar het dorp Driebergen, dat, net als Zeist, op enige afstand van het station ligt. De tramlijn werd aangelegd door de Ooster Stoomtram-Maatschappij (OSM). Zoals de naam al aangeeft, werd er door dit bedrijf met stoomtrams gereden.

In 1883 en 1884 verlengde de OSM de tramlijn van Driebergen naar Doorn, Amerongen, Elst, Rhenen, Wageningen en Arnhem. Vervolgens werd in 1885 een tweede lijn geopend van Doorn, via Langbroek en Cothen naar Wijk bij Duurstede. Het was aanvankelijk niet mogelijk met trams te rijden van het dorp Driebergen naar Zeist. Daarvoor was het nodig dat bij het station de tramlijn de spoorlijn zou kruisen, maar de spoorwegen verzetten zich hevig tegen dat plan. Zelfs nadat de minister toestemming had verleend, mocht de kruising nog niet door de OSM worden aangelegd. Pas in 1889 zou de kruising met de spoorlijn gereed zijn.

In de eerste jaren van het bestaan, totdat de kruising met de spoorlijn gereed was, reed de OSM alleen met trams vanaf het station Zeist-Driebergen naar Arnhem. De tram naar Arnhem was een stoomtram. Aan de andere kant van het spoor reed de STM, van de tramlijn Utrecht - Zeist, met paardentrams tussen station Zeist-Driebergen en station Zeist. Dit laatste station lag in het centrum van Zeist. Reizigers van Zeist naar een bestemming voorbij station Zeist-Driebergen, dienden bij dit laatste station uit te stappen, te voet het spoor over te steken en aan de overkant op de andere tram in te stappen. Aan deze onpraktische situatie kwam een einde toen de kruising met de spoorlijn gereed was. Vanaf dat moment, in 1889, reden doorgaande trams tussen Zeist en Arnhem.

In 1910 reden op het eerste deel van de lijn, tussen Station Zeist en Station Zeist-Driebergen, elektrische trams. De stoomtrams bleven rijden tussen Zeist en Arnhem.

In 1914 werd de tramlijn vanuit Zeist te verlengd via Huis ter Heide naar Amersfoort. Vanaf dat moment werden, naast de stoomtrams en elektrische trams, ook motortrams ingezet. Hoewel de motortrams beter voldeden dan de stoomtrams, bleven vooral stoomtrams rijden. De reden hiervoor was dat de prijs van benzine, als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, erg was gestegen. De stoomtram was voor de OSM goedkoper om mee te rijden.

In 1924 was de hele lijn tussen Amersfoort en Arnhem geëlektrificeerd, waardoor elektrische trams de stoomtrams en motortrams vervingen. Hiervoor kocht de OSM grote, vierassige motorwagens. Deze trokken de van de stoomtram afkomstige vierassige rijtuigen.

De stoomtram bleef alleen nog rijden op de zijlijn naar Wijk bij Duurstede, totdat deze werd opgeheven in 1931. De tramlijn van de OSM werd in 1927 overgenomen door de NBM.

De tramdienst tussen Rhenen en Arnhem werd in 1937 opgeheven en door een busdienst vervangen. De resterende lijn bleef nog tot 1949 in gebruik. De laatste trams tussen Amersfoort, Zeist en Doorn reden op 2 mei 1949. De NBM verkocht een deel van de trams aan andere trambedrijven, waaronder de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM).

Utrecht - Vreeswijk: de stoomtram, voor eventjes thumb|Een paardentram bij het wachtpaviljoen in Vreeswijk

De tweede lijn vanuit de stad Utrecht werd geopend in december 1883. De IJssel Stoomtramweg-Maatschappij (IJSM.) reed met stoomtrams van het Rhijnspoorstation (het latere Centraal Station) van Utrecht, langs de Catharijnesingel en de Vaartsche Rijn naar Jutphaas en Vreeswijk.

Omdat de IJSM niet bepaald een succesvol bedrijf was, werd de tramlijn al snel verkocht aan de rederij 'Vereeniging'. De nieuwe eigenaar verkocht al snel de stoomtrams. De lijn werd verbouwd zodat deze geschikt was voor de paardentram.