Maria (Grieks of , van het Hebreeuwse , , Mirjam, wellicht "gewenst kind", "bitter", "rebels", of "sterke wateren", of indien afgeleid van het Egyptisch: "geliefde" of "liefde"Behind the Name: Mary. Gearchiveerd op 27 augustus 2023.Meaning, origin and etymology of the name Miriam, Abarim Publications. Gearchiveerd op 18 april 2023.A Dictionary of First Names by Patrick Hanks, Kate Hardcastle and Flavia Hodges (July 27, 2006) Oxford University Press entry for Mary) was volgens het Nieuwe Testament de moeder van Jezus.
Voor katholieken is zij de belangrijkste heilige. In de Rooms-Katholieke Kerk en Oosters-Orthodoxe Kerk heeft Maria als Moeder van God een belangrijke rol in het geloofsleven. De discipline binnen de theologie die zich speciaal op haar richt heet mariologie. Verschillende liturgische feesten en hoogfeesten worden ter ere van haar gevierd. In de Orthodoxe Kerk is de gangbare uitdrukking voor Maria Theotokos (Moeder Gods).
Maria in het Nieuwe Testament
Aankondiging van Jezus' geboorte Volgens het Evangelie volgens Lucas was Maria verloofd met Jozef toen de engel Gabriël haar aankondigde (de annunciatie), dat zij zwanger zou worden. Maria vroeg hoe dit zou kunnen, want ze had nog geen geslachtsgemeenschap gehad. Gabriël zei: "De Heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken" (Lucas 1:26-35).
Gabriël had nog meer nieuws: "Ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap." Kort daarna reisde Maria naar een stad in het Judeagebergte, waar zij Elisabet en haar man Zacharias bezocht (Maria-Visitatie). Maria bleef hier ongeveer drie maanden (Lucas 1:36-56).
Jezus' geboorte, de vlucht naar Egypte en terugkeer Enige tijd later reisden Maria en Jozef naar Bethlehem "om zich te laten inschrijven". Toen zij in Bethlehem waren aangekomen, begon de bevalling en werd Jezus daar geboren (Lucas 2:1-7).
Na de geboorte van Jezus zochten wijzen uit het oosten naar de pasgeboren "koning van de Joden". Herodes hoorde hiervan en gaf zijn soldaten bevel om naar Bethlehem te gaan en alle jongetjes tot twee jaar oud te doden (de kindermoord van Bethlehem - Matteüs 2:16-18). Een engel verscheen echter in een droom aan Jozef en droeg hem op om samen met Jezus en Maria naar Egypte te vluchten (Matteüs 2:13).
Volgens het evangelie keerden ze na een tijd, toen Herodes was gestorven, terug naar Judea. Toen ze ontdekten dat de gewelddadige Herodes Archelaüs de nieuwe koning van Judea was, weken ze na een aanwijzing in een droom uit naar Nazaret in Galilea (Matteüs 2:19-23).
Overige kinderen
In het Evangelie volgens Marcus is op verschillende plaatsen sprake van broers van Jezus. Marcus noemt vier broers bij name: Jakobus, Joses, Simon en Judas (Marcus 6:3). Volgens de traditie van de Rooms-Katholieke Kerk moet "broers en zussen van Jezus" niet letterlijk worden genomen. De katholieke Kerk heeft het dogma aanvaard dat Maria altijd maagd is gebleven en interpreteert het woord "broer" (Grieks: ) als "neef" of "verwante". Zie verderop: Marcus 15:40. Jacobus de Jongere en Joseph worden in 6:3 genoemd als "broeders" van Jezus. Daar hun moeder Maria door de Evangelisten duidelijk onderscheiden wordt van de moeder des Heren, waren ze blijkbaar geen eigenlijke broers van Jezus, maar vermoedelijk zijn neven. Vergelijk ook hierna vers 47: "Maria (de moeder) van Joseph; 16:1: "Maria van Jacobus": ook Johannes 19:25.
Relatie tot Jezus In het verslag over Jezus' prediking wordt Maria nog enkele malen genoemd. Enkele evangelieteksten wekken de indruk dat de verstandhouding tussen Maria en Jezus slecht was. Matteüs en Lucas schreven dat Jezus' moeder en broers hem dringend te spreken vroegen op een moment dat hij zich met anderen onderhield. Jezus weigerde dit en zei dat zijn leerlingen zijn echte moeder en broers waren (Matteüs 12:46-50; Lucas 8:19-23). Marcus schreef zelfs dat Jezus' moeder en broers hem desnoods onder dwang mee wilden nemen, "want volgens hen had hij zijn verstand verloren" (Marcus 3:21,31-35) Johannes vermeldde dat zijn broers toen nog niet in Jezus geloofden; over Maria wordt daarbij niets gezegd (Johannes 7:3-5).
Bij Jezus' dood en erna Volgens Johannes was Maria bij de kruisiging van Jezus aanwezig, samen met Johannes zelf, die door Jezus aan het kruis werd aangewezen als zoon van Maria. Toen Jezus haar zag staan naast "de leerling van wie hij veel hield", verklaarde hij hen moeder en zoon. "Vanaf dat moment nam deze leerling Maria in huis" (Johannes 19:25-27). Na Jezus' dood bleef Maria kijken in welk graf hij werd gelegd (Marcus 15:47) en kocht zij met anderen geurige olie om het lichaam te balsemen (Marcus 16:1). De laatste vermelding van Maria zegt dat zij zich in de periode na Jezus' dood, samen met de apostelen en haar zoons, vurig wijdde aan gebed (Handelingen 1:14).
Latere tradities over Maria Maria werd volgens een algemeen geaccepteerde traditie in het christendom geboren uit Joachim en Anna.Lucas 3:23 begint een geslachtsregister bij Jozef, dat geheel anders is dan dat in Matteüs. Volgens sommigen moet de tekst in Lucas worden gelezen als: Hij was, zoals algemeen werd aangenomen, de zoon van Jozef, maar in werkelijkheid (via Maria) de zoon van Eli. Dit bereikt men door de interpunctie in de Griekse tekst iets anders te zetten. Het woord zoon wordt vaak gebruikt in plaats van afstammeling. Zie ook Harmonisatiepogingen m.b.t. de genealogie van Jezus. Volgens de Katholieke Kerk is Maria vanaf haar conceptie gevrijwaard voor de erfzonde, dat wil zeggen dat ze onbevlekt ontvangen was. Ook geloven de Katholieke en de Orthodoxe Kerken dat Maria nooit een zonde heeft bedreven.Vgl. de Catechismus van de Katholieke Kerk, nrs. 490-493 https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=600&doc=1&al=490&highlight=onbevlekte+ontvangenis Ze beroepen zich daarbij op Lucas 1:28, waar de engel Gabriël haar aanspreekt met: "Wees gegroet, vol van genade."
Over haar jonge leven is er een traditie die stelt dat ze dienstdeed in de tempel.Vgl. de visioenen van Anna Catharina Emmerich (1774-1824) over het leven van Maria (https://books.google.be/books?id=UgNBAAAAcAAJ&hl=nl&pg=PR5-IA5#v=onepage&q&f=false). Gearchiveerd op 10 september 2023. Over haar verdere leven zijn verschillende verhalen in omloop. Volgens de (rooms-katholieke) traditie moet Maria ergens tussen 36 en 50 n.Chr. zijn overleden in Jeruzalem of Efeze (in het Huis van de maagd Maria). Hierbij zouden alle apostelen aanwezig zijn geweest behalve Tomas. Toen deze arriveerde was Maria's lichaam al begraven en om haar toch eer te bewijzen bezocht Tomas in zijn eentje haar graf. Tomas zou toen de tenhemelopneming van Maria hebben gezien. Daarbij zou hij van Maria haar gordel hebben gekregen. De overige apostelen geloofden dit niet totdat hij hun de gordel toonde en het lege graf.
Altijd maagd
Haar huwelijk met Jozef wordt als 'Jozefshuwelijk' nog altijd als terminologie gebruikt voor een geestelijke, niet-seksuele huwelijksgemeenschap. Het vroege geloof van de Oude Kerk en de kerkvaders, dat God de vrouw waaruit zijn zoon geboren werd zeker maagdelijk gehouden heeft, werd later steeds meer uitgewerkt. Het geloof dat Maria voor, tijdens en na de geboorte van Christus haar maagdelijkheid behield, wordt tegenwoordig nog doorgegeven door de katholieke en de orthodoxe Kerk. In de Rooms-Katholieke Kerk wordt Maria om die reden vaak aangeduid als "gezegende maagd Maria" (Latijn: of ) of "Maria altijd maagd" (Latijn: ). De afkortingen B.V.M., B.M.V. of M.S.V. zijn terug te vinden in de namen van veel rooms-katholieke congregaties en andere religieuze instellingen, alsmede op beelden en gebouwen die gewijd zijn aan Maria.
Vanaf de vierde eeuw was in het christendom de notie aanwezig dat de conceptie en geboorte van Jezus had plaatsgevonden via het rechteroor van Maria. De conceptio per aurem. De eerste die deze notie expliciet beschreef was Efrem de Syriër, (306-373). Hij meende te kunnen vaststellen dat deze wijze een afdoende antwoord was op de vraag hoe de maagdelijkheid van Maria intact bleef tijdens de conceptie. Die gedachte werd overgenomen op het concilie van Efese van 431 en op het zesde concilie van Toledo in 638 werd deze doctrine nogmaals bevestigd. De kerkvaders waren vastbesloten een notie te verspreiden waarin ieder element dat God in biologische zin betrokken was bij de conceptie werd ontkracht. Het oor van Maria werd gezien als het luisterend instrument voor haar instemming met de mededeling dat Jezus geboren zal worden doordat de Heilige Geest over Maria zal komen. Zij luisterde en gehoorzaamde en vanuit dat luisteren en de gehoorzaamheid werd het Woord tot vlees gemaakt.
Ook gedurende de gehele periode van de middeleeuwen was deze notie in Europa aanwezig. Middeleeuwse schrijvers betoogden dat waar Eva haar oor te luisteren had gelegd bij de slang en die had gehoorzaamd, Maria de vloek van de slang ongedaan had gemaakt door naar het woord van God te luisteren en zwanger te worden van het Woord in haar lichaam. De ongehoorzaamheid van Eva werd op die wijze door Maria ongedaan gemaakt. Kunstenaars hebben deze notie ook vaak verbeeld. In de meeste gevallen is dat een verbeelding van de annunciatie waarin de aartsengel Gabriël Maria de boodschap brengt dat God haar uitverkoren heeft om de moeder van zijn Zoon te worden. In een hoek van de afbeelding wordt dan meestal God de Vader zichtbaar die vaak lichtstralen, soms via een buis, uitzendt waarop een naakt Christuskind voorafgegaan door een duif die de Heilige Geest verbeeldt richting het oor van Maria glijden. Pas bij het concilie van Trente (1545-1563) werd de notie veroordeeld. Paus Benedictus XIV (1740 tot 1758) legde vast dat alle afbeeldingen die deze notie verbeeldden uit de rooms-katholieke kerken dienden te verdwijnen. Een aantal afbeeldingen is echter behouden gebleven. José María Salvador Gonzalez ( 2016) Per aurem intrat Christus in Mariam. An iconographic approach to the conceptio per aurem in Italian Trecento painting from patristic and theological sources Jose Maria Salvador- Gonzales (2025) Verbum Verbo Concepisti. The Word’s Incarnation in Some Images of the Annunciation in the Light of Medieval Liturgical Hymns
De altijddurende maagdelijkheid van Maria werd ook nog door Maarten Luther en Johannes Calvijn aangehangen, maar tegenwoordig nemen veel protestantse christenen aan dat Maria en Jozef samen later ook andere kinderen hebben gehad. Men beroept zich daarbij op meerdere teksten uit het Nieuwe Testament waar over de "moeder en broers" van Jezus gesproken wordt. Het oudste Griekse handschrift spreekt van 'adelphói', waar de Nederlandse vertaling (Matteüs 13:55) spreekt van 'broeders van Jezus'. Hiëronymus stelde, dat in de Aramese wereld neven en achterneven vaak broer (Grieks: 'adelphoi') werden genoemd. Hij geeft daarvoor als argument dat in Genesis neef Lot een ach, een broer van Abraham wordt genoemd.
Volksdevotie Zeer prominent is Maria aanwezig in de katholieke en orthodoxe volksdevotie waarin de Mariaverering een dominante plaats inneemt. Volgens de officiële kerkelijke leer kan Maria nooit de plaats van Jezus als Verlosser van de zonde vervangen en verwijst zij altijd naar Jezus als de werkelijke Middelaar tussen de mens en God. In de volksdevotie is de praktijk meestal dat Maria als 'toegankelijker' beschouwd wordt dan Jezus en meer aangeroepen wordt, zij het dan als 'voorspreekster'. Vele gelovigen bidden tot Maria om haar te vragen om voorspraak. Dat wil zeggen dat men vraagt of Maria voor hen wil bidden.