De Oostvaardersplassen vormen een natuurgebied van zo'n 5600 ha (56 km²) tussen Almere en Lelystad in de Nederlandse provincie Flevoland. Het gebied is ontstaan na de drooglegging van de Flevopolders (1950–1968) en dus relatief jong. De Oostvaardersplassen zijn van internationaal belang als moerasgebied en overwinteringsgebied voor vogels. Het gebied is ruwweg in twee gedeelten te onderscheiden: een nat (circa 3600 ha) en een droog (circa 2000 ha) gedeelte. Het droge gedeelte wordt open gehouden door grote grazers (rund, paard en edelhert) en kleine grazers (m.n. ganzen). Het gebied maakt deel uit van het in 2018 opgerichte Nationaal Park Nieuw Land.

Het gebied is beperkt toegankelijk voor bezoekers en geniet wettelijke bescherming. Het is vrijwel geheel aangewezen als Vogelrichtlijngebied (5505 ha) en Staatsnatuurmonument (5600 ha). Sinds 1999 is het natuurgebied voorzien van het Europees diploma voor Natuurbeheer, een erkenning door de Raad van Europa die iedere vijf jaar wordt geëvalueerd. In 2009 zijn de Oostvaardersplassen definitief aangewezen als Natura 2000-gebied.Ontwerp Natura 2000-beheerplan Oostvaardersplassen (78). Dienst Landelijk Gebied, Ministerie van Economische Zaken, 2014. p. 5-16

De Oostvaardersplassen worden beheerd door Staatsbosbeheer. De in de jaren '80 van de vorige eeuw uitgezette grote grazers geven, net als hun verwante voorouders, mede vorm aan het landschap. In de jaren '90 werd het uitgangspunt gehanteerd dat zij in het natuurgebied op een 'volledig natuurlijke manier' zouden kunnen leven, waarbij bijvoorbeeld kadavers van dode dieren bleven liggen en de dieren ook bij grote voedseltekorten niet zouden worden bijgevoerd. Deze voor Nederland bijzondere beheervorm leidde naarmate de kuddes groeiden en de dieren door te weinig voedsel verzwakten tot steeds meer discussie onder leken en deskundigen. Beheeraanpassing, waaronder grootschalig afschot van dieren, bleek noodzakelijk. Sinds 2018 is het beheer aangepast en wordt gestuurd op een maximaal aantal grote grazers.

Geschiedenis Oorsprong In 1932 werd de Afsluitdijk voltooid en veranderde de Zuiderzee in het IJsselmeer. Volgens het plan van Cornelis Lely zouden vier nieuwe polders aangelegd worden om te voorzien in de grote behoefte aan landbouwgrond. In 1942 werd de Noordoostpolder drooggelegd, in 1957 Oostelijk Flevoland en in 1968 Zuidelijk Flevoland. De vierde polder, de Markerwaard, werd wel grotendeels omsloten door een dijk maar uiteindelijk niet drooggelegd.Frank Berendse. Natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, 2011. p.196-221. Een van de redenen hiervoor was dat men inmiddels met de Noordoostpolder had geleerd dat een polder consequenties voor het "oude land" heeft. Een belangrijk gevolg was dat daar de grondwaterstand lager werd, met mogelijk ernstige gevolgen voor de Amsterdamse paalfundering.

De al voltooide Oostvaardersdijk werd de buitendijk van de Flevolandpolders, waardoor de Oostvaardersplassen konden ontstaan. Het Oostvaardersdiep, een diepe zandige plek waar vroeger de schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie voor anker gingen, was in de oorspronkelijke plannen bedoeld als scheepvaartroute naar Amsterdam. Doordat de dijk van de Flevolanden nu noordwestelijker kwam te liggen, werd deze diepte toch ingepolderd. De diepe plekken kwamen als plassen in de polder te liggen.

Het gebied was cultuurtechnisch minder interessant vanwege de lage en dus natte ligging en de weinig vruchtbare zandige bodem. Dit lage deel van Zuidelijk Flevoland was daarom bestemd tot industrieterrein en kassengebied. De aangrenzende drogere gronden waren bestemd voor de landbouw.

Ontwikkeling van het moeras 1968–1975 miniatuur|Baardmannetje, een van de bewoners van het rietmoeras

Na het droogvallen van Zuidelijk Flevoland werd vanuit vliegtuigjes riet uitgezaaid als eerste stap in de ontginning. Op drogere plaatsen kwam dit samen met het zaad van wilgen snel tot ontwikkeling. Op de slikken vestigden zich, afhankelijk van het vochtgehalte van de bodem, pionierplanten als moerasandijvie, goudzuring en grote lisdodde. Zo ontstond een afwisselend slikken- en plassenlandschap met rietland, wilgenbroek, spontane moerasvegetatie en water. Dit was een aantrekkelijk biotoop voor veel vogelsoorten, zoals de grauwe gans, lepelaar, eenden en het toen zeldzame baardmannetje. Na vier jaar dreigde het gebied echter snel te verdrogen en te verlanden door de voortgaande ontwatering van de omringende polder, die werd ontgonnen voor de landbouw. Door een actiegroep en enkele biologen werd sterk gepleit voor behoud van het plassengebied. In 1973 werden de ontginningen aan de rand van het gebied beëindigd en er kwam een provisorische kade die weglekken van water uit het moeras moest stoppen. In droge perioden werd water opgepompt om drooggevallen gedeelten weer nat te maken te houden. Hierbij bleek dat ganzen en eenden door begrazing van jonge riet- en moerasvegetatie konden voorkomen dat het plassengebied weer zou dichtgroeien.

Aan het eind van 1974 kregen de Oostvaardersplassen de status van 'tijdelijk natuurgebied', waarmee het moeras ook planologisch beschermd werd. De inrichtingsplannen werden herzien en de kade om het moeras werd in 1975 definitief. Hierdoor ontstond tussen de dijken een groot moerasgebied van ongeveer 3600 hectare.Vincent Wigbels. De Oostvaardersplassen - toeval of bedacht? in: Nieuwe natuur op oude zeebodem - De Oostvaardersplassen en de bosgebieden van Flevoland. Staatsbosbeheer, Zwolle, 1999. p. 95-153 miniatuur|260x260px|Moerasandijvie, pionier van zoetwater moerassen op slikrijke bodem

Sturen met peilbeheer en begrazing 1975–1986 Met de pompen die geïnstalleerd waren voor de aanvoer van water werd actief gestuurd met het peilbeheer. Door hogere waterstanden in de winter en het voorjaar en lagere in de zomer probeerde men optimale waterpeilen in te stellen voor bepaalde vogelsoorten. Vooral de grauwe gans profiteerde van de hogere waterstanden in het voorjaar, maar het aantal broedende steltlopers daalde door het hogere peil drastisch. In de zomer werden wel optimale omstandigheden voor steltlopers gecreëerd, zodat ze op de droogvallende slikvelden konden foerageren om hun vetvoorraad voor de trek naar het zuiden aan te vullen. Door het peilbeheer en het open karakter van het moerasgebied vestigden de bruine kiekendief, lepelaar, aalscholver, de grote en kleine zilverreiger en het baardmannetje zich er als broedvogel.Koos van Zomeren en William Reppel. Een vogelparadijs op de zeebodem in: De grote droogte in waterland. Een kijk- en leesboek over Nederlandse natuurreservaten. Bruna, Utrecht, 1980. p. 137-145

Na enkele jaren bleek dat door de intensieve begrazing van de inmiddels zeer talrijke ganzen een steeds groter deel van het moerasgebied weer open water werd. De waardevolle ondiepe zone met slikvelden verdween en het water werd troebel door erosie van de slappe bodem. Er was behoefte aan drogere grazige gebieden waar de ganzen buiten de ruiperiode konden foerageren. Doordat steeds meer gronden in gebruik genomen werden voor de landbouw waren dergelijke gebieden in de polder niet meer beschikbaar. Ook was het een tekortkoming dat gradiënten van nat naar droog in het vlakke land ontbraken en dat er geen helderwaterpoelen waren als jachtgebied voor zichtjagers als reigers en rallen. Deze nieuwe inzichten en het toegenomen maatschappelijk belang van de Oostvaardersplassen leidden er in 1982 toe dat de drogere gronden grenzend aan het plassengebied aan de landbouw werden onttrokken en dat de geplande spoorlijn Almere-Lelystad er in een boog omheen werd aangelegd (het zogenoemde badkuiptracé). Hiermee werd een randzone van bijna 2000 hectare aan het natuurgebied toegevoegd. Ter compensatie kreeg het bestaande ganzengebied de Ganzengouw weer grotendeels een landbouwbestemming.

miniatuur|Treinbaan vormt de grens van het gebied

De grotendeels spontane moeraszone en de reeds ontgonnen droge randzone moesten vervolgens nog tot een samenhangend natuurgebied gemaakt worden. In de randzone was een zonering van nat naar droog gewenst. Voor vogels waren het ondiepe, slechts deels begroeide moeras en het natte, periodiek onder water staande grasland van het grootste belang, dus die kregen de meeste aandacht bij inrichting en beheer. Langs de grens met het moeras moest nat tot vochtig grasland met helder, open water tot ontwikkeling komen. Via een zone met droge, grazige vegetaties moest dit overgaan in een struweellandschap naar de randen van het gebied. Dit kon gerealiseerd worden door ingrepen in de waterhuishouding en door begrazing met grote grazers.

miniatuur|Heckrunderen dragen bij aan het openhouden van de droge graslanden.

Om ervaring op te doen met begrazing werden 32 Heckrunderen in 1983 uitgezet voor jaarrondbegrazing en een jaar later 20 konikpaarden. In de moeraszone nam de trend naar meer open water en minder natuurwaarden nog steeds toe, ondanks herhaaldelijke aanpassing van het peilbeheer. De zware begrazing door ganzen zorgde ervoor dat het mozaïek van plassen en verschillende vegetatiestadia verdween en daarmee de vogels die hiervan afhankelijk zijn. Dit was mede aanleiding tot een herbezinning op de ontwikkeling van het gebied.

miniatuur|Konikpaarden, een van de grote grazers

Sturen op landschapstypen 1987–1995 In de eerste Ontwikkelingsvisie (1987) werd de keuze uitgewerkt om acht landschapstypen, variërend van open water tot bos, in samenhang te laten ontstaan binnen het totale moerasecosysteem. Voor de moeraszone werd als maatregel gekozen voor een proef met gefaseerd peilbeheer: een reeks van natte jaren afwisselen met enkele droge om de vegetatie zich periodiek te laten herstellen van begrazing en erosie. Dit werd toegepast in het westelijk deel van de moeraszone, waartoe een natuurlijke oeverwal, de Drempel, werd omgevormd tot waterscheiding. De ganzen konden zich terugtrekken in het oostelijk peilgebied, waardoor daar open plekken ontstonden in de dichte rietvelden. In het westelijke deel kon de vegetatie zich sterk uitbreiden, zodat vanaf 1990 het peil weer geleidelijk verhoogd kon worden. Voor de randzone werd vooral gekozen voor begrazing als maatregel om de ontwikkeling te sturen. Hiertoe werd het lopende begrazingsexperiment uitgebreid tot de hele randzone, die werd verdeeld in drie begrazingsgebieden: een deel met jaarrondbegrazing, een deel met zomerbegrazing en een deel met kleine wisselweiden in de zomer. Droog grasland bleek duidelijk favoriet bij de grote grazers. Nat grasland was vooral in trek bij de ganzen en had de hoogste natuurwaarden.

miniatuur|Edelherten, begrazer van de graslanden en de struweelzone

In 1992 werden, in aanvulling op de runderen en paarden, 44 edelherten uitgezet in het begrazingsgebied wegens hun invloed op de struweelzone waarin veel gewone vlier voorkwam. In de Waterlanden werd een proefgebied aangelegd om het functioneren van diverse vormen van open water in een begrazingsgebied te onderzoeken.

Na de eerste 25 jaar genoten de Oostvaardersplassen grote (internationale) bekendheid dankzij de spontane natuurontwikkeling en de pogingen om nieuwe natuur doelbewust te laten ontstaan. Deze periode markeert ook een belangrijke wijziging in het denken over de natuur.Henny J. van der Windt. En dan: wat is natuur nog in dit land? Natuurbescherming in Nederland 1880-1990. Boom, Amsterdam, 1995 (proefschrift Groningen). p. 200-212 In de jaren tot 1996 vond opnieuw een herbezinning plaats op doelen, inrichting en beheer van het gebied. Het gebied dankte zijn bekendheid vooral aan het belang voor de moerasbewonende vogels, die het gebied in grote aantallen gebruiken als foerageer-, rust- en broedgebied. Bij de herbezinning werd daarnaast ook aandacht besteed aan natuurrecreatie en aan de relaties met het omringende gebied. De resultaten werden door Rijkswaterstaat als leidraad neergelegd in de tweede Ontwikkelingsvisie (1995).

Leren van natuurlijke ontwikkeling 1996–2015