The Who is een Engelse rockband uit de jaren zestig en zeventig en werd opgericht in 1964 in Londen.
De band groeide uit tot een van de bekendste rock-'n-rollbands ter wereld, die in de hoogtijdagen bestond uit zanger Roger Daltrey, gitarist Pete Townshend, bassist John Entwistle en drummer Keith Moon. The Who is met uitzondering van de periodes tussen 1983 en 1988 en tussen 1990 en 1995 vrijwel continu op tournee geweest. Wijzigingen in de samenstelling kwamen na het overlijden van Keith Moon in 1978 (die achtereenvolgens vervangen werd door Kenney Jones, Simon Phillips en Zak Starkey) en na de dood van John Entwistle in 2002 (voor wie Pino Palladino sindsdien de honneurs waarneemt). Eind oktober 2006 maakte The Who een comeback, met hun album Endless Wire. Het is het elfde studioalbum dat de band uitbracht, maar het eerste sinds It's Hard uit 1982.
The Who is vooral bekend geworden als rockpioniers; uitvinders van de powerchords en Townshends rockopera Tommy. De vroege mod-albums van de band – met korte, soms agressieve nummers erop – zijn goede voorbeelden van hoe The Who eruitzag: Pete Townshend met zijn leidende powerchords; Keith Moon met zijn explosieve drumwerk; John Entwistle met zijn basloopjes en Roger Daltrey met zijn krachtige stem en rondvliegende microfoon. Deze albums zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de hardrock en de powerpop, terwijl de luidruchtige en agressieve concerten de weg vrijmaakten voor de komst van punkrock- en heavymetalbands, die op deze manier door The Who geïnspireerd werden.
The Who staat op nummer 8 van de lijst van de 100 Grootste Hardrockartiesten van VH1 en op nummer 9 van hun lijst van de 100 Grootste Rock-'n-Rollartiesten.
Bandbiografie 1961–1970: T-t-t-talking 'bout My Generation en Tommy thumb|150px|Het Mod-logo, geïnspireerd op de roundel van de RAF 150px|thumb|Meher Baba In 1961 werd in Londen de band The Detours opgericht door Roger Daltrey. In 1962 leerde hij John Entwistle kennen, die indertijd met Pete Townshend in een andere band, genaamd The Confederates, speelde. Toen de drie elkaar voor het eerst ontmoetten, was Daltrey leadgitarist bij The Detours. Daltrey nam het initiatief en vroeg de twee om bij de band te komen. The Detours hadden nu Townshend als slaggitarist, Entwistle als bassist en Doug Sandom als drummer. Zanger Colin Dawson werd afgezet, waarna Daltrey zich hierop kon gaan concentreren en Townshend de leadgitaar ter hand nam. Later ontdekten de bandleden dat er al een andere band met de naam The Detours bestond, waarop zij hun naam veranderden in The Who: Maximum R & B of kortweg: The Who.
In 1964 veranderde, onder invloed van manager Peter Meaden, de naam tijdelijk in The High Numbers. Nadat hun eerste single (Zoot Suit/I'm A Face) flopte, werd de naam terugveranderd en werd Meaden aan de kant gezet. In het jaar 1964 kwam Keith Moon – na een optreden van The Who, waarna hij had gezegd: "... dat kan ik beter!" – in de band voor drummer Sandom, waarmee de klassieke bezetting vervolledigd werd. Nadat Pete Townshend in datzelfde jaar zijn gitaar in een woedende bui kapotgeslagen had op het podium, hetgeen een mediahype ontlokte, raakte platenmaatschappij Decca in de band geïnteresseerd.
De eerste single (I Can't Explain) werd een hit en diverse Amerikaanse tournees volgden. De optredens van The Who bleken een heus spektakel: Townshend zwaaide wild met zijn armen op zijn gitaar, sprong ermee in het rond en sloeg ze aan stukken op een versterker, Keith Moon trok – compleet gestoord – de hele tijd gekke gezichten terwijl hij drumde en het drumstel geregeld aan diggelen sloeg en Roger Daltrey slingerde voortdurend zijn microfoon in het rond. Dit alles gepaard met de gecontroleerde, maar uiterst virtuoze basloopjes van Entwistle en een extreem hoog geluidsvolume, gaf hen later de reputatie van "loudest rockband in the world".
Al snel bleek dat de band gevormd was rondom Townshend als primaire tekstschrijver. Er bleek frictie te zijn ontstaan tussen hem en Daltrey, omdat Townshend niet het soort muziek schreef dat Daltrey wilde zingen. De tweede grote hit, Anyway, Anyhow, Anywhere, is dan ook een van de weinige nummers die zij samen hebben geschreven. Grote bekendheid verwierven zij echter door hun album My Generation, dat zij in 1965 uitgaven. Het bestaat onder andere uit de nummers The Kids Are Alright en de titelsong My Generation, met de bekende lyric Hope I die before I get old. Alleen in Nederland werd dit album uitgebracht met als titel "The Kids Are Alright" (op het Brunswick label). In 1966 gaf The Who de single Substitute uit, die duidelijk het schrijftalent van Townshend liet zien. Verder bracht The Who in 1966 hun tweede album uit, getiteld A Quick One. Deze plaat omvatte onder andere hun eerste mini-opera, getiteld A Quick One While He's Away. Het nummer kan opgevat worden als de introductie van de ouders van Tommy. In 1967 volgden nog andere hits, zoals de singles I'm a Boy (over een jongetje dat als een meisje opgemaakt wordt), Happy Jack (over een verstandelijk beperkte jongeman), Pictures of Lily (een eerbetoon aan masturbatie) en I Can See for Miles. Dit laatste nummer kwam van de in december 1967 uitgebrachte lp The Who Sell Out. Op dit album zijn tussen de tracks jingles van de Engelse zeezender Big L Radio London te horen als eerbetoon, in verband met het verbod van de zeezenders per 15 augustus 1967.
In datzelfde jaar verwoestte The Who tijdens een bekend optreden op het Monterey Pop Festival hun eigen instrumentale uitrusting op het podium en herhaalde dit tijdens het Smothers Brothers Comedy Hour, waar ze letterlijk een explosief optreden gaven toen Keith Moon zijn drumstel opblies. Deze onstuimigheden hebben ertoe geleid dat Pete Townshend voor het eerst met een interview in Rolling Stone verscheen. Hij vertelde in dat interview dat hij bezig was met het completeren van een rockopera. Dit waren de eerste tekenen van het veelgeroemde meesterstuk Tommy (1969),a. Tommy in de All Music Guide b. Georgiy Starostins mening de eerste commercieel succesrijke rockopera en zelfs een grote mijlpaal binnen de moderne muziek. In 1968 stelden Townshend en Entwistle andere eisen aan hun Sound City-versterkers, die niet door het bedrijf verhoord werden. Het gevolg was de overstap naar het veelgeroemde Hiwatt.Hiwatt op www.thewho.net/whotabs
Rond deze tijd begonnen de spirituele leermethoden van de Indiër Meher Baba invloed te krijgen op Townshend en zijn te schrijven nummers. Baba wordt op Tommy gecrediteerd als avatara. In het verlengde van Tommy’s commerciële succes, werd het ook een kritisch succes. Life Magazine zei over Tommy: "...sprekend over pure kracht, uitvinding en een uitmuntende uitvoering streeft Tommy elke opname die ooit uit een studio is gekomen ver voorbij..."The Who. Sanctuary Group, Artist Management. Bezocht op 3 januari 2007. en Melody Maker meende: "Natuurlijk is The Who nu dé band waarmee alle andere bands mee vergeleken moeten worden."
Ook niet geheel onbelangrijk voor de doorbraak bij het grote publiek was hun concert op Woodstock (15, 16 en 17 augustus 1969) en de verschijning in de gelijknamige film – een optreden dat zijzelf overigens verfoeiden – waarin ze onder andere nummers van Tommy ten gehore brachten.
1970–1979: van Live at Leeds tot Quadrophenia 150px|miniatuur|rechts|Roger Daltrey en Pete Townshend (1972) In 1970 gaf The Who de plaat Live at Leeds uit. Echter, in 1970 had The Who nog meer ambitieuze plannen. Ze begonnen met het opnemen van een studioalbum. Op het Isle of Wight Festival in augustus introduceerde Daltrey namelijk een nieuw nummer, getiteld I Don't Even Know Myself, en omschreef het als van "... een album waar we zo ongeveer half mee klaar zijn". En Daltrey had gelijk, want binnen een paar weken na dat concert schreef Townshend het nummer Pure And Easy, een nummer dat hij later beschreef als het basale nummer waar het hele album-in-wording om zou draaien. Dit project, getiteld Lifehouse, is overigens nooit afgemaakt. Althans, niet in de vorm die Townshend bedoelde. Er is namelijk wel een hoorspel van gemaakt voor de BBC in 2000, dat later opgenomen is en door Townshend uitgebracht op zes cd's, getiteld The Lifehouse Chronicles. Dat het niet is afgemaakt in de door Townshend bedoelde vorm kwam doordat de overige drie bandleden niets snapten van het verhaal waar Lifehouse in zijn geheel om draaide.Zie voor meer informatie de imdb voor de dvd "Classic Albums", The Who - Who's Next (1999), waar het verhaal verteld wordt door Townshend, Daltrey en Entwistle
Ondertussen, in maart 1971, besloot de band na de flop van Lifehouse te beginnen met het opnemen van het bruikbare materiaal. In eerste instantie gingen zij met hun managers Chris Stamp en Kit Lambert naar New York. De opnames vonden plaats in de Record Plant aldaar, maar het ging allemaal niet zo goed als dat het bedoeld was. Lambert dealde daar onder andere en de sfeer was ook niet ideaal. Om deze redenen nam producent Glyn Johns in april van datzelfde jaar het hele album opnieuw op met de band, maar dit keer in Londen. Een grote selectie van het materiaal werd – samen met één nummer van John Entwistle (My Wife) dat niet bij de originele plaat hoorde – uitgegeven onder de titel Who's Next. Het album elimineerde (voorlopig) het Lifehouse-project, maar sommige van de nummers werden later uitgegeven als singles en/of hergebruikt voor andere albums in latere jaren (net als Odds and Sods) en Townshends soloalbum Who Came First. Hoe moeizaam de aanloop naar dit album ook was, het zou een van hun succesvolste albums worden, zowel onder critici als fans.Zie: All Music Guide; Robert Christgau; PopMatters en Rolling Stone Dit kwam ook vooral door het spectaculaire synthesizer-werk, dat Townshend gebruikte op de plaat. Het album behaalde plaatsje nummer 4 in de Verenigde Staten en zelfs nummer 1 in Groot-Brittannië. Eén single van het album, Won't Get Fooled Again, werd het eerste nummer dat een synthesizer-partij als basis had.
Who's Next werd gevolgd door een werk dat meer een monoloog is dan een rockopera (er werden namelijk slechts een klein aantal lyrics gezongen door de karakters). Het werk uit 1973, getiteld Quadrophenia heeft een verhaallijn over een adolescent genaamd Jimmy, die lijdt aan een identiteitscrisis en aan zijn lichte verstandelijke handicap, tegen een achtergrond van de rebellerende Mods en Rockers in de vroege sixties in Brighton.Quadrophenia.net Quadrophenia was een uitstekend en complex album, maar het sprak het grote publiek niet zo aan als Tommy.
300px|miniatuur|links|The Who in 1974 De latere albums van de band genieten een meer persoonlijke lading voor meestersongwriter Townshend, die uiteindelijk ook zijn eigen stijl meer in zijn soloalbums verwerkte, zoals te horen is op zijn album Empty Glass. Het album The Who by Numbers (1975) bevat dan ook sommige introspectieve nummers, opgeleukt door de publiekslieveling Squeeze Box, een andere hitsingle. Desalniettemin heeft een rockcriticus By Numbers beschouwd als Townshends "zelfmoordbrief".The Who By Numbers liner notes Verder werd er dat jaar ook een filmversie van Tommy in de bioscopen getoond. Het werd geregisseerd door Ken Russell, met in de hoofdrol Roger Daltrey (als Tommy Walker). Pete Townshend kreeg een nominatie voor een Academy Award in de categorie "Best Original Score". In 1976 speelde The Who een concert op de Charlton Athletic Football Ground, dat voor meer dan een decennium lang geregistreerd stond in het Guinness Book of Records als het luidste concert ooit.Biografie van de band op www.sanctuarygroup.com Geraadpleegd op 13 december 2006
300px|miniatuur|rechts|Keith Moon in 1976