Salies-de-Béarn is een gemeente in het Franse departement Pyrénées-Atlantiques (regio Nouvelle-Aquitaine). Tot 2016 behoorde de gemeente tot het arrondissement Pau. Per 1 januari 2017 werd zij overgeheveld naar het arrondissement Oloron-Sainte-Marie. Salies-de-Béarn telde op inwoners.

Geografie De oppervlakte van Salies-de-Béarn bedroeg op ; de bevolkingsdichtheid was toen inwoners per km².

thumb|left|350px|Kaart van de gemeente met belangrijkste infrastructuur, bodemgebruik en omliggende gemeenten

Demografie De figuur toont het verloop van het inwonertal (bron: INSEE-tellingen).

Geschiedenis Salies de Béarn is een klein stadje in Aquitanië. Het ligt tussen de steden Bayonne en Pau in, en heeft zijn ontstaan te danken aan de zoutwaterbron in het midden van de stad. De zoutwaterbron was een bron van rijkdom, eerst door de winning van het zout zelf en later door het bouwen van thermale zoutbaden waar de bourgeoisie van Frankrijk op af kwam. In 1891 verklaarde de Academie voor Gezondheidszorg het zout geschikt voor geneeskundige toepassing in de Thermale baden.

Prehistorie

Gedurende de ijstijd werd bepaald hoe de wereld eruit kwam te zien. Door grote bewegingen van platen konden bepaalde elementen hun weg naar de oppervlakte vinden. Het zout van Salies vindt zijn oorsprong aan het eind van de geologische tijd Trias, ongeveer 200 miljoen jaar geleden. Het super continent Pangea begon uiteen te vallen en een zeegolf vanuit de Boreale zee stroomde in het bekken van Aquitanië. Aquitanië heeft een Aridisch zeeklimaat. Door verdamping van het water in het bekken bleven grote hoeveelheden evaporieten achter, die onder andere bestaan uit zout en natuurgips. Tijdens de geologische tijden Jurassic en Krijt, ongeveer 200 tot 64 miljoen jaar geleden, vormde zich een kleilaag bestaande uit resten van dieren, koraal en verschillende kleuren mergel. Deze kleilaag beschermt het zout tegen vervuiling. Aan het eind van het Krijt, toen de Pyreneeën ontstonden, vonden enorme breuklijnen hun weg door de Béarnaise gronden. Het zout vloeide in de breuklijnen en liet daarbij sporen achter aan de oppervlakte. Gedurende een lange tijd stroomt regenwater in de grond en het zout loste daarin op. Het regenwater stroomde ook door andere lagen klei en onttrok daaruit de restelementen. Dit water vormde de zoutwaterbronnen in de Béarn waarvan er één zich onder Place du Bayaà in Salies de Béarn bevindt.

De oorsprong van de nederzetting ligt in de Middeleeuwen maar ook in de prehistorie hebben mensen hun weg gevonden naar de zoutwaterbron, ook wel genoemd de ‘Houn Salade’. Er zijn keramische potten teruggevonden uit de bronstijd, ongeveer 500 jaar voor Christus. In deze potten werd zout geproduceerd. Doordat het water verdampt, bleef het zout achter in de pot, de pot werd gebroken en er bleef een ‘zoutbrood’ over.

Romeinse tijd, 1e tot 4e eeuw

Tijdens de Gallo-Romeinse tijd (1e eeuw voor tot 4e eeuw na Christus) werd zout gewonnen in ijzeren platen die aan elkaar verbonden waren met klei. Deze platen werden verwarmd en daarin werden taps toelopende vazen geplaatst. Deze vaten werden gebroken en het zoutbrood bleef over. De enorme tonnen puin die opgegraven zijn door archeologen wijzen erop dat het waarschijnlijk noodzakelijk was om de vazen te breken. Gedurende de Romeinse tijd ontstonden er zoutroutes vanuit Salies de Béarn. Het zout werd verhandeld met andere goederen en werd via de Cami Salié naar Toulouse en verder gebracht.

Middeleeuwen, 900 tot 1700

Tot in de late middeleeuwen was er niet veel activiteit rondom de zoutbron. De geboorte van de nederzetting Salies vindt plaats tussen 900 en 1000 na Christus.

De legende van Salies

Salies dankt zijn ontstaan aan de zoutbron waarop het gebouwd is. Maar eigenlijk dankt het stadje zijn bestaan aan een wild zwijn: un sanglier. Indertijd waren deze heuvels bedekt met bossen en moerassen. Een wild zwijn terroriseerde de bewoners in de bossen. Toen het zwijn achterna gezeten werd door jagers raakte het gewond door een speer. De jagers konden het zwijn niet meer vinden. Enkele dagen later is het teruggevonden, bedekt met zout dat achterbleef nadat het water verdampt was. Sinds de ontdekking van de zoutwaterbron waakt het dorpje Salies-de-Béarn over haar schat: een bron van zout water die zorgt voor de goede gezondheid en de welvaart van dit dorp. Tijdens de laatste ademtocht zei Le Sanglier in het Béarnais: ‘Si you nou eri mourt, arres n’y bibéré’ ook wel : ‘Si je n’y étais pas mort, personne n’y vivrait .’ in het Nederlands betekent het grofweg: ‘Als ik niet was gestorven, had hier niemand geleefd.’

Aan het begin van de Middeleeuwen werd een nieuwe productiemethode ontwikkeld: het gebruik van de metalen zoutpan. Deze zoutpan was productiever en duurzamer dan de potten die tot dan toe gebruikt werden. Ook zorgde deze methode ervoor dat er grotere hoeveelheden zout geproduceerd kon worden.

Anders dan andere goederen die indertijd verhandeld werden was zout een zeer kostbare schat en werd het vooral gekocht door buitenlanders en vorsten. Zout heeft altijd al een belangrijke functie gehad, het conserveerde vlees en melkproducten; op deze manier was voedsel ook aanwezig in moeilijkere tijden.

Het winnen van het zoute water was in eerste instantie chaotisch geregeld maar werd steeds meer georganiseerd. Om de kostbare bron te beschermen werd op 11 november 1587 het ‘Règlement de la Fontaine Salée’ (Reglement van de zoutwaterbron) geschreven in het ‘Livre Noir’ (Zwarte boek). Deze wet, bestaande uit negen artikelen, organiseerde een eerlijke verdeling van het zoute water tussen ‘les voisins’ (de buren) van de bron en de manier waarop het recht geërfd kon worden. Het water mocht alleen onttrokken worden door families uit Salies zelf en het recht mocht dan ook alleen maar onder bepaalde voorwaarden overgaan van de ene generatie naar de andere. ‘Les voisins’ werden ook wel ‘part-prenants’ ofwel aandeelhouders genoemd. Iemand kon een part-prenant worden als hij of zij meer dan 6 maanden in Salies woonde. Kinderen die getrouwd zijn met een ‘étranger’ (buitenlander, buiten Salies geboren) ontvangen slechts een halfrecht dat niet overdraagbaar is aan de nakomeling. Het zoutrecht wordt overgedragen via geboorte. De plicht om te trouwen met iemand uit Salies om recht te hebben op het zout veroorzaakte soms vreemde huwelijken tussen bijvoorbeeld jonge mannen en oude vrouwen. Ook was er een plicht om in Salies te wonen om recht te hebben op het zout. Daarom gingen mannen vaak in dienst bij de koning om recht te hebben op het zout zonder in Salies te wonen. Deze regeling was de oorzaak van veel conflicten in de 17e en 18e eeuw.

De Prauba Muda

Saliesiens, zo worden de inwoners van Salies genoemd, waren vrijgesteld van zoutbelasting ‘gabelle’ tot de Franse revolutie in 1789. Maar ondanks dit voordeel hebben de part-prenants altijd het gevoel gehad beroofd en geplunderd te worden. Enerzijds door machtige lokale heren die belastingen legden op de productie van de sameaux, kachels of op de houtkap. Anderzijds voelden ze zich beroofd door andere Salisiens die het water ’s nachts kwamen stelen. De part-prenants hebben hun zoutwaterbron dan ook ‘prauba muda’ genoemd ofwel ‘arme stomme’. Omdat de bron altijd getuige is geweest van plunderingen en diefstallen. De Prauba Muda wordt uitgebeeld door het standbeeld voor het musée du sel met de woorden ‘prauba muda, tostem tonuda’ erbij. Dat betekent: arme stomme, altijd geschoren/geplukt.

De verdeling van het water vond in principe twee keer per week plaats en werd aangekondigd door klokken en stadsomroepers. In de realiteit vond de verdeling van het water veel minder vaak plaats. Het water werd verdeeld onder ‘les voisins’ (de buren) van de bron. Voor het water uit het bassin genomen mocht worden werd eerst de ‘ Houn Boune’ gedaan; het water werd ontdaan van zoet water (regen) die op het bassin terecht was gekomen. Het zoete water mengt niet met het zoute water vanwege het grote verschil in dichtheid. Om te weten hoeveel zoet water er verwijderd moest worden werd er een ei in het water gelegd. Dit zonk in zoet water maar bleef drijven in het zoute water, waardoor het ei tussen de twee waterlagen bleef hangen. Vervolgens werd het zoete water uit het bassin geschept totdat de helft van het ei boven water lag. Het zoete water werd in de ‘Rue de moulin’ wat de huidige ‘Rue de canal’ afgevoerd naar de rivier de Saleys. Als het zoete water van het zoute water afgeschept werd dat de ‘Houn Boun’, een goede bron. Het aantal begunstigde families werd bepaald via een openbare veiling. Eerst werd de hoeveelheid water in het bassin geschat, daarna werd het water verdeeld. Als eerste waren de eigenaars van de huizen in de buurt aan de beurt. Daarna de huurders van huizen en als laatste ‘les femelles’ oftewel de meisjes die met een ‘étranger’, buitenlander; iemand die buiten salies is geboren, getrouwd waren. In de middeleeuwen waren er 4 families met de namen: Départ, Poumayou (of Puy Mayou of Pont-Mayou), Poey Saint-jean en Virelongue. Later werden de namen uitgebreid in de registers met: Pont-Mayou, le Bédat-Bayaà, le Clausou of Clauson, Départ, Balaclave (Bellecave), l’Oumé, Andioque, Barate, Houbourguet, etc. Al deze namen staan beschreven in het ‘Livre Noir’. Aangezien Salies een protestants dorp was begon de verdeling met de woorden ‘Au nom du Diu, sit nomen domini benedictum’ oftewel: ‘In de naam van God’. De veilingmeesters moesten zorgen voor een correcte verdeling van het water. Als alle aangewezen families eenmaal voorzien waren van water en er bleef zoutwater over, dan was het overgebleven zoutwater voor de veilingmeester. Als er water tekort was voor een eerlijke verdeling dan hadden de veilingmeesters inschattingsfouten gemaakt en moesten zij geld bijbetalen.

Om het zout te onttrekken namen de Salisiens het zoute water naar huis in de ‘sameau’ dit was een houten vat van 92 liter en was volledig gevuld 130 kilo zwaar. Het water werd in de ‘couléde’ gegoten, een stenen trog voor het huis aan de straatkant. Het water stroomde door een ondergronds houten kanaal onder het huis door en werd opgeslagen in de ‘duli’, een tank onder de werkplaats. De zoutmaker haalde water uit de tank en goot het water in vierkante loden pannen genaamd ‘padères’. Deze pannen werden van onderen verwarmd en doordat het water verdampte bleef het zout over. Eerst verscheen er een soort bovenlaag de ‘fleur de sel’. Vervolgens zonken de grote kristallen naar de bodem van de pan. Met een houten hark werd het zout op een hellend vlak bekleed met een doek verspreid zodat het zout kon uit lekken. Het water liep terug de pan in langs de stof die vaak verstijfd was door het zout. De zoutmaker moest voortdurend water bijvullen en het vuur opstoken totdat de voorraad water op was. Zo nu en dan werden de loden pannen vervangen. De bodems van de pannen raakten bedekt met een laag gips, deze werden met de hamer gebroken en verkocht aan leerlooiers voor het behandelen van huiden. Het zout werd per karavaan vervoerd op de zoutwegen om verkocht te worden in de Pyreneeën, Baskenland en les Landes. Steeds meer mensen bouwden huizen rondom Place du Bayaà, daardoor liggen de straten in de vorm van een slakkenhuis rond het bassin. Place du Bayaà was daardoor niet alleen het centrum van de stad maar ook het sociale middelpunt. Place du Bayàa was niet de enige bron in de stad. Ook op de Place de la Trompe en op de Rue de Griffon was een bron te vinden. Deze twee laatste bronnen bevatten echter zout van veel minder kwaliteit dan het zout op de Place du Bayàa.

Protestantisme in Salies