De sokkel, het grondgebergte of kristallijn moedergesteente is bij een geologische beschrijving van de ondergrond alle gesteente dat zich onder de bedekking van afzettingsgesteente bevindt. Vaak bestaat de sokkel uit ouder metamorf gesteente, stollingsgesteente of een combinatie van die twee. De bovenliggende lagen afzettingsgesteente zijn later in bekkens bovenop de sokkel afgezet. Op de meeste plaatsen komt het sokkelgesteente uit het Precambrium of Paleozoicum, maar het kan ook jonger zijn.
Het onderscheid tussen een kristallijne sokkel en een sedimentaire bedekking ontstaat door de cyclus van sedimentatie, tektonische opheffing, erosie en afvlakking, en opnieuw sedimentatie. De sokkel is het oudere gesteente dat door erosie tot een schiervlakte werd afgevlakt. Daarna werd het door nieuwe sedimentlagen bedekt.
Kristallijn gesteente dat de sokkel vormt, ontstaat in de diepere delen van de aardkorst boven de Mohorovičić-discontinuïteit, op enkele tot tientallen kilometers diepte. Waar de sokkel dichterbij of aan het oppervlak ligt, spreekt men van een geologisch massief. Massieven ontstaan door tektonische opheffing van de korst, waarna de jongere sedimentaire gesteenten op die plek geheel of gedeeltelijk weg eroderen.
Sokkelgesteente is minder interessant voor de sedimentologie en exploratiegeologie; omdat het kristallijn is bevat het geen aardolie of aardgas.
In Europa is de sokkel meestal ouder dan de Hercynische orogenese in het Carboon. Tijdens deze fase vond opheffing, erosie, deformatie en/of metamorfose plaats. Vanaf het Perm werden over de kristallijne sokkel nieuwe gesteentelagen afgezet.
Categorie:Geologie Categorie:Sedimentologie Categorie:Structurele geologie