thumb|Tempelier thumb|Hugues de Payns, eerste grootmeester van de Orde van de Tempeliers op een negentiende-eeuwse afbeelding De Orde van de Tempeliers of Tempelorde (Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo) (Latijn: Pauperes commilitones Christi Templique Solomonici) was een christelijke kruisridderorde die ten tijde van de kruistochten als klein onderdeel van de kruisvaarderslegers een Heilige Oorlog tegen de moslims voerde in het Heilige Land. Ze waren gestructureerd als een monnikenorde naar het model van de cisterciënzers en zowel monastiek als militair actief. De orde is ontstaan uit een broederschap van vooral Franse kruisvaarders, waarvan ten minste Hugo van Payns en de Vlaamse edelman Godfried van Sint-Omaars deel uitmaakten. De broederschap legde rond 1118 de klassieke monastieke beloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af ten overstaan van de Latijnse patriarch van Jeruzalem. De orde werd vervolgens in 1129 officieel erkend door de Katholieke Kerk en bleef bijna tweehonderd jaar bestaan. De Tempeliers werden uiteindelijk zo machtig en rijk, dat de Franse koning Filips de Schone er alles aan deed om van hen af te komen.
De broederschap bestond aanvankelijk uit een kleine groep ridders die het plan had opgevat om de pelgrims in Palestina te beschermen. De pelgrims werden tijdens hun tochten door het Heilige Land, van de ene naar de andere door kruisvaarders beschermde plaats, regelmatig slachtoffer van overvallen door autochtonen van het platteland.
Ontstaan Overzicht Volgens de kroniekschrijver Willem van Tyrus werd de orde opgericht in 1118 door Hugo van Payns, een edelman uit de Champagne.Willem van Tyrus, Historia rerum in partibus transmarinis gestarum XII 7. Willem van Tyrus was echter geen ooggetuige en schreef zijn kroniek meer dan vijftig jaar later.Y.v.Buyten, W.Vanderzeypen, De Tempeliers, Synthese, p.64 Er zijn overigens teksten die doen vermoeden dat de stichting eerder plaatsvond. Zo schreef Ivo van Chartres, de bisschop van Chartres, in 1114 een brief aan Hugo I van Champagne, de graaf van Champagne, dat hij had vernomen dat deze wilde toetreden tot de militie van Christus bij zijn reis naar het Heilige Land., De tempeliers: de tempelorde tijdens de kruistochten en in de Lage Landen, Amsterdam, 2006, p. 22. Zie: (ed.), Cartulaire général de l'ordre du Temple: 1119-1150, recueil des chartres et des buls relatives à l'ordre du Temple, XLV, Parijs, pp. 34-35 (non vidi).
Bernard van Clairvaux was nauw betrokken bij de oprichting van de orde. André de Montbard, een van de eerste negen tempeliers, was zijn oom. Bernards cisterciënzers leverden een aangepaste versie van hun kloosterregels. De orde had ook alles te maken met de graven van Champagne. De orde werd namelijk opgericht om de regio invloedrijker te maken en niet om Jeruzalem te redden van de moslims.
De Tempeliers werden snel, mede dankzij de gelofte van armoede, een zeer rijke orde die overal in het koninkrijk Jeruzalem en andere door de kruisvaarders ingenomen gebieden, en ook in Europa grote landerijen met horigen bezat. Dit kwam door de steun van vele edelen. Wanneer edelen toetraden tot de orde, legden ze een persoonlijke gelofte van armoede af en schonken de orde al hun bezittingen. Daardoor, en omdat zij vrijgesteld was van belastingen, werd de Orde een van de belangrijkste bankiers van de westerse wereld. De schuldbrief, een soort cheque, zou een uitvinding van hen zijn.
De kruisvaarders en pelgrims hadden in de Oriënt veel contacten met de plaatselijke islamitische bovenlaag. De Tempeliers raakten door deze contacten bekend met de, vergeleken bij West-Europa, andere culturele standaard over onder meer levenskunst, filosofie en wetenschappen van de Arabische beschaving. De ridders waren daardoor in staat hun Europese tijdgenoten te helpen zich deze culturele en wetenschappelijke rijkdommen eigen te maken.
De internationaal werkende orde vervoerde grote geldsommen van en naar het Heilige Land. Ze ontwikkelde zich daardoor tot een internationaal bankiershuis. Zo stond de koning van Frankrijk zwaar in de schuld bij hen. Samen met hun groeiende machtspositie zou dit de aanleiding geweest kunnen zijn voor de koning Filips IV van Frankrijk om de orde te laten vervolgen wegens ketterij. Dit gebeurde na jarenlang politieke druk op de Kerk waarbij de koning zelfs twee pausen zou hebben laten vermoorden zodat een vertrouweling van hem, paus Clemens V, kon worden verkozen. Op vrijdag 13 oktober 1307, werden vele leden van de orde op bevel van Filips gevangengenomen en beschuldigd van ketterij. In de pauselijke bul Pastoralis praeeminentiae van 22 november 1307 aan alle christelijke heersers werd de arrestatie van alle Tempeliers bevolen, alsmede de inbeslagname van al hun roerende en onroerende goederen, die daarna aan de kerk vervielen. Dit bevel luidde in vrijwel heel Europa een lange reeks vervolgingen in.
thumb|260px|right|Gedenksteen Jacques de Molay in Parijs thumb|260px|De Tempelberg, naamgever van de orde
De laatste grootmeester van de Tempeliers was Jacques de Molay, hij stierf op 18 maart 1314 in Parijs op de brandstapel. De Molay heeft gedurende zijn (schijn)proces onder marteling bekentenissen afgelegd, maar die later herroepen. De beschuldigingen tegen de Orde van ketterij, homoseksualiteit en aanbidding van "Baphomet" waren voor die tijd ongehoord. Het verhaal wil dat De Molay op de brandstapel de koning en de paus vervloekte; beiden stierven nog geen jaar later.
Nadat de Orde van de Tempeliers was opgeheven, werden veel leden en bezittingen opgenomen door de Hospitaalridders. In Portugal werden de Tempeliers vrijgesproken en veranderden ze hun naam in Ridders van Christus.
Tempelberg In 1118 zwoeren de ridders de patriarch Gormond van Jeruzalem dat zij de wegen zouden beschermen en een leven van kuisheid, armoede en vroomheid zouden leiden. Koning Boudewijn II van Jeruzalem zag de waarde van zo'n groep religieuze ridders en stelde hun een deel van zijn paleis ter beschikking, dat op de Tempelberg stond. Dit zou de eerste van vele giften zijn die de Tempeliers de tweehonderd jaar daarna als orde zouden ontvangen. Op de Tempelberg had koning Salomo rond 1000 v.Chr. zijn tempel gebouwd, maar na de verwoesting in 70 n.Chr. was er niets meer van over. Volgens de islamieten is de profeet Mohammed daar aan zijn hemelvaart begonnen, daarom hadden zij er de Rotskoepel gebouwd. De Tempeliers breidden het gebied uit en zetten er nieuwe gebouwen op. De tempeliers verbouwden de al-Aqsamoskee om tot hun verblijfplaats. De Rotskoepel was al kort na de verovering van Jeruzalem in 1098 tot Christelijke kerk gewijd. Vanaf die tijd noemde de groep zich de Tempelorde. Van hun activiteiten op de Tempelberg is nu bijna niets meer terug te vinden, want nadat de moslimleider Saladin in 1187 Jeruzalem heroverde, liet hij elk spoor van hun aanwezigheid verwijderen. De Tempeliers trokken zich na de val van Jeruzalem terug op Akko en vestigden daar in 1191 hun hoofdkwartier. In 1291 viel ook Akko en trokken de Tempeliers zich terug op Cyprus en hun moederlanden in Europa.
Heilige Oorlog De tempelorde voerde een Heilige Oorlog tegen de islam en maakte na de val van Jeruzalem en andere belangrijke steden deel uit van de bezettingsmacht in het Heilige Land. Zij hadden tot taak pelgrims te beschermen die reisden langs de pelgrimsroutes naar de heilige plaatsen in het Heilige Land. Volgens de oorspronkelijk door de cisterciënzer abt Bernard van Clairvaux opgestelde Regel van de Orde waren de Tempeliers zowel monniken als ridders. Ze beschouwden zichzelf als de militie van Christus. Het was toegestaan om moslims te doden, maar wie een christen doodde, werd uit de orde gezet. De Tempeliers waren berucht voor hun religieus fanatisme en militant karakter. Het waren vechtersbazen die veel geweld gebruikten tegen de vijanden van hun geloof en met gelijke munt terugbetaald werden. De moslimleider Saladin was bijvoorbeeld edelmoedig tegenover gewone ridders, maar Tempeliers en hospitaalridders doodde hij allemaal, waarschijnlijk omdat de Orde der Tempeliers als principe geen losgeld betaalde voor gevangengenomen Tempeliers. Na de Slag bij Hattin (1187) liet hij hen op rituele wijze ter dood brengen. Ook zijn opvolgers kenden geen genade voor de ridderorden.
Organisatie Grondregel De orde had manschappen en middelen nodig. De eerste grootmeester Hugo van Payns maakte een propagandatocht in het westen en wist grote delen van Europa te interesseren voor de beweging. Maar het Vaticaan moest de orde wel eerst officieel erkennen. Het was monniken verboden om bloed te vergieten, dus was een kerkelijke zegen over het verschijnsel van riddermonniken gewenst. Paus Honorius II liet in januari 1129 de Grondregel van de tempelorde goedkeuren op het concilie van Troyes. Het reglement van de cisterciënzers van Bernard van Clairvaux had model gestaan. Er was vrijwel geen aandacht voor het militaire; het accent lag op de monnikentaak zoals het beschermen van armen, weduwen, wezen en kerken. Later verschenen er zes aanvullingen op de Grondregel die wel militaire paragrafen zouden bevatten.
Bernard van Clairvaux was een van de eerste beschermers van de Tempeliers. Dankzij zijn aanbeveling was Hugo van Payns in staat om de pauselijke instemming voor zijn orde te verkrijgen. Hij schreef grootmeester de Payns een brief waarin hij het werk van de Tempeliers prees en de hulp die ze 'vele goddeloze mannen, rovers, moordenaars, woordbrekers, overspeligen' gaven om 'de weg naar het Heilige Land te vinden'. Met deze aanbeveling vertrok Hugo van Payns naar de Raad van Troyes in Frankrijk. Daar vond een vergadering plaats van belangrijke geestelijken en leken. Hij legde de aanbeveling door Bernardus en de geloofsbrieven van zijn broederschap over samen met een beschrijving van hun manier van leven, plichten, privileges en rituelen om zo de erkenning van zijn orde veilig te stellen.
De bul Omne datum optimum van paus Innocentius II verleende in 1139 een groot aantal voorrechten aan de tempelorde. Ze mochten hun statuten opstellen, een grootmeester verkiezen en priesters benoemen. Ze hoefden geen kerkelijke belastingen te betalen en hadden zelf recht op de tienden. De orde viel rechtstreeks onder het gezag van de paus. Ze waren onafhankelijk van de reguliere geestelijkheid en de wereldlijke overheid, ze konden zich onttrekken aan het gezag van de aartsbisschop en koning van Jeruzalem. De reguliere geestelijkheid had het moeilijk met de bevoorrechte positie van de Tempeliers, hoewel andere monniken- en ridderorden ook dergelijke voorrechten hadden.
Het Hiërarchisch statuut uit 1165 was een aanvulling op de Grondregel. In deze militaire handleiding werd gesproken over de functies en bevoegdheden van de leden, de wijze van oorlog voeren en de procedure om een grootmeester te kiezen. Voor dit laatste werden de provinciecommandeurs uitgenodigd op het hoofdkwartier. Alle aanwezige leden deden mee met het benoemen van twee keuzeheren. Het tweetal vulde zich in trapjes aan tot dertien, bestaande uit acht ridders, vier soldaten en een kapelaan. Deze mannen gingen in conclaaf en kozen een nieuwe grootmeester.
Religieuze Orde thumb|180px|Het Tempelierskruis
De Tempeliers was een traditionele religieuze orde. Zijn leden legden de gangbare kloostergeloften af, gebaseerd op de Regel van Benedictus, van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Het dagelijks leven werd, waar mogelijk, ingericht als dat van een reguliere orde. Ze aten in gemeenschappelijke eetzalen in absolute stilte, terwijl er voorgelezen werd uit de Bijbel. Maar vanwege hun militaire doelstellingen werden de regels aangepast zodat de krijgsprestaties van de broeders daar niet onder te lijden kregen. Hun kruin werd geschoren, maar ze lieten hun baard staan. De ridders droegen een wit kleed, de serianten (leden van niet-adellijke afkomst) een zwart kleed.