Siberische dwergden of Japanse steenden (Pinus pumila) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De plant komt van nature voor in noordoostelijk Azië, waaronder de Japanse Archipel. In Nederland staat de Siberische dwergden op het Landgoed Schovenhorst in Putten, in de Hortus botanicus Haren in Groningen, het Arboretum Poort Bulten in De Lutte en het Von Gimborn Arboretum in Doorn. Er bestaat een cultivar 'Globe'.
De struikachtige plant wordt doorgaans 1–3 m hoog. In beschutte valleien kan de plant 4–5 m hoog worden, maar kan deze enkele takken hebben die langer worden en horizontaal over de bodem groeien. De stam heeft aan de basis een doorsnede van 15–18 cm. De bast is grijsbruin, en afbladderend. De twijgen zijn aanvankelijk bruin, maar worden in het tweede of derde jaar donkerroodbruin en dicht behaard. De iets harsachtige kegelvormig-eivormige winterknoppen zijn roodbruin.
De bladeren zijn naaldvormig en staan in groepen van vijf stuks met een lengte van 4–8 cm en een breedte van 1 mm. Ze hebben een vaatbundel en 1 tot 2 harskanalen. De bladschede valt af. De vrouwelijke, rechtopstaande, kegelvormig-eivormige of eivormige kegels worden 4–7 cm lang en 2,5 tot 3 cm breed. Bij rijpheid zijn ze bleekpaars- of roodbruin. De kegelschubben zijn breed subrombisch of rombisch-omgekeerd eivormig. De apofyse is breed driehoekig, dik, gezwollen en met een licht teruggebogen rand. De umbo is paarszwart, duidelijk zichtbaar en eindigend in een licht teruggebogen stekel. De nootachtige, vleugelloze pitten (vaak zaden genoemd) zijn 5–9 mm lang en 4–6 mm breed (1 kg omvat 24.000 pitten). De abaxiale rand heeft een richel. Ze worden geoogst en verspreid door de notenkraker (Nucifraga caryocatactes). De eerste pitten worden aangemaakt als de plant twintig tot dertig jaar oud is. De plant kan elke twee tot vier jaar pitten aanmaken tot deze meer dan 200 jaar oud is. De plant kan ongeveer 250 jaar oud worden.
Het wortelstelsel van de plant wordt aanvankelijk gevormd door penvormige wortels met horizontale zijwortels. De penwortel sterft vervolgens af en er ontstaan dan horizontale wortels aan de oppervlakte.
Verspreiding thumb|left|250px|Een naaldstruweel gedomineerd door Siberische dwergden in Siberië. Het verspreidingsgebied is zeer groot en loopt van de poolcirkel in het noorden (tot 71° noorderbreedte) en de Golf van Anadyr in het noordoosten naar het zuiden. De plant komt voor in de Russische deelgebieden Tsjoekotka, oblast Magadan, kraj Kamtsjatka, oblast Sachalin, oblast Amoer, kraj Chabarovsk en in kleinere hoeveelheden in kraj Primorje. In het Russische Verre Oosten groeit de plant alleen niet op de Komandorski-eilanden en het eiland Atlasov van de Koerilen. In het zuiden van de krajs Chabarovsk en Primorje komt de plant alleen voor in het alpine gedeelte van het gebergte Sichote-Alin. De zuidelijke grens in Rusland loopt over de stroomgebieden van de Oermi, Boereja, Selemdzja, Zeja en verder zigzaggend westwaarts naar het Baikalmeer. In het uiterste zuiden van Rusland, in kraj Primorje in het Partizanengebergte, groeit de plant niet beneden de 900 meter. Wat verder naar het noorden, in het stroomgebied van de benedenloop van de Amoer en langs de Zee van Ochotsk groeit de plant ook in de lagergelegen gebieden, in de moerassige en mossige riviervalleien, rotsachtige plaatsen en op de uitlopers van de zeekust.
In de bergen van noordelijk Japan kruist de soort zich soms met de verwante Japanse witte den (Pinus parviflora). De hybride (Pinus ×hakkodensis) is doorgaans groter dan Siberische dwergden en kan 8–10 m hoog worden.
Siberische dwergden Categorie:Den