Het ISS of het internationale ruimtestation (Engels: International Space Station) is een ruimtestation dat in een baan om de aarde draait en door verschillende landen wordt gebouwd, bemand en bekostigd. Op 20 november 1998 werd de eerste module gelanceerd en sinds 2 november 2000 is het station permanent bewoond. Gedurende de eerste twee decennia van de 21e eeuw is het station continu uitgebreid.

Oorsprong Op 25 januari 1984 kwam de Amerikaanse president Ronald Reagan met het voorstel van een internationaal ruimtestation, onder de naam Freedom. Hier kwam echter weinig van terecht en begin jaren negentig waren zowel het concept als de naam gewijzigd. Rusland, dat inzag dat er in de eigen Mir geen toekomst meer zat, dacht positief over het nieuwe ruimtestation. Het enige struikelblok was de nieuw voorgestelde naam: Alpha. Uiteindelijk werd gekozen voor de naam International Space Station, dat in elke taal op eigen wijze wordt geschreven. De Russische plannen voor een opvolger van de Mir (Mir 2) verdwenen in de koelkast.

Om ervaring op te doen met ruimtestations (onder andere het langdurig verblijf in de ruimte), gingen de VS en Rusland een samenwerking aan, waarbij veelvuldig gebruik werd gemaakt van de Mir. Deze samenwerking werd bekend onder de codenaam Phase One (Eerste fase). In september 1993 kondigden Al Gore en Viktor Tsjernomyrdin de plannen aan voor een vervolg: Phase Two (tweede fase). Deze nieuwe fase zou bestaan uit het daadwerkelijk bouwen van het internationale ruimtestation.

Op 29 januari 1998 werden de akkoorden voor het ruimtestation ondertekend door zestien landen. Het vormde de basis voor het grootste internationale wetenschappelijk project uit de geschiedenis van de ruimtevaart. De deelnemende landen zijn (in alfabetische volgorde):

Na het voltooien van het ruimtestation zal Phase Three (derde fase) aanbreken: een voor onbepaalde tijd volledig functionerend en permanent bewoond internationaal ruimtestation in een baan om de aarde.

Onderdelen Het ISS bestaat voornamelijk uit een raamwerk (truss, combinatie van truss-elementen), modules, zonnepanelen, en radiatoren om overtollige warmte uit te stralen.

Bijdragen door landen Voor de volledige bouw van het ruimtestation zullen minstens vijftig transportvluchten nodig zijn. Voor deze vluchten werd tot 2011 gebruikgemaakt van Amerikaanse Spaceshuttles. Momenteel (2023) wordt de verbinding onderhouden door het onbemande Russische Progress-ruimtevaartuig, het Japanse H-II Transfer Vehicle (HTV) en sinds 2011 de commerciële SpaceX Dragon en de Cygnus van Northrop Grumman Innovation Systems, die onder NASA's Commercial Resupply Services-programma opereren. ESA heeft enige tijd met het ATV bevoorradingsmissies uitgevoerd. De overige landen leveren geld, onderdelen van het ruimtestation en kennis.

Vanaf 2020 zullen de Crew Dragon van SpaceX en de Starliner van Boeing, die onder NASA's Commercial Crew-programma zijn ontwikkeld, bemanningen voor de Amerikaanse, Europese, Japanse en Canadese ruimtevaartorganisaties naar en van het ISS vervoeren. Ook zal er op iedere Commercial Crew-vlucht een stoel voor ten minste één Rus worden gereserveerd om te garanderen dat het Russische gedeelte van het ISS ook bij mogelijke problemen met de Sojoez bemand is. Hoewel de Crew Dragon en de Starliner aanvankelijk meer bemanning mee zouden kunnen nemen (7 en 6) zijn de interieurs van beide ruimteschepen aangepast naar maximaal vier man per vlucht.Pre-Launch Status (SPX-CRS9) Het plan was dat ook de Dream Chaser-cargo vanaf 2019 als commercieel ruimtevrachtschip het ISS zou gaan bevoorraden. Anno 2024 is de Dream Chaser nog niet beschikbaar.

Om onderzoeksresultaten terug op aarde te krijgen zijn er momenteel drie mogelijkheden. De SpaceX Cargo Dragon kan net als de eerdere Dragon flink wat vracht terug naar aarde brengen. Sinds 2018 wordt de Japanse HTV met een kleine terugkeermodule voor onderzoeksmonsters uitgerust. En ook kunnen kleine hoeveelheden vracht mee met bemande ruimteschepen. Wanneer de Dream Chaser vliegt kan deze ook vracht mee terugnemen.

De Cygnus en de Progress functioneren behalve als vrachtschip ook als boosters. Met de kracht van de motoren van beide capsules kan het ISS zo nu en dan worden voortgestuwd om op de juiste snelheid in de gewenste baan te blijven. Op een hoogte van 400 kilometer heerst nog geen absoluut vacuüm, waardoor de baansnelheid van een satelliet langzamerhand vermindert. Zou er niet zo nu en dan een boost plaatsvinden dan zou het ISS te zijner tijd, net als Skylab in de jaren 1970, terug op aarde vallen.

Verenigde Staten Naast de vluchten die de VS geleverd heeft; leveren ze ook fundamentele modules, zonnepanelen en laboratoria en ze nemen een groot deel van de logistiek voor haar rekening. Hiermee leveren zij de grootste bijdrage aan het ISS. Het oorspronkelijke budget van de VS is al flink overschreden, van 8 miljard naar 92 miljard.

Canada De Canadese ruimtevaartorganisatie draagt bij aan het internationale ruimtestation ISS met een zeer geavanceerde robotarm. Daarnaast levert Canada camerasystemen die zijn toegespitst op gebruik in de ruimte.

Europa De Europese landen die deelnemen aan het ISS, onder de vlag van de ESA, leveren gezamenlijk onder meer een uitgebreid laboratorium (Columbus), datamanagementsystemen en de European Robotic Arm. Hiernaast hebben de ESA-lidstaten Node 2 en 3 gemaakt, in ruil voor het vervoer van Columbus door NASA naar het ISS. Zo werd ook Cupola gemaakt, voor het vervoer van vier buitenexperimenten: EuTEF, SOLAR, ACES en ASIM.

Op 3 april 2008 koppelde de Jules Verne, het Europese Automated Transfer Vehicle, zich aan het ISS. Dit vrachtruimteschip koppelt zich automatisch aan het ISS. Het zorgt voor bevoorrading en voor de afvoer van afvalstoffen.

Europa levert een van de grootste bijdragen aan het ISS.

Italië Onafhankelijk van de ESA levert Italië een drietal logistieke modules.

Japan De Japanse ruimtevaartorganisatie levert een laboratorium en een grote hoeveelheid wetenschappelijke instrumenten.

thumb|Een duiker oefent met de Zvezdamodule in Sterrenstad.

Rusland Na de VS en Europa levert Rusland de grootste bijdrage aan het ISS. Naast de transporten met de Progress-ruimtevaartuigen verzorgt Rusland servicemodules en onderzoekslaboratoria. Tevens bracht Rusland de eerste module van het ISS in een baan om de aarde. Zij hebben tot nu toe twee laboratoria geleverd, waaronder de Zarja. Deze module wordt gebruikt voor de communicatie en het controleren van het ruimtestation. In Sterrenstad zijn trainingsfaciliteiten aanwezig voor alle Russische modules.

Brazilië De Braziliaanse ruimtevaartorganisatie zou instrumenten en bevestigingssystemen leveren om buitenexperimenten uit te kunnen voeren. Dit is van groot belang voor experimenten met langdurige blootstelling aan het ruimtevacuüm.

België en Nederland Beide landen hebben via de ESA (Europees Ruimteagentschap Engels :European Space Agency) bijgedragen aan de ontwikkeling van de Columbus-module. De Belg Frank De Winne was in 2009 gedurende twee maanden de eerste niet-Amerikaanse en niet-Russische gezagvoerder van het ISS. De Nederlander André Kuipers verbleef er in 2004 tien dagen en in 2012 een half jaar.

Bestaande modules right|300px|thumb|Rendering van het ISS anno 2023 De Tweede fase ging op 20 november 1998 van start toen vanaf Bajkonoer in Kazachstan een Proton-raket met de Zarja-module vertrok.

Modules onder druk Zarja thumb|Zarja (onder) en Unity (boven) gekoppeld (juni 1999) De Zarja-module, Engels: Zarya, (Russisch voor dageraad) verzorgt de energievoorziening, opslagruimte en bijsturing tijdens de beginfase van de bouw van het ruimtestation. Deze module is tussen 1994 en 1998 gebouwd en gefinancierd door de VS. Zarja is gelanceerd op 20 november 1998. Zarja heeft een lengte van 12,56 m, een diameter van 4,11 m en een massa van 19 323 kg. Na het in baan brengen van de module traden er problemen op met de stroomvoorziening, maar die konden eenvoudig worden opgelost.

Unity Op 4 december 1998 lanceerden de Amerikanen de Unity-module (Engels voor Eenheid) aan boord van de Spaceshuttle Endeavour. Een dag later, op 5 december, werd de koppeling tussen Zarja en Unity ingezet en op 12 december was deze voltooid. De Unity-module beschikt over een zestal koppelingspoorten waaraan later andere modules worden bevestigd. De Unity-module heeft een lengte van 5,49 m, een diameter van 4,57 m en een massa van 11 612 kg.

Zvezda thumb|Ruimtetoilet van de Zvezda-module De Zvezda-module (Russisch voor ster) werd op 12 juli 2000 gelanceerd vanaf Bajkonoer. Als gevolg van de ernstige financiële problemen bij de Russen werd deze lancering niet verzekerd en was er geen back-up. Omdat de NASA dat erg riskant vond bouwden ze de Interim Control Module voor het geval dat de lancering van Zvezda zou mislukken of ernstige vertraging zou oplopen. De lancering van Zvezda verliep echter probleemloos.

Naast een cilindervormig werkcompartiment beschikt Zvezda over slaapplaatsen voor twee bemanningsleden, een fitnessruimte, een ruimtetoilet, een luchtsluis en een drukloze werkplaats. Verder beschikt ze over apparatuur voor lucht- en waterzuivering. Een op de grond beproefde methode om water uit urine terug te winnen bleek in het ISS echter onmogelijk. De dichtheid van beenderen in microzwaartekracht neemt af. Hierdoor scheidt het menselijk lichaam meer calcium via de urine uit. Het bezinksel verstopte de apparatuur.Reis naar Mars mogelijk levensgevaarlijk op NewScientist.nl, 23 oktober 2014, geraadpleegd 29 november 2016. Gearchiveerd op 30 november 2016. Zvezda heeft een lengte van 13,10 m, een diameter van maximaal 4,15 m en een massa van 19 050 kg.

Destiny Het Destiny Laboratory werd op 7 februari 2001 gelanceerd en doet dienst als laboratorium. Er wordt onder andere (fundamenteel) onderzoek gedaan naar materialen en ziekten waarbij afwezigheid van zwaartekracht nodig is. Verder beschikt Destiny over systemen voor temperatuur- en luchtvochtigheidsbeïnvloeding. De bouw van het laboratorium is in 1995 begonnen door Boeing, het heeft een lengte van 8,53 m, diameter van 4,27 m en een massa van 14 515 kg.

Quest Joint Airlock Op 12 juli 2001 werd de Quest Joint Airlock Module gelanceerd. Deze module is hoofdzakelijk bedoeld als geavanceerde luchtsluis om ruimtewandelingen te vereenvoudigen. Intern zijn er in de Airlock twee compartimenten te onderscheiden. De "Equipment lock" dient voor de opslag van ruimtepakken en apparatuur en vanuit de "Crew lock" kunnen astronauten de ruimte betreden. Dit systeem is net als de robotarm gebaseerd op Space Shuttle-techniek, maar verder verfijnd om lekkage van zuurstof te verminderen. De lengte van de Airlock is 5,50 m, de diameter is 4,00 m en de massa is 6064 kg.

Harmony (Node 2) Node 2, omgedoopt naar Harmony, is op 26 oktober 2007 aan het ISS gekoppeld. De module werd gebracht met Spaceshuttle Discovery-vlucht STS-120. Node 2 is gekoppeld aan Destiny. Het Europese ruimtelaboratorium Columbus en het Japanse Kibō-laboratorium zijn in 2008 aan Harmony gekoppeld. Tevens kon er een Multipurpose Logistics Module aan worden bevestigd. PMA-2 was de voornaamste koppelpoort voor de Spaceshuttle, en zit aan het uiteinde bevestigd. In 2016 en 2018 zijn op PMA-2 en PMA-3 International Docking Adapters IDA-2 en IDA-3 geplaatst die het mogelijk maken dat de Dragon 2 (zowel Cargo- als Crew-uitvoeringen) en de Starliner bij het ISS kunnen aankoppelen.

De Nadir- en de Zenit-poort op Node 2 worden gebruikt voor Cygnus- en HTV-vrachtschepen. Eerder werd ook de in 2020 buiten gebruik gestelde Dragon 1 er aangekoppeld.

Poisk (MRM-2)