Guillaume (Willem) Groen van Prinsterer (Voorburg, 21 augustus 1801 - Den Haag, 19 mei 1876), zoon van Petrus Jacobus Groen van Prinsterer en Adriana Hendrika Caan, was een antirevolutionair Nederlands politicus, abolitionist en historicus.

Groen van Prinsterer was kabinetssecretaris (1829-1836), lid van de Kamer van Grondwetsherziening (1840) en lid van de Tweede Kamer (1849-1857, 1862-1866).

Groen als grondlegger van de protestants-christelijke politiek thumb|Guillaume Groen van Prinsterer (door Dirk Sluyter) Christelijk politiek denken gaat terug tot Augustinus’ De Civitate Dei en misschien nog verder, maar Groen van Prinsterer wordt door vriend en vijand gezien als de grondlegger van de protestants-christelijke politiek in Nederland. Groen streed tegen ongeloof en revolutie in staat en kerk en kwam op voor het christelijk onderwijs, dat destijds niet gesubsidieerd werd en door de liberalen werd afgewezen als schadelijk voor de nationale eenheid. Hij legde de fundamenten voor de Anti-Revolutionaire Partij, die na zijn overlijden zou worden opgericht.

De literatuur over Groen van Prinsterer is vrijwel alleen door geestverwanten geschreven. Over Groen is nog steeds geen moderne wetenschappelijke biografie verschenen. Groens tegenspeler Thorbecke kreeg in 2004 zijn wetenschappelijke biografie, die gebaseerd is op veel nieuw bronnenmateriaal. De biografieën van de historicus Gerrit Schutte uit 1976 en van Roel Kuiper uit 2001 hebben het grote publiek als doelgroep en voegen in wetenschappelijk opzicht weinig toe. Wel munt Kuipers biografie uit door wetenschappelijk verantwoorde documentatie en is zij mede gebaseerd op nieuw onderzoek in Groens ongepubliceerde nagelaten geschriften die in 1990/91 zijn uitgegeven. Daardoor werpt het boek nieuw licht o.a. op de voorgeschiedenis van de Onderwijswet van 1857.

Groen als publicist Groen groeide op in een verlicht-conservatief Waals-hervormd gezin. Hij studeerde in Leiden samen met Johan Rudolph Thorbecke, die later zijn grote politieke tegenstander zou worden. Na zijn studie trad hij in 1828 in het huwelijk met Betsy van der Hoop. Hun huwelijk bleef kinderloos. Groen ging werken voor het Kabinet van de Koning en verhuisde daarom met zijn vrouw naar Brussel. Daar kwamen zij dankzij hun predikant J.H. Merle d’Aubigné onder de invloed van de internationale geestelijke opwekkingsbeweging het Réveil. Een bekende vertegenwoordiger van het Réveil in Nederland was de theatraal tegendraadse dichter en reactionair Willem Bilderdijk. Een andere voorman van het Réveil was de tot het christendom bekeerde Jood Isaäc da Costa. Die schreef in 1823 het reactionaire pamflet Bezwaren tegen den geest der eeuw. Groen zou de Réveilbeweging later in antirevolutionaire richting leiden.

In oktober 1829, toen Groen inmiddels naar Den Haag was teruggekeerd, bracht hij anoniem het blad Nederlandsche Gedachten uit. Hierin verzette Groen zich tegen de ‘revolutiegeest’ die in 1830 tijdens de Belgische opstand in alle hevigheid uitbarstte. Het jaar 1829 kunnen we daarom beschouwen als het geboortejaar van de antirevolutionaire richting, lang eer er sprake was van een politieke partij. Politieke partijvorming in de huidige zin des woords was toen nog geheel onbekend. De naam Nederlandsche Gedachten slaat ook op het nationalistische karakter van het blad. Groen wilde het volk van Nederland opwekken tot een nationaal besef, waarin hij in de 19e eeuw niet alleen stond, maar hij identificeerde de Nederlandse identiteit meer dan de liberalen met het protestantisme en de rol van Oranje in de geschiedenis. Aan de populariteit van de drieslag God, Nederland en Oranje ('een drievoudig snoer dat niet spoedig verbroken zou worden') heeft Groen in belangrijke mate bijgedragen. In diverse publicaties in 1829 en 1830 introduceerde hij de tegenwoordig zeldzame term burgerzin, die zoals hij die bezigde vooral verband hield met het door hem voorgestaan (Nederlands) nationalisme. Later heeft deze term ook andere betekenisnuances gekregen.

Vanaf 1837 steunde Groen de afgescheidenen, die zich in 1834 hadden losgemaakt van de Nederlandse Hervormde Kerk. Net als de afgescheidenen had Groen kritiek op het Algemeen Reglement van 1816, dat de koning veel invloed gaf in de kerk en op de opkomende vrijzinnigheid. Groen wilde niet met de Nederlands Hervormde Kerk breken, maar de Gereformeerde Gezindte in de Hervormde Kerk en daarbuiten verenigen in zijn strijd tegen de vrijzinnigheid in de kerk, in de staat en in de maatschappij. Hij zag wel bondgenoten in de afgescheidenen, die echter in het algemeen behoorden tot de zgn. 'kleine luyden', die toen geen stemrecht bezaten, terwijl Groen tot de elite van de Nederlandse samenleving behoorde en geen talent had voor het populariseren van zijn gedachtegoed. Groen is dan ook wel gekenschetst als ‘generaal zonder leger.’ Hij hield zich liever bezig met vraagstukken als het karakter van de Nederlandse natie dan met de gereformeerde confessie. De Anti-Revolutionaire richting was in de ogen van Groen ook een kerkelijke richting: Le parti anti-révolutionnaire et confessionnel dans l'eglise Réformée des Pays-Bas.

In 1846 verscheen Groens Handboek der geschiedenis van het vaderland. Het Handboek was mede gebaseerd op archiefonderzoek van Groen. Hij was in 1836 als archivaris aangesteld van het Koninklijk Huisarchief en ontsloot in die hoedanigheid de correspondentie van de prinsen van Oranje. Volgens historicus Gerrit Jan Schutte waren dit Handboek en vooral Ongeloof en Revolutie, dat in 1847 verscheen, niet alleen historische studies, maar ook politieke manifesten. Het Handboek moest Groens calvinistisch-orangistische nationalisme ondersteunen. Ongeloof en Revolutie was vooral een aanval op het liberalisme.

Ongeloof en Revolutie is Groens hoofdwerk. Het was een bundeling van een serie voorlezingen die Groen in de winter van 1845-1846 hield voor een select groepje geestverwanten. Volgens Groen-biograaf Roel Kuiper is Ongeloof en Revolutie ‘Geen muziek om van het blad te zingen’. Groen schrijft namelijk niet gemakkelijk. Hij verwees vaak naar buitenlandse schrijvers als Edmund Burke, François Guizot, F.J. Stahl en Jules Michelet, citeerde in het Frans en in het Latijn, bezigde soms telegramstijl en bediende zich herhaaldelijk van de samentrekking en de onvolkomen zin, bijvoorbeeld: “De Christen kent een beginsel, dat vastheid aan de wetenschap geeft; dat opgevolgd, genoegzaam zou zijn om de wankelende staatsgebouwen op onwrikbaar fundament te herstellen.” De rode draad in Ongeloof en Revolutie is Groens verzet tegen de ‘revolutionaire’ staat die gebaseerd is op de door hem afgewezen volkssoevereiniteit. Volgens hem is alleen God soeverein en is al het gezag van Hem afkomstig. Een staat die geen rekening houdt met God, de Schrift en de historie kan volgens hem alleen maar leiden tot tirannie. Groens visie daarentegen kan volgens zijn critici leiden tot theocratie en absolutisme. Groen zou zich echter na 1848 en vooral na 1857 in democratische richting ontwikkelen.

Nadat Groen in 1832 de uitgave van Nederlandsche Gedachten wegens de kosten had moeten staken, vond hij incidenteel een podium in de Utrechtse krant De Nederlander. De uitgever benoemde hem in 1850 tot onbezoldigd hoofdredacteur, waarna hij de inhoud in Anti-Revolutionaire zin omboog. De verliezen bedroegen 5000 gulden per jaar en alleen dankzij de vermogende weduwe Zeelt uit Baanbrugge, die ook de Afscheiding had gefinancierd, kon Groen het bestaan van De Nederlander rekken tot 1855.1. Naar een eigen dagblad, De mannen achter De Standaard, J.A.J. Prast, p. 27 De oprichting van een nieuwe Anti-Revolutionaire krant maakte hij nog mee en hij weerhield Kuyper ervan het blad "De Geus" te noemen.

Groen als parlementariër In 1849, een jaar na de grondwetswijziging, kwam Groen in de Tweede Kamer. Hij was buitengewoon lid van de Tweede Kamer van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840 (voor Holland).G. (Willem) Groen van Prinsterer op parlement.com. Gearchiveerd op 7 februari 2023. Groen had kritiek op de grondwet van Thorbecke, omdat deze niet christelijk zou zijn. Het betrof echter vooral de ‘revolutionaire geest’ van deze grondwet. Praktisch had Groen veel minder bezwaar. Wanneer we alleen afgaan op zijn denkbeelden zouden we Groen voor een hele of halve absolutist kunnen verslijten, vooral vóór 1848. Tot dat jaar hing Groen Carl Ludwig von Hallers privaatrechtelijke opvatting over het overheidsgezag aan, waarin het gezag werd opgevat als onvervreemdbaar bezit van de gezagsdrager. Kort na 1848 stapte Groen hiervan af, toen hij kennisnam van de ideeën van F.J. Stahl. Stahl verkondigde een publiekrechtelijke opvatting over het gezag, die inhield dat het gezag van de staat op Gods gebod van rust en orde, ten dienste van de publieke gerechtigheid. Groen ontwikkelde zich tevens tot een gedegen parlementariër. Hij stelde daarbij de Thorbeckeaanse visie op de spelregels van de politiek ter discussie. Groens juridische benadering verschilde van de aanpak van zijn vriend Da Costa, die politiek vooral zag als 'getuigen'.

Volgens de historicus Henk te Velde werkten Groen en Thorbecke op deze manier onbedoeld samen aan het ontstaan van een parlementaire cultuur in Nederland. Thorbecke omdat hij de grondwet schreef en de spelregels bedacht waaraan parlementariërs zich zouden moeten houden, zoals de onafhankelijkheid van de gekozene en de rationaliteit van de discussie; Groen omdat hij deze spelregels bekritiseerde, zich zodoende opwierp als de vertegenwoordiger van de orthodoxe protestanten en zei dat geloofsaangelegenheden ook in de politiek thuishoorden. Volgens Roel Kuiper heeft Groen op deze manier bijgedragen aan de cultuur van debat en oppositie. Groen eiste het recht van oppositie op. Die had in het Engelse parlement al een erkende plaats, maar in het Nederlandse parlement nog niet. Thorbecke en de zijnen keken te veel naar het Franse en Belgische voorbeeld, waar de regering het parlement domineerde.

Ondanks de ideologische verschillen waren Groen en Thorbecke in meerdere opzichten aan elkaar verwant. De calvinistische Groen en de lutheraan Thorbecke waren relatieve buitenstaanders, die het belang inzagen van een goede volksvertegenwoordiging, openbaarheid van het politieke leven en een werkelijk constitutionele monarchie. F.A. van Hall was volgens Henk te Velde wat dit betreft de werkelijke tegenstander van Thorbecke. De conservatief-liberale Van Hall wilde namelijk niet al te moeilijk doen over parlementaire regels en regelde de zaken liever in de achterkamertjes. Groen was misschien niet altijd even praktisch, plaatste zich met zijn principiële betogen dikwijls buiten de discussie en deed voorstellen die bijna altijd met grote meerderheid werden weggestemd. Thorbecke vond het desondanks plezierig om met hem te debatteren, terwijl hij Van Halls manier van politiek bedrijven verfoeide.

Groen heeft zich als parlementariër ingezet voor protestants-christelijk onderwijs. Groen veranderde dikwijls van standpunt. Eerst wilde hij een protestants-christelijke openbare school; vervolgens ging hij pleiten voor gesplitste openbare scholen (voor protestanten, katholieken en joden); toen dit ten slotte ook niet haalbaar bleek, werd hij een voorstander van financieel gelijkberechtigd bijzonder onderwijs. De omslag in het denken van Groen vond plaats in 1857. In dit jaar werd de onderwijswet van Van Brugghen aangenomen waarin gesteld werd dat het onderwijs algemeen-christelijk moest zijn. Een christendom boven geloofsverdeeldheid was volgens Groen veel te onbepaald. Hij was nu van mening dat onderwijs op protestants-christelijke grondslag op bijzondere scholen moest worden gegeven, maar ook dat openbaar onderwijs neutraal moest worden (liever dan algemeen-christelijk) en zich moest onthouden van geestelijke beïnvloeding van de bevolking. Volgens de historicus R.S. Zwart was het voor Groen dus alles of niets.