Het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal onderscheidt 22 betekenissen.
voorwerp ondersteek, een po (voorwerp) voor bedlegerige patiënten steek (schop), een soort spade steek (hoofddeksel) bepaald soort hoofddeksel met opgeslagen randen tweekantige steek, een punthoed met twee punten driekantige steek, een punthoed met drie punten handeling steek (beweging), het steken met een voorwerp steek (volleybal), een techniek bij volleybal insectensteek, bijvoorbeeld van een wesp bouwkunde steek (trap), recht gedeelte van een trap diaklaas, een scheur in natuursteen de afstand tussen het hoogste punt van een segmentboog en de lijn die de geboorten van de boog verbindt, zie boog (bouwkunde)
anders steek (handwerk), een lus gemaakt met een draad zie ook borduursteek een scherpe plotselinge pijn een manier van knopen, zie knoop (touw) steek (lengtemaat), een bepaalde maat de afstand van hart tot hart tussen twee molenkammen, zie kam (molenwiel) een afstandsmaat bij kettingen zoals voor een fietsketting, zie kettingaandrijving