De Russische Revolutie (Russisch: , Russkaja revoljoetsija) was een grootschalige omwenteling in het keizerrijk Rusland tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw. In zekere zin was er sprake van een reeks van revoluties. Deze hadden de verdwijning van het tsaristische regime en de oprichting van de Sovjet-Unie, de eerste communistische staat ter wereld, tot gevolg. Bij de Februarirevolutie in 1917 werd de tsaar afgezet en vervangen door de Voorlopige Regering. Bij een volgende machtsgreep, de Oktoberrevolutie, werd de Voorlopige Regering vervangen door een bolsjewistische (communistische) regering onder leiding van Vladimir Lenin. Hierna brak er een burgeroorlog uit tussen de "Roden" (bolsjewieken/communisten) en de "Witten" (liberalen, mensjewieken, sociaal-revolutionairen en Russische adel) en "Zwarten" (anarchisten van Nestor Machno), die meerdere jaren duurde. Uiteindelijk wonnen de bolsjewieken. Op deze manier had de revolutie de weg vrijgemaakt voor de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR).

De Russische Revolutie was een van de meest ingrijpende gebeurtenissen van de twintigste eeuw. De bolsjewieken streefden naar een totale herstructurering van maatschappij en economie. Het was hun bedoeling een wereldrevolutie tot stand te brengen.

Oorzaken en uitkomst Zoals iedere grote omwenteling had ook de Russische Revolutie tal van oorzaken, waaronder de rigiditeit van het politiek bestel. De liberaal Peter Struve was van mening dat de wortels van de revolutie waren gelegd tijdens het bewind van keizerin Anna (1730 t/m 1740). Om de troon te verwerven had Anna verregaande beloften aan de adel moeten doen waardoor de macht van de tsaar dan wel tsarina sterk werd beperkt. Kort na haar troonsbestijging verklaarde zij haar toezeggingen nietig. Een volgende poging om de macht van de tsaar te beperken vond pas plaats in 1825 tijdens de Dekabristenopstand.

Richard Pipes wijst erop dat de aanwezigheid van een intellectuele elite, de intelligentsia, een noodzakelijke voorwaarde is voor een revolutie. Zonder politiek program, zonder ideologie kan geen revolutie plaatsvinden. "Opstanden gebeuren bij toeval; revoluties worden gemaakt." (1991): The Russian Revolution, first Vintage Books edition, Vintage Books, New York, p.121. Kenmerkend voor Rusland was het bestaan van een relatief grote en actieve groep radicale intellectuelen, die er bewust naar streefde aan de macht te komen.

Een complex van factoren was de oorzaak van het verloop van de gebeurtenissen en het uiteindelijk resultaat van de revolutie. Orlando Figes wijst op de afwezigheid van onafhankelijke staatsinstellingen naast de monarchie, de geringe invloed van liberalen, de geïsoleerdheid van de boerenmassa en het fanatisme van de revolutionaire beweging in Rusland.

De revolutie leidde uiteindelijk niet tot een democratischer of liberaler regime in Rusland. Integendeel, de despotie van de tsaren bleek niet opgewassen tegen de combinatie van binnenlandse spanningen en een moderne oorlog. De anarchie die op de ineenstorting van het regime volgde, maakte de weg vrij voor de stalinistische dictatuur.

Afbakening Grote historische gebeurtenissen hebben zelden een duidelijk afgebakend begin- en eindpunt. De Russische Revolutie is wat dat betreft geen uitzondering. Veel studies behandelen hoofdzakelijk de gebeurtenissen in de jaren 1917, 1918, 1919 en 1920. Orlando Figes en Richard Pipes komen allebei tot een ruimere invulling van het begrip. Pipes constateert dat er vanaf de jaren 60 van de negentiende eeuw een revolutionaire beweging in Rusland actief was. Nadat de bolsjewieken de burgeroorlog in 1922 hadden gewonnen, duurde het enkele jaren voordat zij hun politiek program daadwerkelijk konden uitvoeren. Pas aan het eind van de jaren 20 kregen de revolutionairen de kans hun ideologie in de praktijk te brengen. Pipes ziet de dood van Stalin (1953) als het keerpunt: het door de revolutie opgebouwde systeem werd nadien gaandeweg afgebroken.

Voorgeschiedenis Het Russische Rijk was aan het einde van de negentiende eeuw een van de weinige landen in Europa waar de macht van de vorst vrijwel onbeperkt was. Sinds 1613, het jaar waarin de bojaren de kroon aan Michaël I hadden aangeboden, werd het land geregeerd door de Romanovs. Zij hadden het rijk in alle windrichtingen uitgebreid.

Rond 1900 telde het Russische Rijk ongeveer 126 miljoen inwoners. In 1897 was er voor het eerst een volkstelling gehouden. Volgens de telling waren de 56 miljoen Russen (Groot-Russen) weliswaar de grootste nationale groep binnen het rijk, maar desondanks een minderheid. Andere Oost-Slavische volkeren waren de Oekraïners of Klein-Russen en de Wit-Russen. Door de 22 miljoen Oekraïners en de Wit-Russen als Russen te beschouwen - zoals de regering deed - leek de meerderheid van de bevolking uit Russen te bestaan. Iedere oprisping van Oekraïens nationalisme werd door de regering onderdrukt. (1995): Russia under the bolshevik regime, first Vintage Books edition, Vintage Books, New York, p.141,142.

Naar omvang was het Russische Rijk de vijfde economie ter wereld. Ruim driekwart van de bevolking was boer. De landbouw was de belangrijkste sector van de economie. Rusland exporteerde hoofdzakelijk landbouwproducten.

De politieke en sociale structuur van Rusland verschilde fundamenteel van West-Europese staten. De bureaucratie was zeer machtig, de sociale mobiliteit gering. Het rijk probeerde een leidende rol te spelen in de internationale politiek; het was een van de grote mogendheden. Om internationaal bij te blijven was modernisering van de economie noodzakelijk; die was dan ook relatief modern en dynamisch. De dynamiek van de economie ondermijnde de traditionele, rigide structuren. In de praktijk beperkte ook de uitgestrektheid van het rijk de macht van de tsaren. Veel beslissingen werden feitelijk genomen door de bureaucratie.

Peter de Grote (1682-1725) had de positie van de tsaar in zijn militaire verordening van 1716 als 'onbeperkt' en 'autocratisch' soeverein vastgelegd. Zijn verordening bleef tot het begin van twintigste eeuw van kracht. Ook alle wetgevende macht berustte bij de tsaar. Het idee van een grondwet, die hun macht zou beperken, was de meeste tsaren een gruwel. Peter de Grote had Rusland ook een nieuwe hoofdstad gegeven: Sint-Petersburg. Midden in de Neva had hij de Petrus- en Paulusvesting laten bouwen. De vesting was het symbool van het autocratisch bewind van de tsaren. Binnen de vesting was ook de beruchte gevangenis, waar vele politieke gevangenen gevangen werden gehouden.

Alexander II en Alexander III In 1861 schafte tsaar Alexander II de lijfeigenschap af. De boeren moesten hoge belastingen betalen aan de overheid en schadevergoedingen voor de afschaffing van de lijfeigenschap betalen aan de edellieden. De voormalige lijfeigenen konden een stuk land kopen en sloten daarvoor hypotheken af, waarvoor ze rente aan de bank moesten betalen. De bevrijde boeren werden eigenaar van kleine stukjes land of pachtten land van de grootgrondbezitters.Figes, blz. 81–94. De 75 miljoen agrarische gezinshoofden bezaten gezamenlijk slechts 1/3 van het land, terwijl de rest in eigendom bleef van de grootgrondbezitters, zoals de adel, de keizerlijke familie en de kerk. De vrijmaking van de boeren zorgde daardoor niet voor een grote verbetering voor de boeren. Voornamelijk studenten en andere "intelligentsia" sloten zich aan bij de narodniki. Idealistische leden van de intelligentsia, veelal afkomstig uit de middenklasse, hoopten het leven van de boeren te verbeteren. Tegelijkertijd idealiseerden zij het boerenleven. De narodniki moesten hun activiteiten in het geheim ontplooien. De autoriteiten bezagen hen met groot wantrouwen. Velen van hen werden naar Siberië verbannen. De organisatie Narodnaja Volja (Volkswil) voerde op 1 maart 1881 een aanslag uit op tsaar Alexander II. De narodniki gooiden twee bommen naar de keizerlijke koets, waarbij Alexander II om het leven kwam.

De opvolger van Alexander II, tsaar Alexander III, sloeg deze groepen met grof geweld neer. Vele opstandelingen werden naar Siberië getransporteerd. Veel latere communisten, onder wie Vladimir Lenin, Jozef Stalin en Lev Trotski, zaten in Siberië vast. Alexander III draaide de decentralisering van zijn vader terug en verving het door het oude, bureaucratische, centrale bestuur. De elite die het rijk bestuurde, had een uitgesproken aristocratisch karakter. Dit gold in het bijzonder voor de hoogste rangen van de bureaucratie. Om carrière te maken binnen de bureaucratie was het van groot belang om over de juiste relaties te beschikken. Bijna iedereen die tot deze elite behoorde, was lid van de keizerlijke zeilvereniging. De elite en de boeren waren verregaand van elkaar vervreemd. De elite was sterk verwesterd en stond onder invloed van westerse ideeën. De boerenmassa was het oude Rusland trouw gebleven. De boeren betaalden belasting en dienden in het leger, maar zagen de staat als een vijandige macht.

In 1891 werd het zuidoosten van Rusland, het gebied rond de Wolga, getroffen door een zware hongersnood. Er was in de winter weinig sneeuw gevallen, terwijl de vorst vroeg was ingetreden. Er volgde een lange zomer waarin heel weinig regen viel. Op veel plaatsen viel er gedurende drie maanden geen regen. Een groot deel van het vee stierf; de roggeoogst bedroeg in de zwaarstgetroffen regio nog niet het twintigste van een gemiddelde oogst. Zeventien provincies tussen de Oeral en de Zwarte Zee werden door de ramp getroffen. In het getroffen gebied leefden 36 miljoen mensen. Velen van hen vluchtten weg. In 1892 sloegen cholera en tyfus toe; ongeveer een half miljoen mensen vond als gevolg hiervan de dood. Er kwam grote kritiek op de overheid, omdat die pas medio augustus een exportverbod op graanproducten invoerde.Figes, blz. 211–220.David P. Lilly: The Russian Famine of 1891-92. The Student Historical Journal 1994-1995.

Nicolaas II Alexander III overleed in 1894 en werd opgevolgd door zijn zoon, Nicolaas II. Nicolaas was een gelovig man, in zichzelf gekeerd en ervan overtuigd dat hij net als alle andere tsaren de door God aangewezen autocraat van Rusland was en dat hij daardoor niemand verantwoording schuldig was. Nicolaas II zei in 1902: “Ik beschouw Rusland als privaat grondbezit, waarvan de tsaar de eigenaar is, de adel het bestuur, en de boeren de arbeiders.”Figes, blz. 68. De tsaar zag zichzelf als de belichaming van God op aarde. Hij stond daarom boven de wet en regeerde volgens zijn eigen opvattingen.Figes, blz. 33. Nicolaas II beweerde dat zijn beleid “door God was ingegeven”.Figes, blz. 35. Tot 1905 was het strafbaar om van de Russisch-orthodoxe kerk over te stappen naar een ander geloof of andere christelijke stromingen. Filosofische en religieuze boeken werden gecontroleerd door de kerkelijke censuur. Overspel en "godslastering" werden berecht in kerkelijke rechtbanken.Figes, blz. 101 en 102. De kerkelijke rechtbanken veroordeelden ook mensen wegens toverij.Figes, blz. 301.

Al bij het aantreden van Nicolaas II in mei 1896 ging het verkeerd. Op het Chodynkaveld, even buiten Moskou, vond op 18 mei 1896 een groot feest plaats naar aanleiding van de kroning. Tijdens de feestelijkheden waren gratis kroningssouvenirs te verkrijgen - bekers, glazen en doeken - en er deden geruchten de ronde dat er zelfs vee en huisjes weggegeven werden. Op het feest kwam een half miljoen mensen af. In de drukte ontstond paniek, waarbij meer dan duizend mensen werden doodgedrukt. Nicolaas en Alexandra besloten echter de festiviteiten daarna niet af te gelasten, maar door te feesten. Veel Russen schilderden deze keuze af als een gebrek aan empathie voor land en volk. Nicolaas II en zijn vrouw hadden meteen een slechte naam.Artikel over Russische Revolutie op Historiek, met bronnen