thumb|Johann Sebastian Bach thumb|Aanbidding van Christus - Matthias Stom Het Weihnachtsoratorium (BWV 248) (Kerstoratorium; Oratorium Tempore Nativitatis Christi) is een oratorium, bestaande uit zes afzonderlijke, maar inhoudelijk verbonden werken, soms aangeduid als cantates, waarvan de muziek is geschreven door Johann Sebastian Bach voor de periode van kerst 1734 tot en met Driekoningen 1735. De teksten zijn ontleend aan het Evangelie volgens Lucas en het Evangelie volgens Matteüs, en waarschijnlijk geschreven door librettist Picander (pseudoniem van Christian Friedrich Henrici).
Cantate en oratorium De zes delen van dit 'Oratorium' functioneerden als cantate gedurende de zes vieringen die in de kersttijd (tussen 25 december en 6 januari) in Leipzig werden uitgevoerd. Toch is het volgens Alfred DürrAlfred Dürr (1973), Johann Sebastian Bach: Weihnachtsoratorium. Eine Einführung, toelichting bij de grammofoonplaatopname van Nikolaus Harnoncourt onjuist om, zoals wel gebeurt, de afzonderlijke delen van het Kerstoratorium als cantate aan te duiden. Ook al werden ze apart uitgevoerd, ze staan niet los van elkaar. Ook Bach spreekt niet van cantate, maar van deel. Bach en de librettist leggen ook geen verband met de Bijbelpassages die voor de betreffende dag voorgelezen moesten worden - wat bij een cantate meestal wel het geval is - om een continue verhaallijn tussen de delen te behouden (zie onderdeel Tekst).
Bron Het Kerstoratorium ontstond in dezelfde periode als de twee andere werken die Bach als oratorium aanduidde: het Hemelvaartoratorium en het Paasoratorium. De drie oratoria hebben een doorlopende actie gemeen. In het Paasoratorium wordt dit bereikt door de introductie van een quasi-dramatisch spel van mensen die 'live' verslag doen van de Opstanding en de emoties die dat bij hen veroorzaakt. In het Kerst- en Hemelvaartoratorium is er een verteller, de evangelist. In alle drie werken maakt Bach gebruik van composities uit voorgaande jaren: het Paasoratorium kwam voort uit één enkele verjaardagscantate (Entfliehet, verschwindet, entweichet, ihr Sorgen, BWV 249a), waarvoor, naast het gebruik van een andere tekst, de aria's en het koor werden bewerkt en nieuwe recitatieven werden gecomponeerd; het Kerst- en Hemelvaartoratorium werden samengesteld uit verschillende werken van verschillende soort.
Toen Bach het oratorium componeerde had hij waarschijnlijk de populaire voorbeelden van de Weihnachtshistorien van Sebastian Knüpfer (Von Himmel hoch da komm ich her) en Johann Schelle (Actus musicus auf Weyh-Nachten) voor ogen.Christoph Wolff (red) (2003), De wereld van de Bach cantates, Abcoude, Uitgeverij Uniepers Een belangrijke voorloper van de Weihnachtshistorien van Knüpfer en Schelle was de Historie der Geburt Christi (SWV 435) die Heinrich Schütz in 1664 schreef. Ook tijdgenoten van Bach schreven Kerstoratoria, zoals Johann Heinrich Rolle (Oratorium auf die Geburt unsers Heilandes Jesu Christi) en Carl Heinrich Graun (Oratorium in Festum Nativitatis Christi).
Een aanzienlijk aantal delen van het Kerstoratorium zijn gemaakt door de tekst van eerder gecomponeerde wereldlijke cantates te veranderen: Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! (BWV 214), Felicitatiecantate voor de verjaardag van Keurvorstin-Koningin Maria Josepha op 8 december 1733 (daaruit de oratoriumdelen 1, 8, 15, 24) - dit verklaart ook de begeleiding met pauken en trompetten. Laßt uns sorgen, laßt uns wachen. Herkules auf dem Scheidewege (BWV 213), cantate voor de verjaardag van de Keurprins Friedrich Christian op 5 september 1733 (daaruit de oratoriumdelen 4, 19, 29, 36, 39, 41) Een verloren geestelijke cantate (BWV 248a) voor een niet bekende bestemming (daaruit de oratoriumdelen 54, 56, 57, 61-64) Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215) (hieruit het oratoriumdeel 47) Een verloren cantate (hieruit het oratoriumdeel 51) Lasset uns nun gehen gen Bethlehem en Wo ist der neugeborne König zijn mogelijk bewerkingen van Ja nicht auf das Fest en Pfui dich uit de (verloren gegane) Markus-Passion uit 1731.
De eerste vier delen van het oratorium zijn dus vooral gebaseerd op de drie wereldlijke cantates, de vijfde is vrijwel helemaal origineel en de zesde is op een enkele, verloren gegane kerkcantate gebaseerd. Met het opnemen van grote delen uit de drie (gelegenheids)cantates in het Kerstoratorium kon Bach ze tevens verduurzamen.Pieter Dirksen (2002), J.S. Bachs Weihnachtsoratorium, inleiding bij de opname van de Nederlandse Bachvereniging Belangrijke redenen voor Bach om deze cantates te kiezen waren de kwaliteit ervan en het feestelijke karakter, dat eenvoudig te vertalen was naar het kerstverhaal.
Tekst thumb|Darmstädter Madonna - Hans Holbein de Jonge
Tekstanalyse en tekstpatronen wijzen op een overeenstemming tussen de tekst van het Kerstoratorium en de teksten van de wereldlijke cantates waar het Kerstoratorium een parodie van is. Onduidelijk is waarom Picander de teksten niet heeft opgenomen in zijn vijfdelige tekstverzameling; mogelijk heeft de grote invloed van Bach op de tekst hem ervan weerhouden de teksten op te nemen in een verzameling eigen werk.
Met het gebruik van Bijbelse passages en een Evangelist sluit Bachs Kerstoratorium aan bij de Lutherse historia en de passie-oratoria. De zes delen waaruit het oratorium bestaat en die bestemd waren voor de zes feestdagen tussen kerst en Driekoningen, vervingen de cantates die anders uitgevoerd zouden zijn geweest.
De belangrijkste teksten voor kerst zijn die over de geboorte van Christus, de belevenissen van de herders, de naamgeving en de wijzen (Lucas 2:1-20 en Matteüs 2:1-12) De teksten van Lucas en Matteüs hebben beide niet veel dramatische dialoog tussen personen of groepen; daarmee ligt de nadruk in het oratorium meer op het vertellen en op de contemplatie. De verdeling in de oratoriumtekst volgt in het algemeen de voorgeschreven lezingen uit het Evangelie, maar niet in alle onderdelen. Johannes 1:1-14 voor de derde kerstdag, behoort niet direct bij de kerstboodschap, evenals de Bijbellezing voor de zondag na Nieuwjaar (Matteüs 2:13-23) over de vlucht naar Egypte, die wel aan het slot had kunnen worden geplaatst, maar niet vóór de vertelling over de drie wijzen, die te eng is verbonden met het feest Driekoningen om haar ervan te scheiden. Als 'opvulling' van de weggevallen teksten wordt de traditionele lezing van de eerste kerstdag verdeeld over de eerste en de tweede feestdag, de lezing van de tweede kerstdag verschoven naar de derde feestdag en het verhaal van de wijzen verdeeld over de zondag na kerst en Driekoningen. Voordeel hiervan is dat de verkondiging van Christus' geboorte aan de herders een eigen deel krijgt toebedeeld (tweede deel), waarin de herderlijke sfeer (beginnend met Bachs beroemde Hirtenmusik) door instrumentatie en toonaardkeus tot uitdrukking kan worden gebracht.
De muziekstijl hangt samen met de drie afzonderlijke tekstniveaus van het werk: het Bijbelse woord, koraalverzen en vrije teksten. Het Bijbelse woord wordt door de Evangelist (een tenorpartij) secco gezongen, dat wil zeggen als een recitatief begeleid door alleen continuo akkoorden. Ander gesproken woord is niet in seccovorm. Zo begint de engel (sopraan) zijn verkondigende woorden in deel twee (Fürchte euch nicht) met een door violen begeleid recitatief, wat het belang van de mededeling beklemtoont, maar het vervolg van de verkondiging door de Evangelist is dan weer een secco-recitatief. In deel vijf begint de Evangelist in secco-stijl, maar de oudtestamentische woorden van de profeten: "Und du Bethlehem", worden arioso uitgevoerd. Het spreken van meerdere personen is als regel in de vorm van koren (uitgezonderd de genoemde tekst van de hogepriesters), zoals bv. in Ehre sei Gott in der Höhe in deel twee, de woorden van de herders in deel drie (Lasset uns nun gehen gen Bethlehem) en die van de Drie Wijzen in deel vijf (Wo ist der neugeborne König der Jüden?). Bij koordelen op vrije teksten bepaalt de concertvorm de vorm en de opbouw, terwijl de koren op Bijbelteksten in motetvorm zijn, waarbij de instrumenten de zangstemmen volgen of niet-thematisch begeleiden. De vrije teksten zijn voor recitatieven, aria's en koren. Bach benadrukt het meditatieve, beschouwelijke karakter van de recitatieven door de accompagnato-stijl (uitgezonderd So recht, ihr Engel, jauchzt und singet in deel twee), wat ze daarmee tevens onderscheidt van de secco-recitatieven van de Evangelist. De aria's hebben, zoals in Bachs andere werken, hun eigen karakter, dat ze verheft boven de stereotiepe modellen uit dezelfde tijd: virtuoos in Schließe, mein Herze, krachtig in Großer Herr, o starker König, dansant in Bereite dich Zion en Nur ein Wink von seinen Hände en met fugawerking in Ich will nur dir zu Ehren leben. De koren op vrije teksten doen niet onder voor de aria's: levendig en concertant (Jauchzet, frohlocket; Fallt mit Danken; Ehre sei dir, Gott, gesungen), dansant (Herrscher des Himmels) of met fuga-elementen (Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben).
Uitvoering thumb|Thomaskerk te Leipzig Uitvoering door Bach Het werk is in 1734 ontstaan. Dat bewijst de datering op de autograaf en de bewaard gebleven eerste druk. Die eerste druk geeft ook uitsluitsel over de plaats en tijd waar het werk werd uitgevoerd. Deel 1 werd Frühe (d.i. in de ochtend) zu St. Nicolai, de hoofdkerk van Leipzig, uitgevoerd, waar hoofddominee Deyling predikte, en Nachtmittage zu St. Thomae. De volgende dag was de situatie omgekeerd: deel 2 werd 's morgens in de Thomaskerk uitgevoerd en 's middags in de Nikolaikerk. Deel 3 en 5 verliepen overeenkomstig de gewone zondagen: slechts één uitvoering, en die was in de Nikolaikerk. De delen 4 en 6, voor feestdagen – nieuwjaarsdag (besnijdenis) en Driekoningen – zijn weer tweemaal uitgevoerd: 's morgens in de Thomas- en 's middags in de Nikolaikerk.
In 1734 viel de zondag na kerst op de tweede kerstdag, en daarom is er geen speciaal deel voor deze zondag. Hieruit blijkt de toen geldende praktijk: een componist schreef niet met de gedachte een kunstwerk te schrijven dat voor altijd gebruikt moest worden, maar hij ging uit van de eisen van het moment. Een oratoriumdeel voor deze zondag werd daarom niet achter de hand gehouden voor toekomstig gebruik. Evenmin kon deel 5 (de zondag na Nieuwjaar) weggelaten worden in jaren zonder een zondag na Nieuwjaar: qua inhoud is dat deel onmisbaar.
Uitvoeringen in onze tijd Bachs oratorium voor de kersttijd neemt tegenwoordig een prominente plaats in binnen de concertpraktijk, te vergelijken met die van Bachs beide passies, de Johannes-Passion en de Matthäus-Passion. Er zijn in Nederland in de kersttijd overal uitvoeringen van (delen van) Bachs Kerstoratorium, door zowel professionele, al dan niet in barokmuziek gespecialiseerde, ensembles en solisten als door regionale oratoriumverenigingen en (semi-)amateurensembles. Het werk stelt namelijk, zoals bij al Bachs werk, zeer hoge eisen aan de uitvoerders: complexe, meerstemmige koordelen en virtuoze solozang en –begeleiding. Desalniettemin geeft het grote aantal uitvoeringen van het oratorium aan welke grote populariteit het werk geniet en die populariteit blijft niet beperkt tot de liefhebbers van barokmuziek. Ook het Nederlands Kamerkoor voert Bachs Kerstoratorium in deze periode jaarlijks uit, telkens met een ander barokorkest.