miniatuur|Het huidige model, in gebruik sinds 2010. Het Belgisch kenteken, vaak ook nummerplaat genoemd, bestaat sinds 2010 uit een robijnrode combinatie op een witte achtergrond. De combinatie bestaat uit letters, cijfers en streepjes. De volgorde hiervan hangt af van wanneer het kenteken is uitgereikt. De platen worden uitgereikt door de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen.
Geschiedenis Voorgeschiedenis (1893-1899) miniatuur|Een provinciaal belastingplaatje voor een fiets uit Luxemburg in 1988. Fietsen waren de eerste mechanische voertuigen die een soort nummerplaat kregen. Het ging niet om een kentekenplaat, maar om jaarlijkse provinciale belastingplaatjes. Deze werden ingevoerd in 1893, om een eeuw later afgeschaft te worden. Ze varieerden elk jaar in kleur en vorm, en in de beginjaren ook tussen de provincies.
Aan het einde van de jaren 1890 kende een nieuw type voertuig een explosieve groei: het gemotoriseerde voertuig. In 1899 voerde de provincie Henegouwen als eerste een jaarlijkse belastingplaat in voor deze voertuigen. Deze was nagenoeg gelijk aan die van de fietsen, maar ze verschilden in kleur.
Het eerste type (1899-1910) miniatuur|Motorfiets (midden) met het eerste type Belgische kentekenplaat, in Bastenaken anno 1904. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1899 betreffende het weg- en verkeersreglement bepaalde dat alle gemotoriseerde voertuigen een permanente kentekenplaat moesten hebben, naast een eventuele jaarlijkse provinciale belastingplaat. Deze kentekenplaat, die door de overheid werd geleverd, moest op een duidelijk zichtbare plaats aan de voorkant van het voertuig worden aangebracht.
De verspreiding van dit eerste type begon in januari 1900. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen, van motorfietsen tot vrachtwagens, werden uitgerust met hetzelfde type kentekenplaat. Ze kregen allemaal een witte plaat met zwarte tekens. De platen met het getal 1 tot en met 9999 verschilden enigszins van de platen met het getal 10000 tot en met 28000. Het lettertype werd gemoderniseerd en het Belgische wapenschild werd hertekend.
Een internationaal verdrag, in oktober 1909 getekend in Parijs, stelde dat voor internationaal verkeer een plaat met de beginletter(s) van het land van herkomst verplicht werd voor gemotoriseerde voertuigen. Dit verdrag leidde tot het stopzetten van het eerste type, aangezien het opschrift "Belgique" niet langer nodig was. Bovendien moest er voortaan ook achteraan een kentekenplaat aanwezig zijn, inclusief een extra plaat met de "B" van België. De nieuwe reeks werd vastgelegd in het koninklijk besluit van 5 maart 1910.
Het tweede type (1910-1920) Het tweede type was duidelijk verschillend van het eerste. De tekens waren wit op een zwarte achtergrond, met daaronder een dikke witte streep. De verdeling ervan begon in juli 1910. Alle kentekenplaten van het eerste type die toen nog in gebruik waren, moesten worden vervangen. Het getal voor auto's en vrachtwagens begon bij 10000. Dat van motorfietsen bevond zich tussen 1 en 9999, waarna werd overgestapt op een combinatie van een letter (A, B, C of D) en één tot drie cijfers.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog werden veel privévoertuigen opgeëist door de bezetter en werd het gemotoriseerd burgerverkeer strikt beperkt. Hierdoor werden er maar weinig nieuwe nummers uitgegeven. Vanaf 1919 begonnen de Belgen terug meer te rijden, maar veel nieuwe registraties werden er niet gedaan omdat de voorraad kentekenplaten snel uitgeput raakte. Het koninklijk besluit van 20 februari 1920 kondigde aan dat alle kentekenplaten opnieuw vervangen zouden worden door een nieuw type, waar voor het eerst onderscheid zou worden gemaakt tussen auto's en vrachtwagens enerzijds en motorfietsen anderzijds. Het derde type (1920-1928) miniatuur|Een wagen met het derde type kentekenplaat voor de Grands Magasins de la Bourse in Brussel, ergens in de jaren 1920.Vanaf maart 1920 werd het derde type verdeeld. Dit toonde grote gelijkenissen met het tweede type, maar de grootste verandering was de lichtblauwe, in plaats van zwarte, achtergrond. Aangezien het derde type kentekenplaat niet gebruikt werd voor motorfietsen, kon de nummering voor auto's en vrachtwagens nu wel vanaf 1 beginnen.
De lichtblauwe plaat werd fel bekritiseerd omdat deze te licht zou zijn, en daardoor niet goed leesbaar vanop een afstand. De blauwe achtergrond werd hierdoor vanaf het jaar 1921 en kentekenplaat 27000 een paar tinten donkerder gemaakt. Van zodra het getal 99999 werd bereikt, werden kentekenplaten met een letter gevolgd door één tot vier cijfers verspreid. Achtereenvolgens werden de letters A, D, E, G, H, K en L gebruikt.
Een ministerieel besluit van 3 maart 1928 gaf aan dat er alweer een nieuw type kentekenplaten zat aan te komen. Het derde type werd onder meer bekritiseerd als "een ongelukkig overblijfsel van een vervlogen tijdperk". Platen van het derde type mochten gebruikt blijven worden tot eind 1929.
Het derde type voor motorfietsen (1920-1926) Het derde type kentekenplaten voor motorfietsen verschilde aanzienlijk van die voor auto's en vrachtwagens. Hier bleef de kleurencombinatie van witte letters op een zwarte achtergrond behouden, al kwam er ook een witte omlijsting. De distributie begon eveneens in maart 1920.
Aanvankelijk werden uitsluitend getallen van één tot vier cijfers verdeeld. Later werd dit een letter gevolgd door één, twee of drie cijfers, en uiteindelijk twee letters gevolgd door één of twee cijfers. Begin 1926 werd de finale combinatie ZZ-99 benaderd. Een decreet van 30 januari 1926 beschreef een nieuw type. Het vierde type (1928-1953) miniatuur|Enkele motorfietsen met kentekenplaten van het vierde type aan het Kempisch dok in Antwerpen, anno 1955.De nieuwe kentekenplaten kregen opnieuw een volledig nieuw uiterlijk. Ze bestonden opnieuw uit 1 tot 6 cijfers, maar deze cijfers waren rood op een witte achtergrond. Deze kleurencombinatie bleef bij de latere types behouden, mits enkele kleine wijzigingen. Op de plaat bevond zich eveneens een stempel met daarop "Belgique" en "België", en een wapenschild. Het extra bord met een "B" was niet meer verplicht. In juli 1928 werden de eerste platen van dit type verspreid. Pas begin 1930 waren alle platen van het derde type volledig vervangen door het vierde type. Tegen die tijd naderde het aantal platen met rode cijfers de 140000. De distributie gebeurde nog steeds provincie per provincie.
De platen tot en met 1937 hadden een ander lettertype dan die van na 1937 (vanaf het getal 360000). In de zomer van 1953 werd het nummer 999999 bereikt. De rest van 1953 werd afgewerkt door oudere nummers die waren overgeslagen te gebruiken, waarna in januari 1954 een nieuw type verspreid kon worden. Tegen 1955 zouden alle platen van het vierde type verdwenen zijn.
Bijzondere kentekenplaten Sedert 1928 zijn een aantal combinaties voorbehouden voor hoogwaardigheidsbekleders. Zo werden de nummers 1 tot en met 100 ingenomen door de koninklijke familie en enkele hoogwaardigheidsbekleders van de staat. Ministers en hooggeplaatste leden van de regering en overheidsinstanties beschikten over de platen A-1 tot en met A-999, en leden van de Senaat (P-1 tot P-200) en het Parlement (P-201 tot P-500) konden met een P-plaat rijden. Deze platen worden, mits enkele moderniseringen, nog steeds gebruikt, en zijn net als het normale type wit met rode letters.
Ook leden van het corps diplomatique, dat bestaat uit functionarissen die hun staat in een bepaald land vertegenwoordigen, zoals ambassadeurs, konden aanspraak maken op een speciale kentekenplaat. Enerzijds bestonden er platen bestaande uit de letters CD en drie cijfers. Anderzijds kon er ook een aparte ovale plaat, met daarin de rode letters CD, naast een normale kentekenplaat gehangen worden. Ook de lettercombinatie CC, wat staat voor corps consulaire, kon worden teruggevonden op deze aparte platen.
Het Belgisch leger was van 1928 tot en met 1940 in het bezit van een unieke kleurencombinatie: witte tekens op een zwarte achtergrond. Er was geen stempel op aanwezig, maar wel een Belgische vlag aan de linkerzijde van de kentekenplaat. De tekens waren telkens een letter, gevolgd door vier of vijf cijfers. De beginletter R gaf aan dat het om een aanhangwagen ging. Na de Tweede Wereldoorlog, in 1945, schakelde het Belgisch leger over op een witte achtergrond met zwarte letters, en nog steeds links een Belgische vlag. De plaat bevat vier of vijf cijfers, bij aanhangwagens zijn het er vier voorafgegaan door een R.
Ook garagisten maakten in deze periode aanspraak op een speciaal soort kentekenplaat. De cijfercombinatie ging van 1 tot ongeveer 9500. Deze tekens waren zwart op een gele achtergrond, met al dan niet een zwarte onderlijning, en de plaat bevatte eenzelfde stempel als het normale type. Deze kentekenplaten waren geldig tot en met 1953.
Het vierde type voor motorfietsen (1926-1956) De cijfers waren wit op een donkerblauwe achtergrond. Onder de cijfers stond een witte streep. Dit type begon bij het cijfer 1 en eindigde rond het getal 620000. Deze platen bleven in omloop tot begin 1957. Het vervangen van deze platen bracht een einde aan het tijdperk van de kentekenplaten uit email, aangezien het vijfde type, zowel bij motorfietsen als bij auto's en vrachtwagens, uitsluitend op aluminium-platen voorkwam.
Bijzondere kentekenplaten voor motorfietsen Speciaal voor ambtenaren van de Belgische Staat, zoals politieagenten, magistraten en leraren, bestond een kentekenplaat beginnend met de letter E en gevolgd door vijf cijfers. Het vijfde type (1954-1973) miniatuur|Staghound pantserwagen met het vijfde type kentekenplaat tijdens demonstraties tegen de Eenheidswet, anno 1961 in Brussel. Op de eerste versie van het vijfde type werden vijf tekens gebruikt, vier cijfers en één letter waarvan de positie variabel was. De letters I, O en Q werden niet gebruikt omwille van de leesbaarheid. De achterste plaat werd gestempeld met een officiële "CV"-stempel, wat staat voor "Circulation" in het Frans en "Verkeer" in het Nederlands. Deze stempel zou sindsdien op alle kentekenplaten voorkomen. De distributie werd niet langer per provincie uitgevoerd, maar gecentraliseerd in Brussel. De kentekenplaten werden meestal per post naar de houder gestuurd.
De eerste versie van het vijfde type raakte uitgeput in 1959, waarna in 1960 een tweede versie volgde. Deze bevatte een paar letters met variabele positie en drie cijfers. De letters I, O en Q bleven uitgesloten. De derde versie, met als combinatie één letter, drie cijfers en opnieuw één letter, liep van 1971 tot en met 1973. Kentekenplaten vanaf het vijfde type zijn nog geldig op de openbare weg.
Bijzondere kentekenplaten De kentekenplaten voor garagisten bleven bestaan, maar gingen voort vanaf nummer 10000. Tussen de twee eerste en de drie laatste cijfers stond een punt, de zwarte onderlijning was verdwenen.
De platen voor het corps diplomatique werd lichtjes aangepast, en bestonden vanaf nu uit CD, gevolgd door twee cijfers en een letter.
Ook ontstond er een nieuw type met witte tekens op een rode achtergrond. Deze waren voorbehouden voor buitenlanders, zoals NAVO-militairen, die tijdelijk in België verbleven. Voor diplomaten bleef de CD-plaat, die sindsdien weliswaar begon met de letters CD en werd gevolgd door twee cijfers en een variabele letter.
Bussen, touringcars en diverse openbare dienstvoertuigen kregen kentekenplaten met vier cijfers en als letter de P, die de laatste of voorlaatste plek innam.