thumb|Ferdinand de Saussure legde de fundamenten voor het structuralisme in zijn semiotiek Structuralisme is een benaderingswijze die ervan uitgaat dat niet-direct waarneembare of onbewuste structuren ten grondslag liggen aan alle sociale verschijnselen. Deze structuren zijn verzamelingen van de relaties tussen de elementen waaruit de sociale werkelijkheid is opgebouwd. Het structuralisme bestaat uit een aantal interdisciplinaire methodes en onderzoeksprogramma's die stellen dat er uitgebreide onbewust functionerende culturele symboolsystemen zijn die het alledaagse in grote mate bepalen en daarom onderzocht moeten worden., 'Strukturalismus', Historisches Wörterbuch der Philosophie, Bd. 10, p. 342, 'Strukturalismus', Europäische Enzyklopädie zu Philosophie und Wissenschaften, Bd. 4, p. 466 Deze intellectuele stroming binnen de sociale wetenschappen en hedendaagse filosofie kende een bloeitijd in de jaren 1960-70.
Inhoud Het structuralisme is de uitbreiding van de structurele taaltheorie van Ferdinand de Saussure naar verschillende andere vakgebieden. Deze taaltheorie stelde dat de betekenis van een woord niet wordt bepaald door hetgeen waarnaar zij verwijst, maar door de gehele taal zelf. Om een woord te begrijpen moet men dus de bredere taal onderzoeken en kijken hoe dit element erin past., 'Structuralism', Routledge Encyclopedia of Philosophy De Saussure zag taal en meer concreet een woord als bestaande uit twee elementen: signifiant (betekenaar) en signifié (betekenis). Wat de Saussure de betekenaar (signifiant) noemt, is het concreet gerealiseerde teken (de letters op het papier of de klank). De betekenis (signifié) is het mentale concept waar de betekenaar verwijst. De betekenis van het teken moet onderscheiden worden van de buitentalige referent. Hij zette zich af tegen de klassieke opvatting dat de betekenis van een woord louter bepaald wordt door het buitentalig object waar het naar verwijst en stelde een alternatieve interpretatie voor. Het was de Saussure niet om de dingen in de wereld te doen, maar om de begrippen die in de taal (langage) aanwezig zijn. De betekenis van een woord werd volgens Saussure louter bepaald door de andere betekenaars in het systeem zelf. Betekenaar en betekenis vormen samen als tekeneenheid het basiselement van zijn taalkunde; hij zag deze twee delen van het teken als de twee zijden van een blad papier. Verdere bijdrage aan deze theorie zijn gemaakt door Louis Hjelmslev, Roman Jakobson en André Martinet.
Het structuralisme bevat dus een soort holisme en stelt het geheel primair aan de delen. Het geheel van intern samenhangende fenomenen is een structuur., 'Strukturalismus', Enzyklopädie Philosophie, Bd. 2, Hamburg 1999, p. 1542 Daarom kan het structuralisme zich niet direct op een onderzoeksobject richten; deze is immers pas begrijpbaar in de context van het grotere systeem, maar richt zich op het algemene systeem dat de concrete elementen zelf mogelijk maakt. Deze structuren worden gedacht als slechts formeel bepalend en onafhankelijk van enige inhoud en de concrete personen die onder deze structuur leven.
Naast een linguïstisch structuralisme, dat vooral bekend werd, werd er ook een wiskundig structuralisme uitgewerkt op basis van het werk van de Bourbakigroep. De invloed hiervan is onder meer terug te vinden in het werk van Georges Dumézil, Gilles-Gaston Granger, Claude Lévi-Strauss, (de vroege) Michel Serres.
Structuralisme en het subject Het voornaamste kenmerk van het structuralisme is misschien wel dat het subject (of breder de mens) niet meer centraal wordt geplaatst, in tegenstelling tot de traditionele filosofie. Het structuralisme stelt over het algemeen dat de categorie van het subject een sociale constructie is. Sommige structuralisten willen zelfs zo ver gaan om het hele concept van het persoonlijke en vrije subject te ondergraven en zelfs af te schaffen., Post-Structuralisme and Foucault De structuralist Claude Lévi-Strauss stelde dat de voornaamste rol van de menswetenschappen niet is de mens te constitueren, maar hem te ontbinden. (1993): Post-structuralism and Postmodernism, Harvester/Wheatsheaf De marxist Louis Althusser stelde dan weer dat het subject een product is van de (heersende) ideologie. (2007): Althusser’s Subjected Subject (gearchiveerd)
De filosoof en historicus Michel Foucault argumenteerde in zijn werk les mots et les choses (1966) dat de mens niet centraal staat, maar een product is van onze hedendaagse cultuur. In dit werk onderzocht hij de geschiedenis van de kennis en van de menswetenschappen en kwam tot het besluit dat er met de opkomst van de moderne menswetenschappen aan het licht is gekomen - doordat de mens zowel subject en object van het onderzoek is - dat de mens niet de oorsprong en het fundament van alle kennis is. Hij zag het structuralisme dan ook als een historisch symptoom waarin de mens inziet niet het laatste woord te hebben. Het structuralisme laat de mens als subject van het weten weer helemaal verdwijnen. Foucault ging zelfs zo ver dat hij uiteindelijk de mens dood verklaarde en sprak van het einde van de mens (l'homme est fini)., Les mots et les choses, Gallimard, Parijs, p. 324, Michel Foucault et la mort de l’homme
Toepassingen Het is deze structuralistische taalkunde die langzamerhand ook werd toegepast op andere domeinen. Een belangrijk persoon bij deze verspreiding is Roman Jakobson, een Russische taalkundige die door zijn intellectuele contacten dit ideeëngoed verspreidde over verscheidene andere disciplines. Jakobson werkte deze taaltheorie van De Saussure verder uit. Zo stelde Jakobson dat er eigenlijk twee grondprincipes aan de basis liggen van de taal, namelijk de metafoor en de metonymie. (1956): 'Two aspects of Language and Two Types of Aphasic Disturbances', Fundamentals of Language, Mouton Metafoor staat gelijk aan kiezen: om een bepaald feit te beschrijven moeten bepaalde woorden gekozen worden en andere dus niet. Metonymie staat dan weer gelijk met het feit dat de spreker deze gekozen termen ook moet combineren op een grammaticaal juiste manier., Het psychotisch discours in dialogisch perspectief. Mikhail Bakhtins taalfilosofie en de psychoanalyse van de schizofrene psychose Deze fenomenen zijn makkelijk aan te wijzen in de taal: mensen gebruiken constant vergelijkingen en metaforen om mensen te beschrijven (jij bent een blok aan mijn been) en ook de metonymie is er in de vorm dat bijvoorbeeld van een vloot van twaalf masten wordt gesproken, terwijl gewoon twaalf schepen wordt bedoeld.
Antropologie thumb|250px|Claude Lévi-Strauss ontwikkelde als een van de eersten het structuralisme in een gebied buiten de taalkunde, namelijk in de antropologie Een vroeg voorbeeld van de toepassing van dit ideeëngoed is terug te vinden in het werk van de antropoloog Claude Lévi-Strauss. In de godsdienstsociologie en antropologie was al eerder door Émile Durkheim en Marcel Mauss in hun artikel De quelques formes primitives de classification. Contribution à l’étude des représentations collectives (1903) en later ook in Durkheims boek Les Formes élémentaires de la vie religieuse (1912) de stelling verdedigd dat collectieve voorstellingen van een cultuur bestaan in de vorm van binaire tegenstellingen. De centrale tegenstelling is bijvoorbeeld die tussen het sacrale of het heilige enerzijds en het profane of alledaagse anderzijds.; (1903): 'De quelques formes primitives de classification. Contribution à l’étude des représentations collectives', l’Année sociologique, Volume 6, p. 1-72 (1999): Communicatie zonder mensen. Een systeemtheoretische inleiding in de sociologie, Boom, p. 138-144
Na contacten tussen Jakobson en Lévi-Strauss ontdekte Lévi-Strauss de analogie tussen deze binaire taalstructuren en de binaire samenlevingsstructuren zoals die al door Durkheim en Mauss werden beschreven. Hij kwam dit op het spoor door systematisch de mythes van bepaalde stammen te beschrijven aan de hand van taalkundige tegenstellingen en transformaties in de gesproken taal. (1980) Zo begon hij deze ideeën toe te passen op het onderzoeken van de verwantschapsstructuren in deze primitieve samenlevingen. Deze structuren konden volgens Lévi-Strauss nooit louter worden bestudeerd door naar de beschikbare empirische data te kijken. Het moest echter, in navolging van de Saussure, bestudeerd worden als een reeks van symbolische relaties.
In de tribale samenlevingen die Lévi-Strauss onderzocht, vond hij die relaties terug in de verschillende mythes die aan bod komen. Hij bouwde hier verder op de verfijningen die Jakobson had aangebracht en stelde dat mensen in binaire opposities (hoog/laag, man/vrouw, leven/dood) denken. Culturele verschijnselen kunnen begrepen worden door deze tegenstellingen in kaart te brengen. Een voorbeeld: leven en dood zijn twee conflicterende verschijnselen en culturen lossen dit op door middel van allerlei rituelen rondom bijvoorbeeld de sterfte van een persoon. De grondstructuur leven/dood is universeel, de manier waarop culturen hiermee omgaan (begrafenisrituelen) is cultuurafhankelijk. Verder werd Lévi-Strauss ook nog sterk geïnspireerd door de psychoanalyse van Sigmund Freud en hij paste bepaalde technieken en ideeën van Freud dan ook in zijn antropologisch werk toe.
Toen Lévi-Strauss zijn theorieën voor het eerst uiteenzette, was het humanistisch marxisme en existentialisme nog dominant in het intellectueel klimaat van Frankrijk. Hij werd dan ook sterk bekritiseerd door onder andere Jean-Paul Sartre.Zie vooral (1960): Critique de la Raison Dialectique, Gallimard Sartre ontkende immers dat er zoiets was als het onbewuste, terwijl Lévi-Strauss vertrok van de hypothese dat er wel zulke onbewuste maatschappelijke structuren waren. Verder vond Sartre de freudiaanse methode van vrije associatie die Lévi-Strauss hanteerde nietszeggend, omdat het volgens Sartre tautologisch zijn eigen waarheid aantoonde. De kern van het probleem ligt echter bij de algemene structuralistische premisse dat een vrij individu niet bestaat - wat juist het belangrijkste uitgangspunt is van de existentialistische filosofie.
thumb|left|200px|Een zwart-wit tekening van Jacques Lacan
Psychoanalyse Het was vooral de laatste uitwerking van Jakobson die ook de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan ertoe aanzette deze structuralistische opvatting ook in de psychoanalyse toe te passen. Zo zag hij sterke overeenkomsten tussen deze tweedeling binnen de taal en bepaalde zaken die Sigmund Freud in zijn werk Traumdeutung (1900) uiteenzette omtrent dromen. Freud stelde immers vast dat in dromen verdrongen feiten naar voren komen, maar niet in hun zuivere vorm. In een droom wordt een zekere symboliek gebruikt die het werkelijke feit verhult. Bij begeerte naar de vrouw van een vriend, zal niet gedroomd worden over die vrouw, maar over zaken die met die vrouw te maken hebben, die haar representeren, zoals iemand met hetzelfde beroep of dezelfde haarkleur. Een ander mechanisme dat in dromen werkt, is dat dromen over gerelateerde zaken: in het geval van de vrouw, zullen de dromen gaan over haar huis of iemand met dezelfde naam. Lacan stelde deze mechanismen van verschuiving gelijk met die van de metafoor en metonymie in de taal. Hij interpreteerde dus het onbewuste gestructureerd als een taal. (1975): Taal en verlangen. Lacans theorie van de psychoanalyse, Boom, p. 15 Taal is de voorwaarde voor het onbewuste en het onbewuste hangt samen met de taal. Hiermee verschilde Lacan dus van Freud, die het onbewuste eerder in natuurtermen benaderde.