Rudolf Joseph Lorenz Steiner (Donji Kraljevec, 25 of 27 februari 1861Dasgoetheanum.ch Neue Dokumente Rudolf Steiners Geburtstag am 27. Februar 1861 – Dornach, 30 maart 1925) was een Oostenrijkse esotericus, schrijver, architect, filosoof die een geheel eigen zienswijze op pedagogie had. Hij is bekend geworden als grondlegger van de antroposofie en zijn praktische toepassingen, zoals de vrije scholen in Nederland, in België de Steinerscholen, in Duitsland bekend onder de naam Waldorfschule, de antroposofische geneeswijze, de heilpedagogie, de sociale driegeleding en de biologisch-dynamische landbouw. Ook heeft hij hulp en advies geboden bij de oprichting van het kerkgenootschap De Christengemeenschap.

Hij is de grondlegger van een nieuwe religieuze beweging, die door sommigen als een sekte wordt beschouwd. Gary Lachman stelt dat Steiner stond voor een "sterk christelijk georiënteerde versie van de theosofie" en een "christelijk georiënteerde occulte wetenschap".

Een aanzienlijk aantal ideeën van Steiner worden door de wetenschappelijke en academische wereld als pseudowetenschappelijk beschouwd. Cited in Hij was ook vatbaar voor pseudogeschiedenis.

Religieuze beweging Steiner is grondlegger van een nieuwe religieuze beweging. apud Volgens Martin Gardner en anderen is het een sekte.Zie ook

Steiner over antroposofie Steiner karakteriseerde zijn systeem van antroposofie als volgt:

Rudolf Steiner zag de geschiedenis van de mensheid als een progressieve ontwikkeling van de individuele ziel, maar wel als onderdeel van een spirituele hiërarchie. In oudere tijdperken had de ziel in een meer of minder dromend bewustzijn een directe waarneming of gewaarwording van geestelijke wezens. Deze gewaarwordingen verdwenen langzaam maar zeker met de ontwikkeling van de mens tot een zelfstandig individu met een eigen verstand en een Ik-bewustzijn. Uitgaande van dit Ik-bewustzijn is het volgens Rudolf Steiner mogelijk opnieuw tot waarneming van geestelijke wezens en het geestelijke in de kosmos te komen. Dat deze ontwikkeling mogelijk is, is volgens Rudolf Steiner een van de gevolgen van de Christusimpuls in de wereld.

Steiner verkondigt dat organismen (en de mens in het bijzonder) en de processen die zich in hen afspelen, het resultaat zijn van invloeden uitgaande zowel van de aarde als vanuit de kosmos (zon, maan en sterren). Hij werkte op het gebied van astronomie samen met Elisabeth Vreede, die de leider werd van de Mathematisch-Astronomische Sectie van de Antroposifische Vereniging.

Hij bracht zijn eigen vermeende buitenzintuiglijke waarnemingen in verband met de natuurwetenschappelijke waarnemingen van Johann Wolfgang Goethe (1749-1832), die onder meer een theorie had ontwikkeld over de groei van de plant. Volgens Steiner bevestigden zijn buitenzintuiglijke waarnemingen sommige klassieke theorieën, onder andere van Aristoteles. Zo aanvaardde hij bijvoorbeeld de indeling van de menselijke psyche in vier basistemperamenten, namelijk het cholerische, het sanguinische, het flegmatische en het melancholische temperament. Steiner bracht deze indeling, in navolging van de oude leer van de vier humores, in verband met de vier elementen.

Biografie Jonge jaren (1861-1890) thumb|150px|right|Die Grundfrage der Erkenntnistheorie (Rostock, 1891) Coll. Universiteitsbibl.Leiden Steiner werd waarschijnlijk op 25 februari 1861 - hijzelf geeft zowel 25 als 27 februari op als geboortedatum - geboren als de zoon van Johann Steiner (1829-1910) en Franziska Blie (1834-1918) en rooms-katholiek gedoopt op 27 februari 1861. Steiners vader was een jager in dienst van graaf Hoyos in Geras, en werd later telegrafist en stationschef bij de Zuid-Oostenrijkse spoorwegmaatschappij. Toen Steiner geboren werd, was zijn vader gestationeerd in Donji Kraljevec in de provincie Međimurje, anno 2019 de meest noordelijke provincie van Kroatië, maar destijds een deel van Oostenrijk-Hongarije. Toen hij twee jaar oud was, verhuisde de familie naar het Burgenland in Oostenrijk.

Steiner werd na het basisonderwijs leerling aan de Bürgerschule van Wiener Neustadt, waar hij een vroege interesse in wiskunde en filosofie ontwikkelde: pas 16 jaar oud - Steiner zelf beweert in zijn autobiografie tussen zijn 14de en 15de jaar, maar op basis van de gebruikte uitgave kan worden vastgesteld dat het ten vroegste op zijn 16de was - had hij reeds de Kritik der reinen Vernunft, het hoofdwerk van Immanuel Kant, gelezen (Zander 2011:16-19). Van 1879 tot 1883 studeerde hij aan de technische hogeschool in Wenen, waar hij zich specialiseerde in wiskunde, met als bijvakken natuurkunde en scheikunde (Lindenberg:65-66). Hij brak zijn studies voortijdig af, onder andere vanwege financiële redenen, en verliet de hogeschool zonder academische graad. Hij verdiende daarna de kost als privéleraar en als redacteur en auteur voor tijdschriften, lexica en uitgaven van literaire en filosofische werken. In 1889 maakte Steiner kennis met het werk van Friedrich Nietzsche en was vooral geboeid door diens spirituele kwaliteiten als "strijder voor de vrijheid".

Weimar (1890-1897) Het resultaat van het onderzoek naar Nietzsches werk publiceerde Steiner in het boek Friedrich Nietzsche. Ein Kämpfer gegen seine Zeit (1895). Gedurende deze tijd werkte hij ook aan de verzamelde werken van Arthur Schopenhauer (1894, 12 delen). Daarnaast werkte Steiner aan verschillende uitgaven van Goethes wetenschappelijke werken (onder andere aan de "Sofienausgabe" die werd uitgegeven in opdracht van de inmiddels overleden groothertogin Sophie van Saksen) en was van 1890 tot 1897 medewerker van het Goethe-Archief in Weimar. Hij maakte een diepgaande studie van de wetenschappelijke methode die Goethe gevolgd moest hebben bij zijn onderzoeken en schreef daar enkele werken over (onder andere Goethes Weltanschauung, Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung en de commentaren bij de door J. Kürschner's uitgegeven werken in de serie Deutsche National Literatur). Dergelijke baan was echter een twijfelachtige eer: Goethes wetenschappelijke werken waren gezien als waardeloze proza en slechte wetenschap.Wouter Hanegraaff, Western Esoteric (Hermetic I), cursus, Universiteit van Amsterdam, 2006.

In 1891 promoveerde hij - zonder er ingeschreven te zijn - aan de universiteit van Rostock in de filosofie met een dissertatie met als titel Die Grundfrage der Erkenntnistheorie. Het doctoraat werd niet gehomologeerd door de universiteit, maar werd op 26 oktober 1891 uitgereikt door professor Heinrich von Stein, docent aan de universiteit, met als commentaar 'rite' of 'ausreichend', dus 'voldoende' (Zander 2011: 83). Enkele jaren later verscheen deze dissertatie als boek onder de titel Wahrheit und Wissenschaft, dat hij in 1894 verder uitwerkte in Die Philosophie der Freiheit, dat hij later als grondlegging zou beschouwen voor zijn verder werk in de antroposofie. Het beargumenteerde de mogelijkheid dat mensen spiritueel vrije wezens kunnen zijn door de bewuste denkactiviteit. De poging die hij in dit boek deed om het transcendentaal idealisme, de filosofie van Immanuel Kant, te ontkrachten werd afgewezen door sommige filosofen en geaccepteerd door anderen, en bleef onbekend bij de meesten. Het filosofische werk van Steiner wordt doorgaans niet als belangrijk beschouwd - zijn naam komt haast nooit voor in naslag- of overzichtswerken - en hij wordt meestal niet als filosoof (of wetenschapper) beschouwd, maar veeleer als een esotericus. Heel uitzonderlijk wordt hij wel eens vermeld: een buitenbeentje als de in astrologie en de jungiaanse archetypeleer gespecialiseerde filosoof Richard Tarnas noemt Steiner in zijn boek The Passion of the Western Mind bv. een belangrijk figuur in de hele geschiedenis van het denken. Halverwege 1892 betrok Steiner te Weimar een kamer bij de acht jaar oudere weduwe Anna Eunike (1853-1911), die later diens eerste echtgenote zou worden (Lindenberg 2011:210-211).

Berlijn (1897-1912) In 1897 trok Steiner naar Berlijn en liet al snel ook Anna Eunike overkomen met wie hij op 31 oktober 1899 in het huwelijk trad in Beelitz bij Potsdam (Lindenberg 2011:286). In het begin van deze Berlijnse periode ging het Steiner financieel niet voor de wind en op intellectueel vlak leek hij een beetje op de dool: hij zocht aansluiting bij o.a. de beweging van het Individualistisch anarchisme (de bekende anarchist John Henry Mackay was een van zijn trouwgetuigen), zette zich in een campagne in voor Alfred Dreyfus, ging om met voorvechters van het feminisme (bv. Ellen Key), de emancipatie van homoseksuelen (bv. Magnus Hirschfeld), gaf les aan de socialistische Arbeiter-Bildungsschule, maar begon tevens, als medestichter van de Giordano Bruno-Bund, belangstelling te vertonen in de esoterie (Lindenberg 2011:274-275; Zander 2007:1245-1246). Later zou Steiner zich slechts zelden en meestal negatief uitlaten over deze periode als bohemien: in een brief aan zijn vrouw uit 1904 schreef hij bijvoorbeeld dat hij zich niet had mogen inlaten met "de vuiligheid van deze jongeren", dat het een "eerlijke vergissing was" en dat hij dat had moeten bekopen met "heel vuile roddels" (Lindenberg 2011:275)."Ich hätte deshalb mich allerdings nicht auf den Dreck dieser jungen Leute einlassen sollen. Aber das war ein ehrlicher Irrtum. Und ich habe es mit recht dreckigem Klatsch büßen müssen" Rond de eeuwwisseling leerde hij Marie von Sivers (1867-1948) kennen, die in november 1900 was toegetreden tot het Deutsche Theosophische Gesellschaft en wellicht ook een belangrijke rol speelde in Steiners toetreding (Lindenberg 2011:324 & 326; Zander 2007:124, 392 & 395-396). Zij zou een van zijn nauwste vrienden, zijn belangrijkste medewerkster en uiteindelijk ook zijn tweede echtgenote worden: nadat Marie von Sivers einde 1903 haar intrek nam in Steiners huis zou Anna Eunike na enkele maanden de echtelijke woning verlaten en in juni 1904 van hem scheiden (Lindenberg 2011:356; Zander 2007:241). Ondertussen, in januari 1902, was ook Steiner officieel toegetreden tot de Duitse tak van de Theosofische Vereniging waarvan hij al snel de secretaris-generaal werd (Zander 2007:127).

Steiner ging zich nu haast uitsluitend toeleggen op mystieke en esoterische onderwerpen, waarbij hij ook reeds heel vroeg een eigen visie op de theosofie ging verkondigen, een op 'geesteswetenschappelijke' grond gestoelde en meer op de westelijke christelijke mystiek en occultisme georiënteerde versie - vooral de rozenkruisers genoten op dat moment zijn belangstelling - die afweek van de vooral op de oosterse religiositeit geschoeide versie van stichteres Helena Blavatsky (Zander 2007:122-146 & 836-858). Ondanks dit duidelijke accentverschil, dat uiteindelijk zou leiden tot een breuk met de theosofie, nam Steiner elementen over uit de oosterse religies, zoals het geloof in karma en reïncarnatie, elementen die een blijvende en centrale rol in zijn denken zouden blijven spelen. Steiner werd ook sterk beïnvloed door de pseudohistorische gedachten van Blavatsky, zoals die bv. volgens werden uiteengezet in de occulte Stanza's van Dzyan, in werkelijkheid een product van Blavatsky's verbeelding, een samenraapsel van teksten uit oude mystieke teksten zoals de Zohar en allerlei populaire speculaties uit eerder verschenen esoterische boeken. Veel van de centrale speculaties uit deze traditie, bv. de verhalen over Atlantis en andere verdwenen continenten of de bizarre rassenleer die uitgaat van zeven wortelrassen die miljoenen jaren geleden zouden hebben bestaan, werden door Steiner overgenomen, die op zijn beurt beweerde dat hij de informatie via helderziendheid zou hebben ontleend aan de al even fictieve Akashakroniek (Zander 2007:564, 608 & 615-648).