thumb|Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld keert op 26 augustus 1976 op Paleis Soestdijk terug uit Italië, omdat minister-president Joop den Uyl in het Nederlandse parlement de resultaten van de Commissie van Drie bekend ging maken. Achterin zijn echtgenote koningin Juliana met het hondje Zara.

De Lockheed-affaire omvat een reeks steekpenningen en bijdragen van functionarissen van het Amerikaanse lucht- en ruimtevaartbedrijf Lockheed van eind jaren vijftig tot zeventig tijdens onderhandelingen over de verkoop van vliegtuigen.

Het schandaal veroorzaakte grote ophef in Nederland in 1976, omdat bekend werd dat prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld, de echtgenoot van de Nederlandse koningin Juliana, begin jaren zestig 1,1 miljoen US-dollar aan steekpenningen ontving van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed. In 1974 verlangde Bernhard van Lockheed opnieuw een grote som geld, deze keer als Nederland over zou gaan tot de aankoop van de Lockheed P-3 Orion.

In de jaren van de Lockheed-kwestie hield het kabinet-Den Uyl zich onder meer bezig met de vervanging van alle Nederlandse Lockheed F-104 Starfighters. De Tweede Kamer besloot uiteindelijk op advies van defensie-minister ir. Henk Vredeling dat de opvolger van deze straaljager de F-16 zou worden, van de concurrerende vliegtuigbouwer General Dynamics.

Internationaal In de slipstream van de Watergateaffaire werd in de Verenigde Staten een beerput blootgelegd van corruptie door de regering-Nixon en het bedrijfsleven. Vooral de militaire vliegtuigindustrie. De Amerikaanse Senaat stelde een onderzoek in onder leiding van senator Frank Church. Op 6 februari 1976 werd door zijn commissie de president van Lockheed, Carl Kotchian gehoord. Deze maakte de namen van de belangrijkste betrokkenen openbaar: de Duitse oud-minister van defensie Franz Josef Strauss, de Japanse oud-premier Kakuei Tanaka, de Italiaanse president Giovanni Leone en oud-premier Mariano Rumor en de Nederlandse prins-gemaal Bernhard van Lippe-Biesterfeld.

Nederland Aanleiding en samenstelling Commissie van Drie

De affaire kwam aan het licht door hoorzittingen van de subcommissie-Church van Multinationale Organisaties, onderdeel van de Commissie voor Buitenlandse Zaken van de Amerikaanse senaat, die onderzoek deed naar smeergeldaffaires waarbij de vliegtuigbouwer betrokken was. Tijdens die verhoren werd op vrijdag 6 februari 1976 in het openbaar gesproken over een "hoge regeringsfunctionaris in Nederland" die steekpenningen zou hebben ontvangen, waarmee − zo werd al snel duidelijk − de Nederlandse prins-gemaal Bernhard werd bedoeld. Hoewel die nadrukkelijk ontkende geld te hebben aangenomen, besloot het kabinet-Den Uyl drie dagen later een commissie van wijze mannen in te stellen. Voorzitter van de Commissie van Drie werd mr. A.M. Donner (rechter bij het Europees hof voor Justitie). De overige leden waren dr. M. Holtrop (voormalig president van De Nederlandsche Bank) en de voorzitter van de Algemene Rekenkamer drs. H. Peschar.

Opdracht Commissie van Drie thumb|De Commissie van Drie, van links naar rechts: dr. M.W. Holtrop, mr. dr. A.M. Donner en drs. H. Peschar. De opdracht van de Commissie van Drie luidde: Een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de afgelegde verklaringen en gedane suggesties in zittingen van de Commissie Church, voor zover prins Bernhard daarin is bedoeld dan wel indirect ter sprake gebracht. Voor zover het onder 1 genoemde onderzoek daartoe aanleiding geeft, mede na te gaan of bij de beslissingen over het plaatsen van vliegtuigorders door overheidsinstanties, sprake is geweest van beïnvloeding als gevolg van laakbare activiteiten van vliegtuigfabrikanten. De resultaten van haar onderzoek en de conclusies die zij uit de door haar vastgestelde feiten trekt, zo spoedig mogelijk ter kennis van de regering te brengen.

De commissie werd op 13 februari geïnstalleerd. Meteen werd met de werkzaamheden begonnen. De volgende dag al werd prins Bernhard geïnterviewd. Hij werd bijgestaan door zijn advocaten C.R.C. Wijckerheid Bisdom en Y. Scholten, de voormalig minister van Justitie uit het kabinet-Marijnen. Hierna volgde een onderzoek door registeraccountants in de administratie en vermogensadministratie van de prins, evenals bij een aantal instellingen waarbij hij nauw betrokken was.

Omkooppraktijken prins Bernhard der Nederlanden Steekpenningen 1960-1962 Tijdens de Amerikaanse senaatsverhoren had de president van Lockheed, A.C. Kotchian, verklaard dat eind 1959 of begin 1960 binnen de top van Lockheed de gedachte was ontstaan prins Bernhard een Lockheed JetStar aan te bieden. Dit enerzijds om het klimaat in Nederland ten opzichte van Lockheed te verbeteren, anderzijds omdat Lockheed ervan uitging dat het feit dat een Nederlandse prins zou rondvliegen in een Lockheedtoestel gunstige effecten zou hebben op de verkoop ervan. Het idee werd bij Lockheed aangeroerd door Fred Meuser, verkoopagent van Lockheed voor Europa, het Midden-Oosten en Afrika, kantoorhoudend in Genève. Deze was sinds de oorlogsjaren bevriend met de prins.

Uiteindelijk zag Lockheed om praktische redenen van het plan af; er was geen mogelijkheid om het toestel om niet in eigendom aan Bernhard over te dragen. Meuser stelde daarop voor om in dat geval Bernhard een som van 1 miljoen dollar aan te bieden. De betaling zou moeten geschieden via advocaat H. Weisbrod in Zürich. Dat laatste kreeg de juridisch adviseur R.B. Smith van Lockheed, volgens een verslag van hem, op 30 september 1960 van Bernhard te horen tijdens een ontmoeting in Paleis Soestdijk. Op 3 oktober 1960 had Smith in Hotel Dolder in Zürich een ontmoeting met Alexei Pantchoulidzew, de levensgezel van Bernhards moeder Armgard von Sierstorpff-Cramm. Van hem kreeg Smith een briefje met het bankrekeningnummer waarop het geld gestort moest worden. Het bleek diens eigen bankrekening te zijn. Met medewerking van Weisbrod werd het geld vervolgens op de door Pantchoulidzew aangegeven bankrekening gezet.Rapport van de Commissie van Drie. Onderzoek naar de juistheid van verklaringen over betalingen door een Amerikaanse vliegtuigfabriek, p. 9+10, 1976

De betalingen werden als volgt verricht: 300.000 dollar in oktober 1960, nogmaals 300.000 dollar in februari 1961, 200.000 dollar in maart 1962, 115.000 dollar in juli 1962, en 85.000 dollar in oktober 1962.Rapport van de Commissie van Drie. Onderzoek naar de juistheid van verklaringen over betalingen door een Amerikaanse vliegtuigfabriek, p. 159, 1976 Kotchian gaf aan dat hij naar zijn weten nooit had vernomen of Bernhard het geld had ontvangen.

Bernhard gaf bij de Commissie van Drie aan dat hij het aanbod van de JetStar zelf had afgewimpeld, omdat hem al een Fokker Friendship was toegezegd en hij de voorkeur gaf in een Nederlands toestel te vliegen. Daarop zou de voorzitter van de Raad van Bestuur van Lockheed Robert E. Gross, een persoonlijke vriend van de prins, hem hebben gevraagd wat hij dan daarvoor in de plaats wilde hebben. Bernhard zou vervolgens naar eigen zeggen hebben verzocht of Lockheed iets voor zijn vriend Meuser kon betekenen die een lagere commissieregeling kreeg dan voorheen. Gross zou aangegeven hebben daarover na te denken.

Gross zelf kon dit niet bevestigen, want hij was in september 1961 overleden. Van Meuser zou Bernhard later vernomen hebben dat Lockheed hem inderdaad financieel gecompenseerd had. Pas in 1976 zou de prins gehoord hebben dat het om een bedrag van 1 miljoen US-dollar zou zijn gegaan. De Commissie van Drie wees Bernhard erop dat het geld op de bankrekening van Pantchoulidzew was gestort. Bernhard gaf aan dat dit voor hem onbegrijpelijk en een grote verrassing was. Hij erkende dat hij Smith op de door hem aangegeven datum in Paleis Soestdijk ontmoet had, maar van het gesprek zelf zou hij zich niets meer kunnen herinneren. thumb|Minister-president Joop den Uyl in 1975 Meuser gaf weer een andere versie. Hij vertelde de commissie dat de JetStar voor hemzelf en zijn staf bedoeld was, maar dat het vliegtuig door Bernhard en anderen gebruikt had mogen worden. Om financiële redenen was volgens Meuser de verstrekking van het vliegtuig niet doorgegaan. De 1 miljoen dollar zou te maken hebben gehad met compensatie aan hem van gederfde inkomsten. Hij beweerde dat het Gross was geweest die Pantchoulidzew had ingeschakeld omdat de geldstroom voor Lockheed geheim moest blijven. Het geld zou vanaf de bankrekening van Pantchoulidzew zijn overgemaakt naar andere rekeningen, waar de prins geen zeggenschap over zou hebben. Meuser ontkende dat hij het geld voor zichzelf had willen houden.

Steekpenningen 1968 In oktober 1968 deed zich een soortgelijke situatie voor, waarbij door Lockheed besloten werd 100.000 dollar uit te trekken voor de prins. Dit geld werd als een cashier's check bij een bank in het Amerikaanse Burbank afgegeven op naam van een zekere Victor Baarn.Rapport van de Commissie van Drie. Onderzoek naar de juistheid van verklaringen over betalingen door een Amerikaanse vliegtuigfabriek, p. 7-13, 1976 De begunstigde kon het geld in Zwitserland komen afhalen door het noemen van de naam. Het bedrag was volgens Lockheed een gift aan Bernhard voor zijn hulp bij pogingen een Nederlandse beslissing ongedaan te maken toen Nederland het maritieme patrouillevliegtuig Breguet Atlantic had verkozen boven de Lockheed P-3 Orion. In eerste instantie had Lockheed Bernhard voor zijn hulp 500.000 dollar aangeboden, maar Bernhard weigerde het geld met de mededeling dat de koop van de Bréguets niet meer kon worden teruggedraaid. Lockheed stortte vervolgens alsnog een bedrag van 100.000 dollar. Bernhard verdedigde zich tegenover de onderzoekscommissie door te zeggen dat hij zich de aanbieding niet herinnerde en dat hij het geld in ieder geval nooit ontvangen had.Rapport van de Commissie van Drie. Onderzoek naar de juistheid van verklaringen over betalingen door een Amerikaanse vliegtuigfabriek, p. 170

Poging tot steekpenningen 1974 Kotchian vertelde ook dat Bernhard in 1974 een poging had gedaan een commissie te bewerkstelligen voor een mogelijke aanschaf door Nederland van dertien Lockheed P-3 Orion patrouillevliegtuigen. De gevraagde commissie zou neerkomen op vier tot zes miljoen dollar, afhankelijk van de grootte van de order. Lockheed vond dat een absurd hoog bedrag. Bernhard zou zich daarop verontschuldigd hebben, en zou hebben gezegd dat het slechts in zijn bedoeling lag om een miljoen dollar te vragen. Uiteindelijk accepteerde Bernhard volgens Lockheed, opnieuw tijdens een bespreking in Paleis Soestdijk, een vaste commissie van een miljoen dollar bij een aankoop van minimaal vier vliegtuigen. De koop ging echter niet door omdat er geen geld voor was. De commissie vond met betrekking tot deze kwestie twee brieven van de prins uit 1974, gericht aan medewerkers van Lockheed. In de tweede brief, die hij met de hand geschreven had, liet hij weten dat hij zich "after a hell of a lot of pushing and pulling" ten gunste van Lockheed had ingezet. Bernhard heeft niet ontkend dat hij die brieven geschreven had, maar heeft steeds volgehouden dat de opzet was dat de betalingen ten goede zouden komen aan het Wereld Natuur Fonds, wat hij naar eigen zeggen met Meuser was overeengekomen.

Steekpenningen KLM-directeur en poging omkoping Tweede Kamerleden De Commissie van Drie ontdekte tevens dat in 1969 aan toenmalig KLM-directeur F. Besançon 25.000 dollar aan steekpenningen zou zijn betaald, wat Besançon ontkende. Volgens Lockheed had Besançon in de jaren vijftig eveneens geld gekregen. Ook waren volgens de commissie Tweede Kamerleden benaderd met de bedoeling ze om te kopen. Het zou gaan om de KVP'er en generaal-majoor J. van Elsen b.d. en de VVD'er Ad Ploeg. Van Elsen was voorzitter van de vaste commissie voor Defensie en Ploeg was er lid van. Beiden bleken een bezoek te hebben gebracht aan Lockheed in Californië zonder dit gemeld te hebben. De commissie heeft deze kwestie niet verder uitgezocht, omdat dit niet tot de opdracht behoorde.

Conclusies