Jan Coenraad Nachenius (Amsterdam, 12 augustus 1890 – Garderen, 10 maart 1987), roepnaam Coenraad, pseudoniemen Herman Laagland en Godfried van Noord, was een Nederlands kunstschilder, graficus, etser en nationaalsocialistisch rassen- en kunsttheoreticus, die sterke affiniteit met de SS-Ahnenerbe had. Hij huwde in 1916 Minnie (Hilde) Allford (1889-1961) uit Hackney (Groot-Londen). Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren.

Nachenius' vlot geschreven boeken en pamfletten genieten een zekere populariteit in Nederlandse extreemrechtse kringen en bij aanhangers van de White Power-beweging.

Familie Coenraad Nachenius groeide op in Amsterdam als zoon van de rijke Amsterdamse bankier Joan Henri Nachenius (1863-1953), firmant van het commissionairshuis Nachenius & Zn. Zijn vader stuurde hem in 1909 voor een studiereis naar Engeland, waar hij werd vergezeld door zijn vijf jaar oudere vriend Kees Boeke.Daniela Hooghiemstra, De geest in dit huis is liefderijk. Het leven en De Werkplaats van Kees Boeke (1884-1966), diss. Amsterdam 2013, p. 48-49. Na zijn huwelijk vestigde hij zich als kunstschilder te Bennekom.

Nachenius sr. kocht in 1901 het landgoed 'Klein Boeschoten' te Garderen met de aangrenzende heidevelden, en vestigde zich in 1913 in de villa 'Oud Vossehol' te Bennekom, waarna hij in 1927 naar Garderen vertrok. Hij stond bekend als een groot natuurliefhebber. Op dit landgoed vestigde Coenraad zich na zijn gevangenschap omstreeks 1953.

Coenraad nodigde in 1934 de Groningse archeoloog Albert van Giffen uit om hier op het iconische heideveld De Bergsham enkele grafheuvels uit de Bronstijd te onderzoeken.Peter A.C. Schut, Klein Boeschoten. Een cultuurhistorische biografie, inventarisatie en waardenkaart, Hoogland 2021. Dit om eventuele 'urnendelvers' voor te zijn. Het plan sloot aan bij zijn interesse voor de Germaanse oudheid. In de zomer 1935 verrichtte Van Giffen een opgraving met hulp van geuniformeerde leden van de NSB-studentenfederatie uit Wageningen.Leo Verhart, 'Archeologie in Friesland tijdens de Tweede Wereldoorlog', in: De Vrije Fries 101 (2021) p. 40-55, 47. Gerda Schaap, 'De grafheuvels van Bergsham', in: Hamer 1 (1941), nr. 4 (april), p. 9-12. De aangrenzende terreinen kwamen in handen van het Het Geldersch Landschap.

Dochter Machteld Nachenius (1919-1994) was fotograaf. Ze publiceerde in nationaalsocialistische bladen en huwde in 1943 de archeoloog Wim de Boone (1915-2000), die toen voor de SS-Ahnenerbe in Oekraïne werkte.Hubert Fehr, 'German Archaeology in Occupied Eastern Europe during World War II: A Case of Colonial Archaeology?', in: Bonnie Effros, Guolong Lai (red.), Unmasking Ideology in Imperial and Colonial Archaeology: Vocabulary, Symbols, and Legacy, Los Angeles 2018, p. 29-58, 47. Zoon Herman (1925-1945) nam als vrijwilliger dienst bij de Waffen-SS en is naar verluidt op 15 februari 1945 omgekomen in Polen.Het overlijdensregister van de gemeente Ede meldt dat Hermann Nachenius op 15 mei 1945 is gestorven te Berlijn, vermoedelijk een ambtelijk vastgestelde overlijdensdatum. Rond Stargard vonden half februari heftige gevechten plaats, waarbij de 11. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland was betrokken. De jongste zoon Konrad Nachenius (1934-2009) was kunstschilder. Het landgoed vererfde op Coenraads gescheiden zuster, de violiste en vertaalster Clara Van der Waals-Nachenius (1895-1993), die hier veel tijd doorbracht met haar zoon Diderik van der Waals (1925–2022), later een bekend en gerespecteerd archeoloog.

Kunstenaar Coenraad Nachenius heeft les gehad van onder andere G.W. Dijsselhof, Gerrit Haverkamp, Jan Voerman sr., en Jurrien Hendriks. Zijn onderwerpen lagen vooral in het Gelderse landschap en in Noord-Holland. Hij was een knap etser, met een grafisch oeuvre van 297 stuks. Zijn werk was ook na de oorlog gezocht.

Nationaalsocialisme Al in zijn studietijd raakte Nachenius vertrouwd met de antisemitische rassentheorieën van Houston Stewart Chamberlain. Hij volgde de ontwikkelingen in de Duitse Weimarrepubliek vóór Hitlers machtsovername op de voet. Sinds 1929 raakte hij van de leer van het nationaalsocialisme overtuigd door het lezen van Mein Kampf, waarvan hij de inhoud van kaft tot kaft kende. Hij baseerde zijn kennis over de Duitse politiek hoofdzakelijk op zijn lectuur van de Völkischer Beobachter. Onmiddellijk na de oprichting van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert in 1931 werd hij lid. In 1936 werd hij binnen de NSB benoemd als lid van de Raad voor Volksche Cultuur. Hij was omstreeks 1937 tevens een der oprichters (samen met Frans Farwerck) van de stichting Der Vaderen Erfdeel, die het blad De Wolfsangel uitgaf. Ook schreef hij het 'Dietschlied', dat in NSB-zangbundels werd opgenomen.

Samen met Nico de Haas van het SS-weekblad Storm vormde hij in oktober 1940 de redactie van het tijdschrift Hamer. Daartoe aangezocht door voorman Henk Feldmeijer werd hij in september 1940 vormingsleider van de Nederlandsche SS (sinds 1942 Germaansche SS in Nederland), ten minste sinds 1944 met de rang van Obersturmführer. In deze functie ontwikkelde Nachenius zich tot belangrijkste theoreticus van de SS in Nederland. Zijn werk heeft raakvlakken met dat van Ahnenerbe-oprichter Herman Wirth, maar beide auteurs citeren elkaar niet.

Nachenius werd in zijn hoedanigheid van vormingsleider tevens lid van de Arbeidsgemeenschap voor Kunst. De eerste officiële vergadering van de Arbeidsgemeenschap vond plaats op 18 juni 1943 in Hotel Krasnapolsky te Amsterdam. Hij werd tevens bijgewoond door Reinier van Houten, Jan van der Made, Sybren Modderman, Hendrik Lindt, Johan Polet, Nico de Haas, Henri Bruning, Gerard Wijdeveld, Rudolf Steinmetz, Ben Moritz, Steven Barends, Johan Theunisz, H.W. van Etten, Gerda Schaap, Max Wolters, Jan Teunissen en Eduard Rijff. De Arbeidsgemeenschap was onder meer verantwoordelijk voor de uitgave van het genazificeerde letterkundige tijdschrift Groot Nederland. Nachenius was van 1942 tot 1944 lid van de Nederlandsche Kultuurraad. Ook hield hij voordrachten en radiotoespraken.

Met ingang van 1 augustus 1943 werd Nachenius door Mussert benoemd tot hoofd van de Afdeling Theoretische Vorming van de 1e Hoofdafdeling Vorming van de NSB. Maar in deze functie kon hij zich slechts enkele maanden handhaven. Lou de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl. 7.2, 1976, p. 1236. J. Zwaan en Aukje Zondergeld-Hamer (red.), Zwarte kameraden. Een geïllustreerde geschiedenis van de NSB, 1984, p. 51. Daarvoor waren er teveel spanningen tussen de NSB en de Germaansche SS. Nachenius redigeerde daarna tot het einde van de oorlog de Vormingsbladen der Nederlandsche SS. In dit tijdschrift pleitte hij voor de toepassing van Heinrich Himmlers 'Verlobungs- und Heiratsbefehl' (Verloving- en Huwelijksorder) voor SS soldaten uit 1932. Ook besteedde hij veel aandacht aan zaken als het Germaanse ras en de Germaanse kalenderfeesten. Latere publicaties zijn gewijd aan het spanningsveld tussen zijn racistische idealen en de oorlogsdoelen van het Derde Rijk. Vanaf januari tot april 1945 werkte hij bij de Europäische Abteilung van het SS-Hauptamt in het Beierse Kulmbach.

Al zijn publicaties over de raciale aspecten van het nationaalsocialisme gingen uit van dezelfde uitgangspunten: eerst moest bij de Nederlandse bevolking een zeker 'rassenbewustzijn' worden aangekweekt , en daarna moest de bevolking worden overtuigd van de noodzaak van een 'actieve rassenhygiëne'. Huwelijken met andere etnische groepen, met name uit Afrika en het Midden-Oosten (waartoe hij ook de Joden rekende), moesten worden tegengegaan. Nederlanders met Noordse wortels dienden daarentegen met elkaar te trouwen en kinderen te verwekken om het Noordse ras – door hem Noordras genoemd – te versterken. Een karakteristiek citaat uit 1942:De individualistische tijd die achter ons ligt, zag in het huwelijk in de eerste plaats bevrediging van eigen behoeften, behoeften van velerlei aard. [...] Nu groeit iets anders daartusschen: instandhouding van het ras, rein houden van het bloed – verplichtingen tegenover Volk en Grootgermaansche Gemeenschap. Koud en zonder liefde? Ach, wij Noorderlingen, wij weten wel beter!J.C. Nachenius, De verhouding van man en vrouw in den nieuwen tijd, Amsterdam 1942, p. 29.Vlak na de oorlog gaf Nachenius een terugblik op zijn opvattingen, waarin de lotsverbondenheid van Noordse ras centraal stond:In den aanvang van 1941 spraken wij niet van 'het Rijk', maar van 'de Germaansche gedachte', dus het bewustzijn, dat de Germaansche volken onderling nauwer verbonden zijn door afstamming, taal en cultuur, dan met de Romaansche of met de Slavische volken. Het wekken van dit bewustzijn werd door ons als een belangrijke cultureele opgaaf beschouwd. Wij wezen daarom op het verbindende en overeenstemmende, op den gemeenschappelijken afkomst en het bewustzijn daarvan in vroegere eeuwen.Toch meende hij dat de Europese naties meer gemeen hadden met elkaar dan met minderheidsgroepen. In een lezing voor journalisten in augustus 1941 karakteriseerde hij zijn Joodse landgenoten als buitenstaanders, die zich in de Nederlandse samenleving niet zouden mogen voortplanten:Ik kan U plotseling tusschen echte Joden zetten. Ze spreken Uw taal, ze dragen Uw soort kleeren, zij noemen zich Nederlanders, maar ze zijn anders, al woonden ze hier vele geslachten achtereen. Hoe uitgesprokener Uzelf een bepaald type bent, tot een bepaald ras behoort, hoe directer en zuiverder U zich bewust wordt van Uw anders-zijn. Zoo, en niet anders, is ras beleefd door de eeuwen heen. Dat is een werkelijkheid, en geen verbeelding. … En wat hebt gij hier als journalisten mee te maken? Dit: wilt gij dezen tijd verstaan, dan moet gij die zien als een opstand tegen al die vreemde invloeden, die niet passen bij dezen bouw van onze geest. Het nationaal socialisme is het zoeken naar de eigen aard, den over geërfde aanleg; het is het streven, heel onzen samenleving en cultuur in overeenstemming daarmee op te bouwen.J.C. Nachenius, Een en ander over ras. Lezing op het eerste Zomerkamp voor Journalisten, Kasteel Cannenburgh, Vaassen op 18 juni 1941, Den Haag: De Delta, 1941, p. 7 (vgl. p. 18: "Wij willen het erfelijk zieke en a-sociale van de voortplanting uitsluiten. Wij willen ook de verbastering met vreemd ras verhinderen. Maar wij willen daarenboven positief het ras hooger opvoeren … door het opstellen van een voorbeeld (te vergelijken met het fok-ideaal van een fokker) en door het vormen van uitgelezen sibben)". Aanvulling naar: Gerard Olinga, De ramp in het Roode Dorp. V1 of luchtmijn?, 2020.

Na de oorlog Na vierenhalf jaar geïnterneerd te zijn geweest in het voormalige concentratiekamp Westerbork werd Nachenius veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, waarvan hij de resterende jaren in Westerbork doorbracht. Hem werd ten laste gelegd: "het maken van propaganda voor de eenwording der Germaanse volkeren, het aansporen van Nederlanders tot dienstneming bij de vijand en het ingang doen vinden van de nationaal-socialistische rassenleer", alsmede "discriminatie van het Joodse ras".

Tegenover de Bijzondere Strafkamer te Arnhem hield Nachenius vol dat hij niet kon geloven dat Hitler van de Holocaust had geweten. "Ik vind dit alles zeer raadselachtig", stelde hij en hij noemde zichzelf aanhanger van de gematigde richting die excessen had willen voorkomen. De verdediging stelde dat Nachenius "volledig verblind" was geweest, maar ook dat hij in Duitse SS-kringen niet serieus werd genomen. Nachenius' geschriften bevatten geen uitdrukkelijke oproep tot jodenvervolging, maar wel werd hem verweten dat hij jodenvervolgers met zijn geschriften ondersteunde. Nachenius had al eerder een publicatieverbod gekregen tot 1953 en mocht tot 1965 geen journalistieke functies bekleden.