thumb|Grondplan van de basiliek. De Basilica di Santa Prassede (Basiliek van de Heilige Praxedis) is een 9de-eeuwse basiliek op de Esquilijn aan de oostzijde van Rome, niet ver van de Basiliek van Santa Maria Maggiore.

Titelheilige Praxedis (Italiaans: Prassede) was een dochter van Pudens, de Romeinse senator die door de apostel Paulus wordt vermeld in diens tweede brief naar Timotheüs (4,21). De overlevering zegt dat Praxedis samen met haar zuster Pudentiana (Italiaans: Pudenziana) een doopvont zou hebben gebouwd in de huiskerk die haar vader had gesticht en die nu bekend is als de kerk Santa Pudenziana. Pudentiana stierf op jonge leeftijd; Praxedis zou in de vicus Lateranus een huiskerk hebben gebouwd die naar haar werd genoemd: de titulus Praxedis of in het Italiaans: Santa Prassede.

Daar hield Praxedis een aantal christenen verborgen die werden vervolgd door keizer Antoninus Pius (138-161). Na hun marteldood zou Praxedis hun bloed hebben verzameld met een spons en zou ze de lichamen van haar geloofsgenoten hebben laten begraven in de catacomben van Priscilla waar ook haar vader Pudens en haar zuster Pudentiana reeds begraven lagen. Na haar eigen dood werd ook Praxedis in diezelfde catacomben bijgezet. Eeuwen later zouden hun relikwieën dan door paus Pachalis I zijn overgebracht naar de Santa Prassedebasiliek.

Men neemt aan dat de deze overlevering op weinig historische feiten berust.Volgens de website santiebeati.it is "Il racconto delle ‘Gesta’ delle due sante è fantasioso, opera senz’altro di un monaco o pio chierico del V-VI secolo." Het is zelfs niet zeker of de zusters Praxedis en Pudentiana werkelijk hebben bestaan.

Geschiedenis thumb|Paus Paschalis I afgebeeld op het mozaïek in de apsis van de Santa Prassede. Een titulus Praxedis (huiskerk van Prassede) is reeds vermeld in een grafschrift van 491, maar de locatie ervan is niet bekend. Die eerste kerk werd door paus Adrianus I (772-795) volledigd verbouwd.

Op een andere locatie werd de huidige kerk gebouwd door paus Paschalis I (817-824) naar het model van de oudchristelijke basilica's. Deze paus stond vooraan in de Karolingische renaissance die werd gestimuleerd door Karel de Grote, keizer van het Heilige Roomse Rijk. Deze stroming wilde zowel theologisch als artistiek terugkeren naar de wortels van het christendom. Paschalis zette twee ambitieuze programma's in gang: de bouw van veel nieuwe kerken en het bergen van gebeenten van martelaren uit de Romeinse catacomben.

Het middenschip was oorspronkelijk door 11 zuilen aan weerszijden afgescheiden van de twee zijschepen. Vooraan waren een kort dwarsschip en een apsis. Onder de apsis werd een halfronde crypte uitgegraven, waar paus Paschalis de relikwieën van 2.300 gelovigen vanuit de catacomben in veiligheid liet brengen. Palend aan het rechter zijschip liet Paschalis een grafkapel voor zijn moeder Theodora bouwen.

Bij de kerk sloot een klooster van Griekse monniken aan. In 1198 werd dit klooster overgedragen aan de benedictijnen van Vallombrosa die het tot op heden nog steeds bewonen, zij het dat sinds 1870 grote gedeelten van de kloostergebouwen zijn onteigend door de Italiaanse staat en zijn verbouwd tot school.

Behalve de toevoeging van talrijke kunstwerken en graven zijn ook aan het gebouw zelf heel wat veranderingen aangebracht in de loop der eeuwen:

In het middenschip werden drie grote bogen geconstrueerd om het gebouw te ondersteunen; de fijne zuilen waarop die bogen rusten, werden gevat in zware vierkante pilasters. Aan beide zijden van de voorste triomfboog werd tussen 1564 en 1584 een klein balkon gebouwd vanwaar de belangrijkste relikwieën konden worden getoond. Onder de ramen van het middenschip werden op het einde van de 16de eeuw fresco's aangebracht met scènes uit het lijdensverhaal van Christus, afgewisseld met elegante engelen die voorwerpen uit dat lijdensverhaal dragen. De crypte onder het hoofdaltaar werd verbouwd in de 18de eeuw, en werd daardoor rechtstreeks toegankelijk vanuit het middenschip. Eveneens in de 18de eeuw werd het priesterkoor verhoogd en werd boven het hoofdaltaar een barok baldakijn gebouwd. In de 19de eeuw werd de houten cassettenzoldering vervangen. De bevloering van het schip werd in 1918 heraangelegd in neo-cosmatenstijl. Het atrium voor de gevel van de basiliek en de oorspronkelijke hoofdingang aan de Via di San Martino ai Monti, werden buiten gebruik gesteld. Tegenwoordig is de basiliek enkel toegankelijk vanuit de ziingang aan de Via di Santa Prassede, op een boogscheut van de Santa Maria Maggiore.

In het gebouw bevinden zich de resten van de lichamen uit het opgegraven gebied van de Catacombe van SInt-Calixtus, waaronder die van 16 pausen. Ze zijn naar dit gebouw verplaatst te voorkomen dat toeristen de graven ontheiligen door fragmenten en relikwieën te verwijderen.

Beschrijving Priestergedeelte thumb|Apsis, priesterkoor en ingang naar de crypte. Het priestergedeelte werd omstreeks 1730 verhoogd om het belang van het hoofdaltaar sterker tot uiting te laten komen, zoals was opgelegd door het Concilie van 1725. Het hoofdaltaar is overkapt door een baldakijn. De porfieren zuilen ervan ondersteunen een koepeltje dat met vloeiende lijnen opstijgt naar het kruis. Op de hoeken staan vier engelen in stucwerk die instrumenten van Christus' lijdensverhaal dragen.

Het schilderij (eerste helft 18de eeuw) onder het mozaïek in de apsis toont de heilige Praxedis die geholpen door drie dienaressen het ingezamelde bloed van de christelijke martelaren in een put giet. De martelscène van haar geloofsgenoten is in de verte rechts op het schilderij voorgesteld.

Crypte Tegelijk met de verhoging van het priestergedeelte werd de toegang naar crypte onder het hoofdaltaar aangelegd omstreeks 1730. Daardoor werd de crypte rechtstreeks toegankelijk vanuit het middenschip. Aan weerszijden van een korte gang staan vier antieke sarcofagen. Een daarvan zou de relikwieën van Pudentiana en Praxedis bevatten.

De voorzijde van het altaar in de cripte is bekleed met 13de-eeuws cosmatenwerk, dat afkomstig is van het vroegere hoofdaltaar van de basiliek. Het erg verweerde fresco boven dit altaar toont de zwangere Maria tussen Pudentiana en Praxedis.

Mozaïeken vooraan De mozaïeken in de concha en op beide triomfbogen werden aangelegd door paus Paschalis I en zijn dus omstreeks 820 te dateren.

Mozaïek in de concha thumb|Mozaïek in de concha van de apsis. Centraal in de concha staat Christus die over vurige wolken afdaalt uit de hemel om het Laatste Oordeel te vellen ("parousia"). In zijn ene hand draagt hij de boekrol van de Wet, met de andere toont hij de wonde van zijn kruisiging. Boven zijn aureool zien we de hand van God de Vader die hem de zegekrans toereikt.

Gezien vanuit het standpunt van de kijker staat links van hem Sint Paulus die teder z'n arm slaat over de heilige Praxedis (Prassede) om haar aan te bevelen bij Christus. Uiterst links staat paus Paschalis I met in zijn handen het model van deze basiliek die hij heeft laten bouwen. Alle heiligen in de concha dragen een gouden aureool, maar als nog levende persoon draagt Paschalis een vierkante blauwe aureool.

Rechts staat Petrus die Hem de heilige Pudentiana aanbeveelt, de zuster van Praxedis. Beide zusters zijn gehuld in rijkelijke kledij en dragen een diadeem op het hoofd. De heilige uiterst rechts zou de priester Zeno kunnen zijn aan wie de grafkapel in het rechter zijschip is gewijd, maar zeker is dat niet.

De 7 figuren zijn geflankeerd door twee dadelpalmen; op de linkse zit de feniks, de mythologische vogel die uit zijn eigen as herrijst en daarom symbool staat voor de verrijzenis uit de dood. Rondom zijn hoofd straalt de rijzende zon als een aureool.

Onder deze groep stroomt de Jordaan, en daaronder staat centraal het Lam (Christus) naar wie zich tweemaal zes schapen richten die de apostelen voorstellen en voortkomen uit de Bijbelse steden Bethlehem en Jeruzalem. In de Latijnse verzen eronder spreekt Paschalis de hoop uit een plaats in de hemel te verdienen omdat hij deze basiliek heeft laten bouwen en er de relikwieën van talloze heiligen een veilig onderkomen heeft gegeven.

Achterste triomfboog thumb|De voorste en de achterste triomfboog. Op de achterste triomfboog staat in het midden Christus' troon met daarbij het Lam, het Boek en het Kruis. Aan weerszijden staan de 7 kandelaars van de Apocalyps en telkens twee engelen. Aan de uiteinden de symbolische voorstelling van de vier Evangelisten: links Marcus (leeuw) en Matteüs (mens), rechts Johannes (adelaar) en Lucas (os). Daaronder tweemaal 12 ouderlingen in witte gewaden die hun krans aanbieden. Op de onderkant van de triomfboog lezen we het monogram van Paschalis omgeven door twee kleurrijke slingers van bloemen en vruchten.

Voorste triomfboog Op de voorste triomfboog prijkt het hemelse Jeruzalem als een schitterende stad waarvan de muren zijn bezet met edelstenen; deze voorstelling is geïnspireerd op hoofdstuk 21 van de Apocalyps van Johannes. In het centrum ervan staat Christus tussen twee engelen. Eveneens in het midden van de stad maar iets lager staan links Maria, Johannes de Doper en Sint Paulus; rechts Praxedis en Sint Pieter gevolgd door 5 apostelen. De ingangen van de stad worden bewaakt door engelen.

Uiterst links en rechts wachten de mensenscharen die hopen in de hemelse stad te worden binnengelaten. Boven hun hoofden zweeft een licht wolkendek; zelf staan ze in een gestileerde paradijstuin. In de zwikken daaronder staan groepen nog levende mensen met palmtakken en kransen. Deze afbeeldingen zijn gedeeltelijk opgeofferd voor de bouw van twee kleine balkons die op het einde van de 16de eeuw werden aangebracht voor het tonen van relikwieën.

Middenschip thumb|Het middenschip naar achteren gezien. Onder de ramen van het middenschip hebben verschillende kunstenaars tussen 1594 en 1596 fresco's aangebracht die scènes van het lijdensverhaal van Christus uitbeelden. Vooraan links beginnend en dan in tegenwijzerzin zijn de volgende scènes voorgesteld: Jezus bidt in de Tuin van Gethsemane (Hof van Olijven); het verraad van Judas en de gevangenneming van Jezus; Jezus voor Kaiphas; Jezus voor Pilatus; de geseling; Hij krijgt de doornenkroon opgezet; Pilatus toont de gefolterde Christus aan de massa ("Ecce homo"); Veronica en de tocht naar Kalvarie. Aan weerszijden van elke scène staat een elegante engel met instrumenten uit het passieverhaal.

Eveneens van het einde van de 16de eeuw dateren de fresco's van de Boodschap aan Maria op de binnenzijde van de voorgevel: links van de hoofdingang staat de engel Gabriël, en rechts ervan Maria. Boven het timpaan van de hoofdingang staat het wapenschild van paus Clemens VIII (van de familie Aldobrandini) tussen de personificaties van het Geloof en de Rechtvaardigheid. Over heel de lengte van het middenschip zijn op de pilasters de apostelen afgebeeld (18de eeuw).

De bevloering van het middenschip is uitgevoerd in de middeleeuwse cosmatenstijl maar dateert pas uit 1916-1918. De grote porfieren schijf achteraan vervangt die putrand die voorheen op deze plaats in de kerk stond, en die herinnerde aan de put waarin Praxedis volgens de legende het bloed van haar gemartelde geloofsgenoten had verzameld.

Het houten cassettenplafond werd vernieuwd in 1868.

Zijschepen Kapel van het Kruis thumb|Graf van kardinaal Pantaleone Anchier in de Cappella del Crocifisso. Het rechtertransept werd omgevormd tot kapel gewijd aan het Heilig Kruis (Cappella del Crocefisso), genoemd naar het beschilderde houten kruisbeeld uit de 14de eeuw dat hier wordt bewaard. Tegen de muren van de kapel zijn talrijke fragmenten aangebracht van de middeleeuwse schola cantorum.