De creolen zijn een Surinaamse bevolkingsgroep die grotendeels afstamt van voormalige in slavernij gebrachte Afrikanen. Veel creolen zijn van gemengd Afrikaans-Europese afkomst.
Bij de laatste Surinaamse volkstelling van 2012 identificeerden 84.933 mensen zich als creools. Daarnaast waren er ook nog 72.340 mensen die zich identificeerden als 'van gemengde afkomst'; ook van hen is een aantal van (deels) creoolse afkomst. Verder wonen door emigratie ook veel creolen buiten Suriname. Hun aantal in Nederland werd in 2008 op 132.000 geschat.
De nazaten van de marrons, mensen van Afrikaanse afkomst die zichzelf uit de slavernij hadden bevrijd en zich in het binnenland hadden gevestigd, werden in het verleden ook wel aangeduid met de term boslandcreolen. Dit ter onderscheiding van de (stads)creolen, de nazaten van eertijds vrijgelaten slaven. Dit onderscheid is in praktijk steeds moeilijker te maken en van afnemend belang. Als combinatie van beide etniciteiten wordt ook de term Afro-Surinamers gebruikt.
Naamgeving Etymologie Het woord creool is een ontlening (mogelijk via het Frans) van het Portugese crioulo, dat is afgeleid van criar ("kweken"). Het woord betekende oorspronkelijk een in de koloniën geboren persoon, onafhankelijk van de huidskleur, die niet bij de oorspronkelijke inheemse bevolking hoort. In vele landen werd het woord na verloop van tijd echter enkel voor uit blanke immigranten geboren personen gebruikt, vooral in de kolonieën van Frankrijk was dit het geval. Deze betekenisverschuiving vond aanvankelijk ook in Suriname plaats, maar daarna nam het woord de betekenis aan van een niet-inheems Surinaams persoon van gemengde Afrikaans-Europese afkomst en vandaar de huidige betekenis.Etymologiebank.nl, "creool"
Controverse In 2002 was er discussie over de vraag of de woorden neger en creool moesten worden geschrapt uit de Grote Van Dale. Een uitspraak van de Commissie gelijke behandeling (CGB) naar aanleiding van een klacht van de Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname zorgde er uiteindelijk voor dat beide woorden werden gehandhaafd. De stichting stelde dat de betreffende woorden Afrikaans-Surinaamse Nederlanders aan de koloniale onderdrukking herinneren en zodoende pijn bij hen teweegbrengen. De CGB oordeelde echter dat "de functie van een woordenboek niet meer is dan het registreren van de betekenis van woorden in overeenstemming met het feitelijk woordgebruik".
Geschiedenis Engelse tijd Al vanaf het begin van de Europese kolonisatie van Suriname werd aan slavernij gedaan. De eerste expeditie die Francis Willoughby vanaf Barbados naar Suriname uitzond bestond uit ongeveer honderd kolonisten die zich aldaar vestigden. Zij hadden het doel suikerriet te verbouwen, waarvoor veel arbeidskrachten nodig waren en hadden daarom zo'n 600 slaven meegenomen. De kolonie was al gauw welvarend en de productie van suikerriet leverde winst op.
In 1664 heroverden de Fransen Cayenne (Frans-Guyana), waardoor de Joodse planters daar als ongewenste vreemdelingen gedwongen werden te vertrekken. Onder David Nassy vertrok een grote groep van hen naar Suriname en nam zijn slaven mee.
In totaal waren bij de verovering van Suriname door de Zeeuwse commandeur Abraham Crijnssen in 1667 zo'n vierduizend Europese immigranten en slaven van grotendeels Afrikaanse afkomst in Suriname, verdeeld over ongeveer 180 plantages. Niet alle slaven waren verscheept uit Afrika; ook de inheemse Surinamers werden in die tijd als niet-blanken tot slaaf gemaakt. (1934), hoofdstuk "De eerste nederzettingen" blz. 24-25 Hieraan kwam pas een einde nadat gouverneur van Sommelsdijck met de oorspronkelijke bewoners vredesverdragen sloot. (1934), hoofdstuk "Het Hollandse bewind" blz. 25-28
Sociëteitsbestuur Overname door de WIC Nadat Suriname in 1674 officieel Nederlands werd, vertrokken meer dan 1200 Engelsen om zich op Jamaica te vestigen. Meer dan de helft van de plantages werd verlaten. Zij namen de slaven en bezittingen mee. Ook vernietigden ze hun suikermolens alvorens te vertrekken.
Door deze exodus, de bijhorende welvaartsafname en een toenemend aantal aanvallen van inheemsen en weggelopen slaven werd de kolonie een bron van zorgen, waar haar eigenaars, de Staten van Zeeland en de Staten-Generaal, liefst vanaf wilden. Ze verkochten haar voor 260.000 gulden aan de West-Indische Compagnie. Bij deze verkoop verleende de Staten-Generaal een tienjarig octrooi aan de WIC. De Compagnie kreeg een monopolie op de slavenhandel naar de kolonie, maar verplichtte zich "aen de geseyde Colonie jaerlijck te leveren sodanigen aental slaven als aldaer sullen wesen gerequireert."
Aan het monopolie van de WIC kwam in 1734 een einde. Daarna kwam de slavenhandel vooral in handen van de Middelburgsche Commercie Compagnie.digitaleetalages.nl, De West-Indische Compagnie en de slavenhandel
Slavernij in de 18de eeuw Suriname werd in de 18de eeuw uiteindelijk een winstgevende kolonie. Het aantal plantages groeide tot 591 in 1780. Geschat wordt dat tussen de 200.000 en 275.000 Afrikanen legaal als slaven naar Suriname werden verhandeld.Marianne Wilschut, "Het leven van de slaven in de Nederlandse koloniën" (Historisch Nieuwsblad). Gearchiveerd op 15 juni 2018.Nationaal Archief, Einde aan een treurige geschiedenis van slavernij (1863). Gearchiveerd op 3 januari 2023. Deze schattingen houden echter geen rekening met de illegale slavenhandel. Het totale aantal naar Suriname verscheepte Afrikanen bedraagt mogelijk meer dan 350.000.Patricia D. Gomes, Afschaffing van de slavernij? In Suriname ging het nog tien jaar voort (De Correspondent - 30 oktober 2017) Ongeveer 14% van hen stierf al onderweg aan uitputting en ziektes.
thumb|"Een neger, levend aan zijn ribben opgehangen.", afbeelding uit een Italiaanse uitgave van Stedmans boek. Suriname had de reputatie een land met een weerzinwekkende variant van de slavernij te zijn. Dit is waarschijnlijk terug te leiden tot het verslag van de Schots-Nederlandse kapitein John Gabriël Stedman. Die had vijf jaar in Suriname gediend tegen de marrons en publiceerde daarover in 1796 een boek. Inmiddels is echter gebleken dat de passages in het boek waarin de Surinaamse slavernij als wreder dan de Britse variant worden geschilderd, later door Stedmans Britse redacteur zijn toegevoegd. Recent onderzoek steunt ook niet de bewering dat slaven in Suriname slechter leefden dan in andere Caraïbische slavenkoloniën.
Desondanks werden de slaven niet goed behandeld. De mensen moesten meestal zes dagen per week werken vaak tot diep in de nacht en kregen slechts rond de jaarwisseling enkele dagen vrij. Vrouwen liepen tevens het risico op verkrachting door de eigenaar of diens employees.
Vooral bij het aanleggen van de plantages (in feite grote polders) moesten de slaven hard zwoegen. Het dagelijkse werk op de suikerrietplantages was bovendien erg gevaarlijk; slaven verwondden zich regelmatig bij het kappen van het suikerriet. Werken met de suikermolens of in het kookhuis was nog gevaarlijker, omdat men gemakkelijk in het rad van de molen of de ketels met kokende suiker kon geraken. Dit werk werd daarom ook als straf gegeven.
Om de slaven, die getalsmatig in de meerderheid waren, onder controle te houden, gebruiken de planters lijfstraffen. Berucht is vooral de Spaanse bok. De repressie was zwaarder in plantages die dichter bij het oerwoud lagen, omdat de slaven daar de mogelijkheid hadden weg te lopen (zie Verzet). Planters probeerden de slaven ook tegen elkaar uit te spelen. Mulatten hoefden van hen bijvoorbeeld geen veldarbeid te doen en kregen een groter rantsoen.
Slaven woonden in aparte slavendorpen op de plantages. In de achttiende eeuw waren dat meestal enkele losstaande hutten, die de slaven zelf moesten bouwen en onderhouden. Ze kregen karig, eenzijdig voedsel. Een keer per jaar kregen zij een pakket met enkele kledingstukken en andere goederen. Slaven mochten als teken van hun onderworpenheid echter geen schoenen dragen.
Het sterftecijfer was erg hoog. Dit kwam voor een groot deel door de vele tropische ziekten in Suriname, maar ook hierin werkte hun behandeling mee. Slaven moesten hard werken, leefden in onhygiënische omstandigheden, werkten in stoffige loodsen en dronken vervuild water; hierdoor raakten zij gemakkelijker besmet. De administrateurs van de plantages klaagden voortdurend over deze hoge sterfte, maar losten het probleem doorgaans op door nieuwe slaven te kopen en niet door te investeren in een betere behandeling van de slaven.
Slaven mochten niet trouwen, maar wel kinderen krijgen. Dit gebeurde echter niet veel. Door de slechte behandeling waren vrouwen mogelijk fysiek niet goed in staat kinderen te krijgen of een zwangerschap succesvol uit te dragen. Het is echter waarschijnlijk dat zij er bewust voor kozen geen kinderen te krijgen. Na de emancipatie steeg het geboortecijfer onder de vrijgemaakten, zelfs wanneer hun economische omstandigheden (zoals soms het geval was) verslechterden.
Gecombineerd met het hoge sterftecijfer zorgde dit lage geboortecijfer ervoor dat er een sterfteoverschot was: de kolonie had een constante toevoer van nieuwe slaven nodig om een stabiele slavenpopulatie te behouden. Dit verklaart waarom Suriname bij de emancipatie slechts 44.911 kleurlingen telde, hoewel tussen de 200.000 en 350.000 Afrikanen als slaaf naar de kolonie waren getransporteerd. Ook dit was echter geen typisch Surinaams fenomeen. Het was het geval in alle koloniën waar slavernij was, behalve Barbados.
Verzet De slaven ondergingen hun behandeling niet verzetsloos. Tot de negentiende eeuw was de voornaamste verzetsmethode het weglopen. Weglopers waren vooral zogenaamde 'zoutwaternegers', slaven die van overzee aangevoerd waren. In de kolonie geboren slaven hadden hun roots en familie op de plantage en liepen daardoor minder vaak weg. De ontsnapte slaven die er in slaagden in het oerwoud te overleven (en hun nazaten) werden marrons. Deze overvielen af en toe de plantages om voedsel en wapens te verkrijgen en bevrijdden daarbij tegelijk andere slaven. Niet alle slaven liepen echter voorgoed weg. Soms was weglopen een vorm van protest, of werd het gedaan om een partner op een andere plantage te bezoeken. Slaven die hierbij betrapt werden kregen tachtig zweepslagen, of werden maanden in de boeien geslagen.
Er waren ook andere vormen van verzet, zoals sabotage en lijntrekkerij. Slaven protesteerden ook openlijk als verworven rechten, zoals vrije dagen, werden geschonden. In 1835 protesteerden de slaven op de plantage Zeezigt bijvoorbeeld met stakingen en werkweigering tegen de nieuwe directeur Guicherit. Deze protesten waren uiteindelijk succesvol: Guicherit werd ontslagen.
Doordat zij strikt van de blanke bevolking gescheiden bleven, ontwikkelden de slaven een eigen cultuur met een sterk West-Afrikaanse invloed. Ze hadden een eigen religie, Winti, en een eigen taal, het Sranantongo. Ook deze gebruikten zij als subtiele vorm van verzet. Veel slavenliederen hadden bijvoorbeeld een kritische ondertoon. De planters hadden dit echter niet door omdat zij het Sranantongo vaak maar gebrekkig beheersten.
Napoleontische tijd
Na het uitroepen van de Bataafse Republiek (een Franse vazalstaat in Nederland) in 1795 veroverden de Britten in 1799 Suriname. De kolonie werd met de vrede van Amiens (1802) teruggegeven aan Nederland, maar twee jaar later al weer heroverd. Ze bleef hierop onder Brits bestuur tot de vrede van Parijs (1815).
De Britten lieten de slavernij voortbestaan. Het revolutionaire Frankrijk schafte deze echter in heel het Franse koloniale rijk, onder andere in het aan Suriname grenzende Cayenne (Frans-Guyana), af. Een groot aantal slavenhouders werd uit de kolonie verbannen en vond asiel in Suriname. Tegelijk ontstond een slechts met grote moeite in te dammen vluchtbeweging van slaven naar Cayenne, waar zij vrij waren. (1934), hoofdstuk "Suriname onder Brits bestuur" blz. 83-86