De Bataafse Republiek (1795–1806) (in de toenmalige spelling Bataafsche Republiek), vanaf 1801 het Bataafs Gemenebest geheten, was een republiek die het grootste gedeelte van het huidige Nederland omvatte. De republiek was gevormd naar voorbeeld van en 'met militaire steun van' de Franse Republiek, waarvan de Bataafse Republiek formeel een zusterrepubliek was, maar de facto een vazalstaat. Op 1 maart 1796 kwam voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een nationaal en democratisch gekozen parlement bijeen. Aan de Bataafse Republiek kwam in 1806 een einde, met de stichting van het Koninkrijk Holland door de Franse keizer Napoleon.
Naam De Bataafse Republiek werd genoemd naar de Bataven, een Germaanse stam die ten tijde van Julius Caesar (100 v. Chr. - 44 v. Chr.) de delta van de Lage Landen bewoonde. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw werden zij door toonaangevende historici gezien als voorlopers van het Nederlandse volk en stichters van een zelfstandige Nederlandse natie. Aan het einde van de achttiende eeuw werd ook op politiek vlak op deze Bataafse mythe teruggegrepen.
Geschiedenis Beginperiode
Nieuw bestuur in gewesten thumb|Nieuwe Kaart der Bataafsche Republiek 1798 by Mortier Covens thumb|Afkondiging van vrijheid en gelijkheid, door het Amsterdams Comité Revolutionair op 19 januari 1795 Hoewel de Bataafse Republiek als staat nooit officieel werd uitgeroepen, wordt in Nederland door historici doorgaans als begindatum 19 januari 1795 aangehouden, één dag nadat erfstadhouder Willem V naar Engeland was gevlucht. Op diezelfde dag werd in Amsterdam het bestuur van de stad overgenomen door het Amsterdams Comité Revolutionair. Na deze geweldloze machtsovername verklaarde het comité dat de Amsterdamse bevolking voortaan "vrij" was en organiseerde het de eerste plaatselijke algemene verkiezingen in de stad. Twee dagen later werd deze onafhankelijkheid door de in de republiek aanwezige Franse 'volksrepresentanten' voorlopig erkend. Op uitnodiging van Amsterdam kwamen vertegenwoordigers van veertien Hollandse steden op 24 januari bijeen in die stad, waarna zij twee dagen later te Den Haag besloten om zich te verenigen als de Provisionele Representanten van het Volk van Holland. Vanaf die datum namen zij officieel het bestuur van het gewest Holland over van de Staten van Holland en West-Friesland. Als hun voorzitter kozen zij de Zeeuwse jurist Pieter Paulus, een gematigd en invloedrijk lid van de patriottische beweging. Op 28 januari kreeg ook het gewest Utrecht een nieuw voorlopig bestuur. Drenthe, Overijssel en Gelderland volgden op 10 februari, Zeeland op 23 februari.
Eerste staatsrechtelijke hervormingen Tot de installatie van een door het volk gekozen Nationale Vergadering in april 1796, waren de Provisionele Representanten van het Volk van Holland de meest invloedrijke bestuurders in de nieuwe soevereine republiek van de Noordelijke Nederlanden. Als een soort aflegging van verantwoording en verklaring van hun intenties aan het volk, gingen zij op 31 januari 1795 over tot een openlijke verklaring waarin de volkssoevereiniteit van Holland werd vastgelegd. In de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger werden de geformuleerde beginselen van mensenrechten en burgerrechten op papier gezet. In Nederland geldt dit document voor wat betreft deze grondrechten als de eerste formeel aanvaarde en gepubliceerde tekst.Berg, J.Th.J. van den & Vis, J.J. (2013) De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796-1946, p. 36 Daarnaast werd overgegaan tot afschaffing van: de ambten van erfstadhouder en raadpensionaris, de Staten van Holland en West-Friesland, de ridderschap, 'Gecommitteerde Raden' en de Rekenkamer, die werd vervangen door het Comité van Financiën.
De nieuwe Staten-Generaal nam op 16 februari 1795 de verklaring van de mensen- en burgerrechten over en schafte definitief het stadhouderschap, de ridderschap en de andere ambten van de generaliteit af. De Raad van State werd vervangen door het Comité tot de Algemeene Zaken van het Bondgenootschap te Lande. De vijf admiraliteiten werden omgevormd tot één Comité tot de Zaken van de Marine.Berg, J.Th.J. van den & Vis, J.J. (2013) De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796-1946, p. 37
Verplichtingen aan Frankrijk Bij het Verdrag van Den Haag van 16 mei 1795 werd met Frankrijk afgesproken dat in ruil voor de definitieve erkenning van een soevereine staat de Bataafse Republiek zich verplichtte om Frankrijk 100 miljoen gulden te betalen voor de 'bevrijding' van de Noordelijke Nederlanden, alsook om een Frans leger van 25.000 man op Nederlandse bodem langdurig te kleden en te voeden. Staats-Vlaanderen werd conform het verdrag definitief afgestaan aan Frankrijk, evenals Venlo en Maastricht. Het gezag over de haven van Vlissingen werd gedeeld met Frankrijk. Ook ging de republiek een defensief en offensief verbond met Frankrijk aan.Berg, J.Th.J. van den & Vis, J.J. (2013) De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796-1946, p. 39 Engeland verklaarde hierop de Bataafse Republiek de oorlog, en begon met een stelselmatige bezetting van de Bataafse koloniën.
Slavenopstand Curaçao In tegenstelling tot Frankrijk, waar de Franse Revolutie snel radicaliseerde en de guillotine overuren draaide, werden de revolutionaire veranderingen in de Bataafse Republiek relatief vreedzaam doorgevoerd. Anders lag dat op het Caribische eiland Curaçao, eveneens onderdeel van de Bataafse Republiek. De slaven aldaar kwamen in augustus 1795 massaal in opstand. In navolging van de idealen van de Franse Revolutie wilden ook zij vrijheid en gelijkheid. De Bataafse Republiek wenste echter dat de slavernij alleen geleidelijk verdween, mede om economische redenen; de opstand werd neergeslagen en de drie leiders werden conform de wet eerst gemarteld voordat ze gedood werden. Negenentwintig andere slaven werden opgehangen.Elk jaar wordt op Curaçao op 17 augustus de slavenopstand herdacht op de 'Dia di lucha pa libertat' (dag van de vrijheidsstrijd), ook de Tula-herdenking genoemd; naar Tula, de leider van de opstand.
Nationale Vergadering De Nationale Vergadering, de eerste nationale en door het volk democratisch gekozen Nederlandse volksvertegenwoordiging, kwam op 1 maart 1796 voor de eerste maal in zitting in Den Haag bijeen. De leden uit Groningen en Friesland ontbraken, want die moesten door de trage besluitvorming in die gewesten nog gekozen worden. Aan de eerste zitting waren algemene verkiezingen voorafgegaan. Politieke partijen bestonden niet. Iedereen trad toe op persoonlijke titel. Alleen volwassen mannen die geen militair waren en niet van de bedeling leefden mochten stemmen. Als extra voorwaarde moesten ze een verklaring ondertekenen tegen het stadhouderlijk gezag en tegen de aristocratie.Pas in 1917 kregen in Nederland ook vrouwen passief kiesrecht. Pieter Paulus, de voorzitter en feitelijk premier en staatshoofd, stierf zeventien dagen later aan een longontsteking. Voor het vervullen van het voorzitterschap maakte dat niet veel uit, want er was overeengekomen dat die elke twee weken door iemand anders bekleed zou worden. De reden voor die korte zittingsperiode was dat men bang was voor machtsmisbruik, een vrees die mede voortgekomen was uit de ervaringen met de jacobijnse terreur in Frankrijk.
Burgerrechten voor Joden Onder aanvoering van patriottenclub Felix Libertate groeide de politieke druk vanuit de Haskala, die streed voor gelijkberechtiging en emancipatie van Joden in Nederland. Op 2 september 1796 bepaalde de Nationale Vergadering dat Joden in Nederland voortaan dezelfde rechten bezaten als de andere Bataafse burgers: „geen Jood zal worden uitgeslooten van eenige rechten of voordeelen die aan het Bataafsch Burgerregt verknocht zyn.” Hoewel zij nu dus voor de wet gelijk waren, bleef het in de praktijk nog lang zo dat veel Joden een ongelijke behandeling ten deel viel. Desalniettemin maakte de wet het mogelijk dat Herman Bromet en Hartog de Hartog Lémon op 31 augustus 1797 als eerste Joodse volksvertegenwoordigers in Europa zitting konden nemen in een nationaal parlement, ofwel in de Tweede Nationale Vergadering.
Vorming staatsbestel thumb|Zitting van de eerste Nationale Vergadering in Den Haag, van 1 maart 1796 tot 31 augustus 1797. Het is dezelfde zaal waarin later, tot 1992, de Tweede Kamer zijn zittingen zou houden. De belangrijkste taak van de vergadering was het opstellen van een Constitutie om op die manier eenheid binnen de gewesten te brengen. Dat opstellen werd conform de eerder gemaakte afspraken gedelegeerd aan een commissie van 21 leden, die zich weer opdeelde in 25 subcommissies. De subcommissies leidden tot trage besluitvorming. Met de scheiding van kerk en staat werd echter niet gewacht. Op 5 augustus 1796 werd daarover ingestemd. De katholieken, die al meer dan 200 jaar als tweederangsburgers een derde deel van de bevolking uitmaakten, kregen voortaan gelijke burgerrechten, al zou het nog tot 1853 duren voordat de rooms-katholieke hiërarchie in de Nederlandse kerkprovincie hersteld mocht worden. Ook de dissenters (remonstranten en doopsgezinden) en joden kregen dezelfde rechten.De joden in Nederland herdenken nog steeds de 'Gelijkstaat'. Allen mochten nu ook publieke functies vervullen. Tevens werd bepaald dat een godsdienst alleen uitgeoefend mocht worden binnen de muren van gebedshuizen en kerken, klokgelui werd verboden. Op 8 augustus 1797 werd de ontwerp-grondwet voorgelegd aan het volk. Aan het volksreferendum deden bijna 137.000 mannen mee, ongeveer een derde van het aantal stemgerechtigden; volgens de officiële uitslag waren 108.761 kiezers tegen en 27.955 voor de grondwet.Berg, J.Th.J. van den & Vis, J.J. (2013) De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796-1946, p. 57 Een week eerder was er ook voor de tweede keer een Nationale Vergadering gekozen. Die leek weinig voortvarend om te gaan met de behandeling van een nieuwe ontwerp-grondwet. Dat leidde tot irritatie in Frankrijk, dat in de persoon van Charles Delacroix een nieuwe ambassadeur naar Den Haag stuurde. Delacroix kreeg de opdracht te zorgen voor een snelle aanvaarding van een nieuwe ontwerp-grondwet, desnoods onder dreiging met geweld.Berg, J.Th.J. van den & Vis, J.J. (2013) De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796-1946, p. 59
Staatsgreep van 1798
Een aantal Amsterdamse radicale democraten, met onder meer Samuel Wiselius in hun gelederen, nam het initiatief tot het plegen van een staatsgreep om op die manier het indienen van een nieuwe ontwerp-grondwet te bespoedigen. Een groep Bataafse volksvertegenwoordigers, met onder anderen Pieter Vreede, Wijbo Fijnje en Jacobus Nolet, kreeg van het Franse Directoire toestemming voor een coup d'etat. De regie werd overgelaten aan de brigadegeneraal Herman Daendels. Op 22 januari 1798 vond de staatsgreep plaats. 28 leden van de Tweede Nationale Vergadering werden gearresteerd. Anderen, die niet akkoord gingen met het afleggen van een op de dag van de staatsgreep verplicht gestelde verklaring van afkeer van het federalisme, de aristocratie, de stadhouderlijke regering en regeringsloosheid, werden weggestuurd. Hoogleraren, predikanten en priesters mochten evenmin terugkeren. De staatsgreep, die de naam 'Gebeurtenis' meekreeg, verliep zonder bloedvergieten. De Nationale Vergadering, die bij de staatsgreep meer dan een derde van zijn leden verloren had, kreeg een nieuwe naam: Constituerende Vergadering. Tegelijkertijd werd naar Frans model een Uitvoerend Bewind opgericht, voorlopig nog 'provisioneel' en waarin een handvol volksvertegenwoordigers zitting kreeg. De unitariërs hadden daarmee de strijd gewonnen.