Franco Battiato, geboren als Francesco Battiato (Ionia, 23 maart 1945 – Milo, 18 mei 2021), was een Italiaanse zanger, gitarist, liedjesschrijver en filmmaker (regisseur). Battiato wordt door de journalist en muzikant Fabio Zuffanti beschouwd als een van de grootste Italiaanse componisten, op hetzelfde niveau als Giuseppe Verdi, Giacomo Puccini en Antonio Vivaldi. Hij was onder het pseudoniem Süphan Barzani ook schilder. Aanvankelijk maakte hij etnische muziek, progressieve rock en lichte muziek, om ten slotte zelfs bij opera en klassieke muziek te belanden. Vanaf de late jaren zeventig werkte hij vaak samen met de Italiaanse violist Giusto Pio, zowel in de studio als bij optredens. Giusto Pio was tevens componist en orkestdirigent bij het RAI orkest van Milaan. Battiato speelde synthesizer, keyboards, gitaar, piano en soms viool.

Privéleven Hij groeide op in Ionia, na de Tweede Wereldoorlog Riposto geheten, vlak bij de vulkaan de Etna en deed zijn secundair onderwijs in het Liceo Scientifico "Archimede" te Acireale. Zijn familie bestond vooral uit vissers. Als kind was hij linkshandig. Francesco had twee broers, waarvan één zeer jong gestorven is. Zijn vader, Salvatore Battiato, een vrachtwagenchauffeur en havenarbeider in New York, overleed toen Francesco 18 jaar was. Hierna verhuisde Battiato in 1964 eerst naar Rome. Hij onderbrak zijn studies aan de universiteit om te kiezen voor een muzikale carrière. Op 22-jarige leeftijd trok hij naar Milaan, waar hij korte tijd later zijn eerste contract met een platenfirma afsloot. Franco Battiato was zeer gehecht aan zijn moeder Grazia Patti, die in 1994 overleed. Alhoewel hij in zijn vaderland beroemd en geliefd was, hield hij nooit van het mondaine leven. Franco Battiato was vrijgezel en had geen kinderen. Hij was vegetariër, maar heeft als jongere wel gerookt.

Na decennia in Milaan gewoond te hebben keerde hij terug naar de streek van zijn voorouders, namelijk het gebied rond de Etna in het dorpje Milo. Hij vond er vaak inspiratie in dit unieke landschap.

In 2015 kwam hij bij een optreden in Bari op het podium ten val waarbij hij zijn dijbeen brak. Dit genas goed, en hij trad in 2016 weer op. In november 2017 deed hij een val, waarbij hij zijn bekken brak en werd duidelijk dat de zanger ernstig ziek was. Hij woonde in Milo op Sicilië. Zijn broer Michele en zijn schoonzus zorgden voor hem. Volgens hen was er sprake van een langzaam herstel van Franco's gezondheid en schilderde de kunstenaar dagelijks. Op 22 maart 2019 gaf hij ter gelegenheid van zijn 74e verjaardag en het verschijnen van de CD Fleurs als vinyl LP een korte geschreven verklaring aan de pers. "Mijn gezondheid is beter en door te schilderen voel ik me weer op mijn gemak. Ik schrijf een nieuw liedje".

Franco Battiato geloofde vast in een transcendente wereld, waarmee hij contact had. Hij vertelde in een interview dat hij in een vorige reïncarnatie in de 19e eeuw leefde. Mystiek en vooral de ideeën van George Gurdjieff vormden een belangrijk aspect van zijn leven. Het soefisme en het boeddhisme leerde hij kennen via een reis naar Turkije en een verblijf van drie maanden in Nepal. Hij bezocht ook India.

Battiato overleed in 2021 op 76-jarige leeftijd. Zijn familie heeft zijn gezondheidstoestand steeds als een deel van zijn privéleven beschouwd. De uitvaartplechtigheid vond de dag na zijn overlijden plaats in besloten kring.

Op het muziekfestival van Sanremo in 2022 Festival werd hulde gebracht aan Raffaella Carrà, Franco Battiato en Lucio Dalla. In Milo, waar beide artiesten gewoond hebben, werd op 12 augustus 2022 een standbeeld onthuld dat de zangers Franco Battiato en Lucio Dalla voorstelt.

Beginperiode: 1964 tot 1979 Franco Battiato wordt beschouwd als een van de belangrijkste, invloedrijkste en origineelste persoonlijkheden in de Italiaanse muziek sinds de jaren zeventig. Battiato heeft zich altijd met vele muziekstijlen ingelaten en ze gecombineerd in een eclectische benadering. In zijn beginperiode in de jaren zestig was hij eerst een protestzanger, daarna had zijn muziek een meer romantisch karakter. In Milaan sloot hij vriendschap met zanger en acteur Giorgio Gaber. In deze periode bracht hij singles uit zoals L'amore è partito (een cover van het liedje van Beppe Cardile) en E piu ti amo (cover van een nummer van Alain Barrière 1965). La torre / Le reazioni en Triste come me / Il mondo va così (1967) en E l'amore / Fumo di una sigaretta (1968) en Bella ragazza / Occhi d'or (1969) waren de volgende singles. Zijn eerste televisieoptreden kwam op 1 mei 1967. Hij werd uitgenodigd voor het tv-programma Diamoci del tu, gepresenteerd door Caterina Caselli en Giorgio Gaber. In dezelfde aflevering van het programma trad ook de nog onbekende Francesco Guccini op. Op vraag van Guccini veranderde Battiato, die zich tot dan toe Francesco liet noemen, zijn artiestennaam in Franco Battiato, om niet met Guccini verward te worden.

E l'amore (Het is de liefde), een liedje dat hij schreef in 1968, was een bescheiden succes. Battiato verkocht 100.000 exemplaren van deze single, wat weinig was in die tijd, maar toch een mooi cijfer voor een debutant. Toch voelde hij zich gefrustreerd. Hij had immers een afkeer van het gebruik van cliché's zoals "ik voel me droef, zonder jou" of "zulke mooie blauwe ogen" Hij consulteerde een psychoanalyticus, maar die begreep hem niet. Franco Battiato vertrok dan naar Londen en kocht er een synthesizer.

In 1970 ontmoette hij de experimentele componist en muzikant Juri Camisasca en werkte hij samen met de progressief-psychedelische rock band Osage Tribe, dat in 1972 het album Arrowhead uitbracht.

In de jaren zeventig groeide zijn bekendheid in Italië door avant-gardistische composities en optredens voor televisie. Beginnend met elektronische progressieve rock met enige nadruk op stemmen, werd zijn musiek steeds experimenteler, geleidelijk evoluerend naar musique concrète en minimalisme: Foetus (1971), Pollution (1972), Sulle Corde di Aries (1973), Clic (1974) and M.elle le “Gladiator” (1975).

Zo was Fetus (Foetus) elektronisch, onder invloed van Stockhausen, alhoewel er ook kinderstemmen, fragmenten van walsmuziek en een Napolitaans volkslied in verwerkt waren. De hoes van Fetus werd eerst verboden omdat het een foetus in de baarmoeder toonde. Het album Pollution (Vervuiling) uit 1972, is het meest toegankelijke album uit Batiato's progressieve experimentele periode en het bereikte de negentiende plaats in de Italiaanse hitparade voor LP's. Hij verwerkte in dit album onder andere een echo van walsmuziek in de stijl van Johann Strauss met eigentijdse elementen.

Op het einde van de jaren zeventig werd Battiato in het buitenland een kultfiguur en trad op als opening act bij concerten van Brian Eno en Nico. Keyboards werden toen belangrijker en zijn muziek evolueerde naar synthetische pop.

De grote successen (1980 - 1982) miniatuur|Giusto Pio, medewerker van Battiato in de jaren 1970 en 1980 Het album Patriots (1980) betekende het eerste commerciële succes. De nummers Up Patriots to Arms en Prospettiva Nevski (geïnspireerd door de gelijknamige laan in Sint-Petersburg) werden klassiekers. Le aquile was een nummer geïnspireerd op de roman Statue d'acqua, van de Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy.

De inspiratie voor het nummer Up Patriots to Arms kwam in 1975, toen Battiato in een pub in Birmingham een grote affiche zag met dit opschrift. Eerst vond hij deze slogan komisch, maar daarna bedacht hij dat zulke zin, met een positieve interpretatie, een aansporing kon zijn om te beginnen met iets nieuws en veranderingen tot stand te brengen. Intussen was Battiato een nationaal bekend figuur geworden die regelmatig als zanger of deelnemer aan praatprogramma's op RAI televisie te zien was.

Franco Battiato bracht in 1981 La voce del padrone uit (de titel is een ironische zinspeling op het platenlabel His Master's Voice), de eerste Italiaanse lp waarvan meer dan een miljoen exemplaren verkocht werden. Het nummer Cuccurucucu van deze LP leent het refrein van het liedje Cucurrucucu paloma van Tomás Méndez. Het bevat ook verwijzingen naar de Britse bands The Beatles en de Rolling Stones. Het rocktijdschrift Rolling Stone zette La voce del Padrone op de tweede plaats in de top honderd van de beste Italiaanse albums ooit.

In 1982 werd het nummer Centro di gravita' permanente erg populair. Battiato noemde de reactie van het publiek bij live optredens hallucinant. Centro di gravita permanente is gebaseerd op de theorie van de filosoof Georges Ivanovič Gurdjieff, en gaat over de zoektocht naar een innerlijk stabiel zwaartepunt, dat essentieel is voor het beheersen van emotionele en irrationele driften.

Van Eurovisiesongfestival tot klassieke opera en film Samen met Alice deed hij mee aan het Eurovisiesongfestival 1984 met het lied I treni di Tozeur (De treinen van Tozeur). Tozeur is een stad in een Tunesische oase. In de omgeving van deze plek bevindt zich een zoutmeer (citaat: distese di sale). Op het einde van het lied zongen drie achtergrondzangeressen enkele woorden uit de opera De Toverfluit van Mozart, wat controversieel was. De Nederlandse omroep TROS, (welke onderdeel is van de Nederlandse publieke omroep) maakte een promotiefilmpje, waarin Alice en Battiato over een brug in Zierikzee wandelden, terwijl ze het liedje zingen. Italië werd in een veld van 19 landen met 70 punten gedeeld vijfde met België. Opmerkelijk is dat Italië slechts van negen van de achttien andere landen punten kreeg, waaronder echter wel tweemaal 12 punten en nog enkele andere hoge scores. Het lied werd een absolute evergreen.

Op Mondi lontanissimi (1985) stond het lied Risveglio di Primavera, geïnspireerd door het toneelstuk Frühlings Erwachen van de Duitse auteur Frank Wedekind.

Het album Nomadas (1987) bevatte een verzameling van zijn meest succesvolle nummers, herschreven in het Spaans, waaronder La era del jabalí blanco (L'era dell cinghiali bianco, Het tijdperk van het witte everzwijn). Fisiognomica, een album uit 1988 bevatte o.a. de liedjes E ti vengo a cercare en Nomadi (van Juri Camisasca). Veni l'autunnu (De herfst komt) is geschreven in het Siciliaans, maar de laatste strofe in het Arabisch. Voor zijn collega zanger Gianni Morandi schreef hij het lied Che cosa resterà di me. Op 18 maart 1989 gaf Franco Battiato een concert in de Sala Nervi te Rome in aanwezigheid van paus Johannes-Paulus II, enkele kardinalen en een publiek dat bestond uit jongeren uit de hele wereld. Hij zong er o.a. het het religieuze lied E ti vengo a cercare (Ik kom u halen). Datzelfde jaar verscheen het album Venuti dalle Madonie a cercar carbone van de New Wave groep Denovo uit Catania met de artistieke hulp van Franco Battiato. Er werd gezegd dat de openingszin van het nummer Mi viene un brivido door hem geschreven was.

Rond 1990 begon hij ook het schilderen te gebruiken als een vorm van artistieke expressie. Zijn schilderijen worden wereldwijd tentoongesteld. Veel voorkomende motieven zijn biddende Soefis of Derwisjen en alledaagse gezichten. Critici zien vooral een verwantschap met laat Byzantijnse kunst. Sommigen bespeuren ook invloeden uit de kunst van Indië en Perzië.

Sociale en politieke thema's komen in zijn muziek regelmatig aan bod, zoals in de teksten van Bandiera bianca (Witte vlag), Povera Patria, Radio Varsavia (Radio Warschau), Up Patriots to Arms, Lettera al governatore della Libia (Brief aan de gouverneur van Lybië, een vroegere Italiaanse kolonie), Ermeneutica, I'm That, Inneres Auge en 23 coppie di cromosomi. In Bandiera Bianca verwijst hij meermaals naar andere zangers. Mister Tamburino bijvoorbeeld slaat op Bob Dylan's Mr. Tambourine Man. De zin siamo figli delle stelle (we zijn kinderen van de sterren) verwijst naar de Italiaanse zanger Alan Sorrenti.