thumb|Monument Nederland Neutraal 1914-1918 te Winterswijk Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 bleef Nederland onpartijdig. De regering streefde strikte neutraliteit na.

Achtergrond Dat Nederland zich in augustus 1914 neutraal verklaarde was begrijpelijk. Net zoals België was het een klein land dat grootmachten als Duitsland, Engeland en Frankrijk als 'buurlanden' had. De Nederlandse krijgsmacht was te zwak om een van die mogendheden in een conflict te kunnen weerstaan. Daarom hechtte Nederland sterk aan neutraliteit en aan het internationaal recht, om de status quo te behouden. In die jaren bezat Nederland nog zijn koloniën, waaronder Suriname en het uitgestrekte Nederlands-Indië. Nederland besefte dat alleen dankzij een door alle staten geaccepteerde rechtsorde die koloniën behouden konden blijven. In 1899 en in 1907 waren (niet toevallig) in Den Haag vredesconferenties gehouden. Als resultaat van de tweede vredesconferentie werd in Den Haag het Vredespaleis gebouwd en in 1913 officieel geopend. Dit internationaal gerechtshof was bedoeld om internationale conflicten op vreedzame wijze te beslechten. De Nederlandse neutraliteitsverklaring paste in een traditie.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) waren elf landen neutraal: Argentinië, Chili, Denemarken, Ethiopië, Mexico, Nederland, Noorwegen, Spanje, Venezuela, Zweden en Zwitserland.De oorlogvoerende landen tijdens de Eerste Wereldoorlog, wereldoorlog1418.nl De rest van de wereld, toen 34 staten, was met elkaar in oorlog. De Nederlandse regering, hierin gesteund door koningin Wilhelmina en een groot deel van de bevolking, streefde strikte neutraliteit na.

Handhaving neutraliteit Nadat in augustus 1914 de oorlog was uitgebroken, moest de Nederlandse regering zijn neutraliteit handhaven. Bij grove schendingen van de Nederlandse neutraliteit, tientallen Nederlandse schepen werden getorpedeerd of liepen op mijnen, protesteerde de regering bij het land dat zij daarvoor verantwoordelijk hield. De reacties van de oorlogvoerende landen waren verschillend. Ze bestreden de Nederlandse lezing van het incident, maar in een aantal gevallen werd na veel overleg toch schadevergoeding uitgekeerd. Nadat Duitsland in februari 1917 een onbeperkte duikbootoorlog had afgekondigd, liepen de Nederlandse schepen nog meer risico.

Toen een Brits vliegtuig eind april 1917 per ongeluk Zierikzee bombardeerde, stelde de regering de Britse luchtmacht daarvoor verantwoordelijk. Aanvankelijk wezen de Britten elke betrokkenheid af, maar moesten uiteindelijk toch toegeven en keerden een jaar later een schadevergoeding uit.Zierikzee Monumentenstad Mobilisatie 1914-1918

thumb|De Dodendraad in Zeeuws-Vlaanderen Op de grens van België en Nederland liep gedurende een groot deel van de Eerste Wereldoorlog een 332 kilometer lange elektrische draadversperring, bekend als 'de Draad' of de 'Dodendraad', die aan honderden mensen het leven kostte. De draad was vooral bedoeld om smokkel tegen te gaan. Die vond op grote schaal plaats toen de oorlogsschaarste nijpender werd en de prijsverschillen tussen de twee landen waren toegenomen.

De oorlogvoerende landen Duitsland en Groot-Brittannië hebben de Nederlandse neutraliteit laten bestaan, omdat ze daar belang bij hadden. Voor Duitsland betekende het dat het toch een soort 'aanvoerkanaal' openhield, nadat vanaf augustus 1914 een Britse blokkade van de Duitse wateren was ingesteld. Voor Groot-Brittannië was Nederland interessant om inlichtingen te verkrijgen en de Britten hadden vanaf de Nederlandse Noordzeekust geen vijandelijkheden te duchten.Prof. dr. H. Brugmans (red.), Nederland in den Oorlogstijd. De geschiedenis van Nederland en van Nederlandsch-Indië tijdens den oorlog van 1914 tot 1919, Elsevier, Amsterdam, 1920, pag. 112 e.v.

Pro-Duits of pro-Engels De Nederlandse regering had haar onzijdigheid (neutraliteit) in augustus 1914 kenbaar gemaakt bij de oorlogvoerende landen. Die landen gaven direct als antwoord de Nederlandse neutraliteit te zullen respecteren. Bij het Nederlandse volk lag tijdens de oorlog over het algemeen de sympathie bij de Geallieerden., Het ‘Baralong-voorval’, 19 augustus 1915. Misdaad en straf volgens het Britse zeerecht, in Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 14 (1995), p. 123. De Duitse inval in het neutrale België – met de begane wreedheden – en in maart 1915 het torpederen van het Britse passagiersschip de Lusitania, waar ook veel Amerikanen bij omkwamen, deden de Duitse zaak geen goed. Daarnaast ervoeren veel Nederlanders de Duitse buur met zijn enorme krijgsmacht als een bedreiging. Hoewel de Britten letterlijk in Nederlands vaarwater zaten en veel Nederlandse schepen aan- of vasthielden, waren de meeste Nederlanders toch meer bevreesd voor de machtige oosterbuur. De handel met Duitsland bleef van belang voor Nederland, maar werd door de oorlog minder. Een bijverschijnsel in die oorlogsjaren waren de zogeheten oorlogswinstmakers, de O.W.'ers. Dat waren handelaren of anderen die profiteerden van de prijsverschillen die in Duitsland en Nederland ontstonden door de toenemende schaarste. Door reguliere handel en door smokkel wisten zij aanzienlijke winsten te verkrijgen.

In onder meer protestante kringen bestond wel sympathie voor de Duitse zaak. Die werd mede ingegeven door de herinnering aan de Boerenoorlog (1899-1902) in Zuid-Afrika.Buiten schot: Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog: 1914-1918 / Paul Moeyes, 2001. pag. 372 e.v.

Generaal Snijders was van mening dat totale neutraliteit uiteindelijk niet te handhaven zou zijn. Hij vroeg het kabinet daarom welke kant zij zou kiezen, wanneer het tot een treffen zou komen. Dit met het oog op mogelijke voorbereidingen. Aan het eind van de oorlog sprak generaal Snijders de mening uit dat Nederland tegen een eventueel treffen met Duitsland niet opgewassen zou zijn. Het kabinet-Cort van der Linden beschuldigde de generaal daarop van defaitisme.

De regering wilde de bevelhebber de laan uitsturen. Dit gebeurde echter niet. De reden daarvoor was dat koningin Wilhelmina bij die conflicten consequent de zijde van haar opperbevelhebber koos. De reden dat de koningin standvastig naast haar bevelhebber bleef staan is dat zij erg begaan was met het leger en de marine. Zij wilde gezien worden als een soldatenkoningin.

In april 1918 leek de bom te barsten. Het Duitse voorjaarsoffensief ging van start en een Duitse inval in Nederland leek onvermijdelijk. Generaal Snijders deelde de regering mee dat tegenstand tegen de Duitse troepen geen zin had.

Minister van Oorlog De Jonge vond het nu welletjes. Hij eiste officieel het ontslag van Snijders. Opnieuw verklaarde koningin Wilhelmina dat zij de generaal niet zou ontslaan, "zelfs niet als dit het heengaan van de minister tot gevolg zou hebben". Logischerwijs zou de regering op deze mededeling hebben moeten reageren met aftreden. Maar er waren verkiezingen op komst en dus bleven de heren zitten – net als de generaal. Die ruimde pas een half jaar later het veld, op 6 november – vijf dagen voor het einde van de oorlog – toen de regering hervormingen in de krijgsmacht doorvoerde.

Interneringskampen thumb|Belgenmonument in Amersfoort thumb|Gedenkteken Franse vluchtelingen in Maastricht De neutraliteit hield ook in dat soldaten van de oorlogvoerende naties moesten worden ontwapend en geïnterneerd gedurende de rest van de oorlog als zij de Nederlandse grens overschreden. Dat kon gaan om militairen die uitweken tijdens de strijd, piloten van vliegtuigen die een noodlanding moesten maken of deserteurs. Dat betekende dat er Belgische, Franse, Duitse en Britse soldaten werden geïnterneerd. Er kwamen ook uit Duitsland of België krijgsgevangenen van andere landen over de grens, zodat er zelfs Russische soldaten in Nederland belandden. Uiteindelijk liep het aantal nationaliteiten van die militairen tot zo'n twintig op en het aantal zou de dertigduizend passeren. Kampen voor geïnterneerde militairen waren er in Loosduinen, Zeist, Harderwijk, Alkmaar, Oldebroek, Zwolle, Kampen, Urk, Leeuwarden, Veenhuizen en Assen. In Gaasterland was een interneringskamp voor Duitsers en in Groningen een kamp voor ruim 1.500 Britse marinesoldaten, die als infanterie-eenheden nabij Antwerpen waren ingezet. Op het toenmalige eiland Urk werden tijdens de oorlog enkele tientallen Britse en Franse officieren geïnterneerd. In interneringskampen in Amersfoort, Zeist, Harderwijk en Bergen aan Zee zaten 30.000 gevluchte Belgische militairen opgesloten. In kamp Zeist, waar ruim 12.000 gevluchte Belgische militairen waren geïnterneerd, zowel in als rondom het kamp, kwam het tot een ernstig oproer. De Nederlandse bewakingstroepen schoten zeven Belgen dood en verwondden er 22, nadat twee Belgen trachtten te ontvluchten.

Ook waren er speciale kampen voor Belgische burgervluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog (en in mindere mate Franse en Duitse). Na het uitbreken van de oorlog werd Nederland overspoeld door vluchtelingen. In Maastricht (met 38.000 inwoners) meldden zich 14.000 Belgische vluchtelingen. Daarvan keerden er in het najaar zo'n 9000 terug naar België. (2005): Historische Encyclopedie Maastricht, p. 575: 'Wereldoorlog, Eerste'. Walburg Pers, Zutphen / RHCL, Maastricht. . Ongeveer honderdduizend gevluchte Belgen zouden tot november 1918 in Nederland blijven. Door ziekte en ontbering kwamen velen om in de kampen. Van een Belgisch gezin uit Weerst, waarvan drie zoons door de Duitsers waren opgehangen, kwamen de moeder en twee dochters om in een Nederlands interneringskamp. Zogenaamde Belgenmonumenten in onder andere Amersfoort, Ede, Nunspeet en Maastricht herinneren aan deze kampen.

Gevangenenruil via Nederland thumb|Trein met Engelse gewonde krijgsgevangenen in Roosendaal Tijdens de oorlog werden meermaals gewonde krijgsgevangenen via Nederland uitgeruild. Geallieerde krijgsgevangenen kwamen met de trein via Roosendaal binnen en werden vanaf Rotterdam per veerboot naar Engeland vervoerd. Diezelfde veerboot bracht Duitse krijgsgevangenen vanuit Engeland naar Nederland om verder vervoerd te worden naar Duitsland. Deze gevangenenruil was onder toezicht van het Rode Kruis, de Nederlandse overheid en Duitse en Engelse officieren.Algemeen Handelsblad, 8 oktober 2018Middelburgsche Courant, 7 december 2016Delfsche Courant, 3 januari 1918. Gearchiveerd op 26 juni 2023.Uitwisseling van Britse en Duitse krijgsgevangen te Hoek van Holland in 1916, Een digitale tijdlijn van het Historisch Genootschap Hoek van Holland. Gearchiveerd op 25 maart 2023.

Spionage Vanwege de neutraliteit en geografische ligging tussen Groot-Brittannië, Duitsland en België werd Nederland een broeinest van spionage. Rotterdam was zelfs het grootste spionagecentrum van de Eerste Wereldoorlog door de spoorverbindingen met België en Duitsland en de veerdiensten op Engeland. Ook steden als Vlissingen en Maastricht werden uitvalsbasis voor spionnen. Geheime diensten van vooral Duitsland en Groot-Brittannië vestigden kantoren in Rotterdam.Edwin Ruis, Spionnennest 1914-1918 (Just Publishers 2012). Gearchiveerd op 26 juni 2023.

De Duitse marine-inlichtingendienst 'N' stuurde vanuit Rotterdam spionnen naar Engeland, onder wie ook veel Nederlanders. Twee van hen, Heicke Janssen en Willem Roos, werden gepakt en in juli 1915 ter dood gebracht in de Tower van Londen. In oktober 1917 werd Mata Hari in Frankrijk geëxecuteerd wegens spionage voor Duitsland. Nog eens drie Nederlanders werden in België door de Duitse bezetter geëxecuteerd wegens deelname aan het Belgische verzet.Jan Van der Fraenen, Voor den kop geschoten (Roularta Books 2009).

Religie en kerkelijk leven