De onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht (1992) vonden plaats in 1991.
Voorgeschiedenis De historische context van het Verdrag van Maastricht miniatuur|Kabinet Lubbers III na beëdiging door koningin Beatrix. Op 1 juli 1991 nam Nederland het halfjaarlijkse voorzitterschap van de Raad van de Europese Gemeenschappen op zich en daarmee ook het voorzitterschap van twee reeds lopende Intergouvernementele Conferenties (IGC's). Het kabinet-Lubbers III wilde, na het ondertekenen van de Verdragen van Schengen een jaar eerder, de Europese integratie opnieuw een flinke stap vooruit helpen. De bedoeling was om tijdens het Nederlandse voorzitterschap overeenstemming te bereiken met de andere lidstaten over verdergaande samenwerking – ook op niet-economisch terrein – en te komen tot een verdrag met een blauwdruk voor een Economische en Monetaire Unie (EMU) en een Europese Politieke Unie (EPU). De EMU, met als doel de invoering van één munt en één centrale bank, stond al sinds 1988 op de agenda. Hans-Dietrich Genscher, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, hield in februari 1988 een pleidooi voor de oprichting van een Europese Centrale Bank. Jacques Delors trok als voorzitter van de Europese Commissie deze gedachte naar zich toe en startte in juni 1988 samen met de centrale bankpresidenten van de lidstaten het zogenoemde "Comité voor het bestuderen van de Economische en Monetaire Unie". Dit Comité-Delors bouwde voort op het werk van het Comité-Werner uit 1970. In juli van dit jaar schaarden de Duitse premier Kohl en de Franse president Mitterrand zich achter deze gedachten. De EPU, het gezamenlijk naar buiten treden van de lidstaten op terreinen als defensie en buitenlandse zaken, was in 1990 als doelstelling geformuleerd. miniatuur|Mensen boven op de Berlijnse muur - 9 november 1989 Het grote historische keerpunt was de val van de Berlijnse Muur in november 1989. Na de Duitse eenwording vond op 27 en 28 oktober 1990 een Europese top plaats in Rome. Deze top kreeg op 14 en 15 december een vervolg in Rome. Tijdens deze top werd in feite het latere Verdrag van Maastricht op de rails gezet. Als gevolg van de Rome-afspraken werden namelijk twee Intergouvernementele Conferenties (IGC's) opgericht: een voor de EMU en een voor de EPU. Het EPU-voorstel, het vormen van een federaal model met institutionele verbeteringen en democratische controle, ging terug op een Frans-Duits voorstel uit april 1990.Johan van Merriënboer & Lennart Steenbergen, Ruud Lubbers. Een slag anders. Boom, 2024, 508-509. Ter voorbereiding van het Verdrag van Maastricht kwamen in het kader daarvan de ministers van Financiën (de EMU) en de ministers van Buitenlandse Zaken (EPU) daardoor regelmatig bijeen in het kader van een IGC.
Voorafgaand aan en tijdens de "Europese top" in Maastricht vond intensief diplomatiek overleg plaats. Hierbij speelden onder meer de Nederlandse topdiplomaat Ronald van Beuge en Pieter Nieman, de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger in Brussel, een belangrijke rol. Minister-president Ruud Lubbers reisde in het najaar van 1991 langs de Europese hoofdsteden om iedereen op één lijn te krijgen. Kort voor de topconferentie: 'Lubbers zit al dagenlang te telefoneren, brieven en faxen te versturen', zo vertelde een van zijn medewerkers aan NRC Handelsblad. Met wie belt hij dan en waarover? 'Ja dat moet je niet vragen. Lubbers is in dergelijke situaties als een tornado bezig, dat kunnen zijn medewerkers ook niet meer allemaal bijhouden. Bovendien is ons standpunt: telefoongesprekken en correspondentie met staatshoofden en regeringsleiders zijn vertrouwelijk.'Johan van Merriënboer & Lennart Steenbergen, Ruud Lubbers. Een slag anders. Boom 2024, 508-515.
Het Comité-Delors en discussie rond de EMU miniatuur|Jacques Delors De grote man achter het streven naar een politieke unie was Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Delors wilde nog vóór 2000 de Europese Gemeenschap omvormen tot een politieke federatie met de Europese Commissie in de rol van de uitvoerende macht. Het Comité voor het bestuderen van de Economische en Monetaire Unie, kortweg Comité-Delors genoemd, zette in navolging van de Europese Akte een stappenplan op voor een Economische en Monetaire Unie (EMU) en de invoering van één munt. Dit was in de ogen van Jacques Delors het logische vervolg om de Europese interne markt te voltooien. Het "Rapport-Delors" legde een belangrijke basis voor de afspraken die later over de EMU werden vastgelegd in het Verdrag van Maastricht.
Delors riep met zijn openlijke ambities om te komen tot een politieke federatie veel tegenkrachten op. In Groot-Brittannië was Margaret Thatcher al jaren een fel tegenstander van Europese centralistische ambities. Haar minister van Financiën, Nigel Lawson, was bang dat een Europese eenheidsmunt de eerste stap zou zijn naar een politieke federatie. Hij was voorstander van een vast systeem van wisselkoersen, maar hij was niet plan om het Britse monetaire beleid over te dragen aan een nieuw op te richten Europese Centrale Bank. Lawson verdacht Delors ervan dat hij via de achterdeur probeerde te komen tot een federale Europese regering: een politieke unie die in feite de "Verenigde Staten van Europa" zou gaan inhouden.
Het Comité-Delors onderzocht in 1988-1989 op welke wijze voor de Europese Gemeenschap een economische en monetaire unie tot stand kon worden gebracht. Op 17 april 1989 bracht het comité een verslag uit. Stapsgewijs zouden de lidstaten van de EG moeten toewerken naar één Europese munt en één autonome bankinstelling. In de eerste fase zouden alle Europese munten worden ondergebracht in het Europees Monetaire Stelsel (EMU). Dit was tegen het zere been van de Britten. Volgens Thatcher leefden de voorstanders van één centrale munt in 'een droomwereld' Nog dezelfde maand nodigde Thatcher de Nederlandse minister-president Ruud Lubbers uit voor een bilateraal overleg op landgoed Chequers. Margaret Thatcher liet zich bijstaan door Nigel Lawson, de Britse minister van Financiën, en Geoffrey Howe, de Britse minister van Buitenlandse Zaken. Ruud Lubbers nam de eervolle invitatie aan. Hij liet zich souffleren door Onno Ruding, de toenmalige Nederlandse minister van Financiën, en Hans van den Broek, de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens de Chequers-bijeenkomst bleken de Britten op het verkeerde paard te hebben gewed: de Nederlanders waren een voorstander van de EMU.Nigel Lawson, The View from No. 11. Memoires of a Tory Radical. Bantam Press, 1992, 913-916. Zie verder het Wikipedia-lemma over Nigel Lawson voor het Chequers-gesprek vanuit het perspectief van Nigel Lawson.Geoffrey Howe, Conflict of Loyalty. MacMillan, 1994, 577-578. Zie verder het lemma over Geoffrey Howe voor het Chequers-gesprek vanuit het perspectief van Geoffrey Howe. miniatuur|Chequers De Chequers-discussie werd een voorbode van de problemen die Ruud Lubbers in het najaar van 1991 op zijn politieke bord kreeg als EG-voorzitter om te komen tot het Verdrag van Maastricht. In postuum gepubliceerde interviews keek Lubbers in de periode 1992-1995 terug op de binnen Chequers gevoerde discussie. Lubbers: ‘Als er afzonderlijke munten zijn, moet je onevenwichtigheden van tijd tot tijd bijstellen. Anders ontploft het hele stelsel. Aanpassing voorkomt crisis. Zolang die ene munt er niet is, moet een land dat niet met de sterksten mee kan zo nu en dan in alle nederigheid zijn munt aanpassen. Margaret Thatcher leeft zélf in een droomwereld, waarin het mogelijk is om zonder aanpassingen valutacrises te voorkomen. Juist in Groot-Brittannië weigert men die realiteit onder ogen te zien. Het gesprek dat ik in 1989 in Chequers met haar had gevoerd ging voornamelijk over de toetreding van het Britse pond tot het Europees Monetair Stelsel. Thatcher vertelt mij bij die gelegenheid dat zij er tegen is, omdat Londen aan bewegingsvrijheid zou verliezen. Mijn antwoord daarop is dat zij mij doet denken aan een chauffeur die geen veiligheidsriem wil dragen, omdat die zijn bewegingsvrijheid verkleint. Die vergelijking doet haar echter niet van standpunt veranderen. Als er één Europese munt is, doet zich dat hele probleem niet meer voor. Dan zijn er wel andere problemen, zoals onevenwichtigheden en kostenverhoudingen binnen een land. Zie de consequenties van de invoering van de ene D-mark voor de vroegere DDR. De redenering is daarom dat je via het langzaam naar elkaar toe groeien van de verschillende economieën tot één Europese munt kunt komen. Dat is de inzet van Jacques Delors. Eisen die in het plan-Delors gesteld worden aan dat naar elkaar toe groeien zijn de zogeheten convergentiecriteria. Deze zijn terecht vrij hard.'Theo Brinkel, Haagse jaren. De politieke memoires van Ruud Lubbers. Ambo/Anthos, 2020, 320-321. De gesprekken tussen Ruud Lubbers en Theo Brinkel vonden plaats tussen 1992 en 1995. Het initiatief ging uit van Theo Brinkel nadat Lubbers publiekelijk bekend had gemaakt niet beschikbaar te zijn voor een vierde termijn als minister-president. Lubbers' laatste termijn als premier van Nederland liep ten einde en zijn regering maakte plaats voor het eerste paarse kabinet. In dezelfde periode zou er een op deze gesprekken gebaseerd boek verschijnen, maar de publicatie ervan werd op het laatste moment tegengehouden. In 1995 bestonden bezwaren tegen publicatie vanwege opmerkingen over personen die over nog in leven of in functie waren. Dat bezwaar was in 2020 niet meer aan de orde. Lubbers had bovendien na 1995 zelf al veel uitspraken gedaan en daarmee teruggegrepen op de interview-teksten van Theo Brinkel. Nadat in 2017 bekend was geworden dat het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) in Nijmegen het voornemen had om een wetenschappelijke biografie van Ruud Lubbers uit te geven (geresulteerd in het boek van Johan van Merriënboer & Lennart Steenbergen, 2024) besloot Theo Brinkel het verzamelde materiaal alsnog uit te geven. Het was in zijn eigen ogen transparanter om Ruud Lubbers' verhaal uit 1992-1995 uit te geven in plaats van zijn materiaal over te dragen aan het CPG. De uitspraken waren door Lubbers gedaan kort na of gelijktijdig met historische gebeurtenissen. De herinneringen waren dus nog vers op het moment dat zij werden opgetekend door Brinkel. Door de herinneringen in 2020 alsnog als boek uit te geven kon Lubbers zelf aan het woord worden gelaten in al zijn eenzijdige bewoordingen. Het CPG kon het vervolgens als bron gebruiken en er een eigen kritische wetenschappelijke toets overheen laten gaan die voor lezers en gebruikers van beide boeken inzichtelijk zou zijn.
Geschiedenis Britse verdeeldheid en politieke spanningen in aanloop tot topconferentie in Maastricht miniatuur|Geoffrey Howe