Dinoturbatie is bioturbatie veroorzaakt door voortbeweging en graafactiviteiten door Dinosauria.
De term 'dinoturbatie' werd initieel door Dodson et al. (1980) geïntroduceerd in hun onderzoek naar de paleo-ecologie en tafonomie van de dinosaurbedsDe dinosaurbeds van de Morrisonformatie uit het Boven-Jura (tijdsneden Onderste-Kimmeridgien - Onderste Tithonien) van het westen van de VS bevatten rivier- en overstromingsvlakteafzettingen met talloze fossielen van bekende Dinosauria zoals Allosaurus, Stegosaurus, Apatosaurus, Diplodocus, Kaatedocus, Camptosaurus, Camarasaurus, Supersaurus, Haplocanthosaurus, Torvosaurus, Ornitholestes, enz. In deze dinosaurbeds worden naast uitgebreide dinoturbatiekenmerken grote bone beds aangetroffen met hoge concentraties van meerdere individuen. Enkele voorbeelden daarvan zijn Cleveland-Lloyd Dinosaur Quarry, Dinosaur National Monument, Dry Mesa Dinosaur Quarry en Howe Dinosaur Quarry. in de Morrisonformatie (Boven-Jura van het westen van de VS). Lockley & Conrad (1989) creëerden een 'dinoturbatie-index' die lichte, matige en zware vertrapping van het substraat aanduidt als een maat voor het oppervlak dat bedekt wordt door sporen (ichnofossielen) van Dinosauria ('voet' (pes)In de biologie verwijst het Latijnse woord pes (meervoud : pedes) naar de voet van een gewerveld dier (subphylum of onderstam Vertebrata), namelijk dat deel van de achterpoot dat de middenvoetsbeentjes en tenen omvat. Het is een belangrijke anatomische en evolutionaire term in de wetenschappelijke beschrijving van de structuur van ledematen en hoe deze zich door de evolutie heen voor het vervullen van verschillende functies hebben aangepast.- of 'pootafdrukken'). Lockley (1991) definieerde dinoturbatie als het vertrappen van substraten door Dinosauria.
Beschrijving Sporen en sporenpaden thumb|550px|Voorbeeld van zichtbare, zware vertikale dinoturbatie : foto's en omtrektekeningen van de Dinosauriasporen (voetafdrukken) van de Shennvfeng paleositeEen 'paleosite' is een op het gebied van verschillende wetenschappelijke disciplines (zoals onder meer paleontologie, geologie en tafonomie) onderzochte locatie die al dan niet een thanatocoenose bevat. I in Pterosaur-Yadan National Geological Park (Hami, Xinjiang Uygur autonome regio, China). A–D (boven) : overzicht van het stratigrafisch zandsteenprofiel van de plaatselijke derde vijftig tot zestig cm dikke dinoturbatielaag dat de grootste en meest opvallende concentratie van grote sporen in dwarsdoorsnede heeft, E–J (midden) : close-ups van de individuele sporen (voetafdrukken), E’–J’ (onder) : corresponderende interpretatieve omtrektekeningen van de individuele voetafdrukken TI1 tm TI7. H vertegenwoordigt de voetafdrukken TI4 en TI5. Over het algemeen vertonen de sporen ofwel horizontale ofwel hellende bodems. Een gemeenschappelijk kenmerk van sporen TI1–TI4 is dat het onderste deel van de sedimentopvulling uit een kussen- of pannenkoekvormige schijf van ongeveer 15 cm dikte bestaat, met een diameter van 25–30 cm. De morfologie (structuur en uiterlijk) van de pootafdrukken, waarvan de vlakke bodem/'voetzool' geen bewaard gebleven 'teen'afdrukken vertoont, stemt karakteristiek overeen met de pes van een Sauropode, ichnogenusEen 'ichnogenus' is een groep sporenfossielen dat een ichnotaxonomische naam toegewezen kreeg omdat de gelijkenis van de sporen aangeeft dat ze gemaakt zijn door nauw verwante organismen. De sporenmaker (het biologische genus) is meestal onbekend. Ichnotaxonomie is een tak van de taxonomie dat als doel heeft om dieren te classificeren niet op basis van hun fossielen, maar op basis van hun levenssporen (voetsporen, graafgangen, kruipsporen, ...). Brontopodus (Lockley et al., 2002), met een lengte-breedteverhouding van over het algemeen 1:2 Brontopodus komt wijd verspreid woor in het Onder-Krijt van China (Lockley et al., 2002). Voetafdruk TI2 vertoont een holte in het midden van de onderzijde, wat erop kan wijzen dat dit de afdruk is van een manus ('voorvoet').In de biologie is de manus (Latijn voor 'hand') de zoölogische term voor dat deel van de voorpoot van een dier dat de hand omvat, inclusief de middenhandsbeentjes en vingers. Het is dus het distale (het 'verste') deel van de voorpoot, vergelijkbaar met de menselijke hand. TI3 vertegenwoordigt mogelijk twee pootafdrukken bovenop elkaar. Gebaseerd op hun relatief kleine afmetingen is het mogelijk dat TI6 en TI7 niet door grote Sauropoda achtergelaten werden, maar door de vertegenwoordiger van een andere klade Dinosauria. Enkele afmetingen (diepte/lengte) : TI2 ca. 33 cm, TI3 ca. 35 cm, TI5 ca. 33 cm, TI6 ca. 18/8 cm, TI7 ca. 4/4 cm (Xing et al., 2020). 'Dinoturbatie' is de door activiteiten van Dinosauria dikwijls grootschalige structurele verstoring en vervorming van het zachte substraat (inclusief de invloed op lokale kleine biota)'Biota' verwijst naar alle levende organismen in een bepaald gebied of ecosysteem. Dit omvat zowel flora als fauna. De term wordt gebruikt in de biologische taxonomie en ecologie om het leven in een specifieke regio te beschrijven. waarop de dieren zich tijdens hun leven voortbewogen en waarin zij groeven. Deze levenssporen konden na de bedekking door sediment (zand, modder, silt, grind), dat in de loop van miljoenen jaren door de invloed van druk consoliseerde en uiteindelijk lithificeerde ('fossiliseerde') tot sedimentair gesteente, eventueel bewaard blijven, meestal in de vorm van door een enkel of door meerdere individuen gevormde sporen(paden) (ook wel 'spoorbanen' genoemd) die in sommige gevallen nog over vele kilometers op het zichtbare oppervlak van het sedimentair gesteente kunnen gevolgd worden. Een 'sporenpad' (Engels : trackway) kan gezien worden als een meestal 'rechtlijnige' opeenvolgende reeks afdrukken van de 'voet' (Latijn : pes). De term 'voetafdruk' (Engels : footprint) verwijst naar de natuurlijke mal of concaaf epireliëfEen 'epireliëf' is in de geologie een positief reliëf, waarbij een fossiel/ichnofossiel uit het oppervlak van het substraat uitsteekt. In het geval van een voetafdruk steekt het sporenfossiel in het substraat waarop het ingedrukt werd. dat beperkt blijft tot dat gebied van het substraat dat direct ingedrukt wordt door de onderkant van de voet van de (voet)sporenmaker. Fossiele voetafdrukken (sporen) zijn volumineuze structuren die tot onder het oppervlak van het substraat doordringen. Alle voetafdrukken, behalve de minst diepe, worden begrensd door een wand 'opstaand' sediment, dat bij diepe afdrukken (van Sauropoda) gelijkenis kan vertonen met de wand van een put. Thulborn (2012) beschouwt dit opstaand sediment, om het even hoe hoog of laag, niet als onderdeel van de voetafdruk sensu stricto, ook al is het soms moeilijk om een objectieve scheidslijn te trekken tussen beide. Eveneens beschouwt hij noch de vulling van de afdruk, een convex hyporeliëf'Hyporeliëf' of 'negatief relief' betekent dat een fossiel of sporenfossiel (ichnofossiel) in een gesteente-oppervlak verzonken is. Het tegenovergestelde is een epireliëf, wat betekent dat een fossiel uit het gesteente-oppervlak steekt. dat uitsteekt uit de basis van de erboven liggende laag, noch enig omringend of ondergronds kenmerk als onderdeel van de voetafdruk sensu stricto. De morfologieMet 'morfologie' wordt hier vorm en uiterlijk bedoeld. van een voetafdruk, die kan variëren van vergelijkbaar met de lidmaatmorfologie van de sporenmaker tot niet te onderscheiden afdrukken, wordt bepaald door biologische factoren (waaronder de aard van voortbeweging) en de eigenschappen van de ondergrond (het substraat). Diepe afdrukken lijken zelden op de voet van de sporenmaker en de beweging van de voet kan de structuur van de oppervlaktesedimenten en de sedimenten in de ondergrond aanzienlijk verstoren (bv. Gatesy, 2003; Gatesy et al., 1999; Avanzini, 1998).
thumb|left|250px|Voorbeeld van zichtbare, lichte horizontale dinoturbatie : de voetafdrukken van een Euornithopode Dinosauriër op gele kalksteen, gevormd op een toenmalige kustvlakte (Arhab paleosite, Midden-Jura tot Onderste-Krijt van de Amran Group, Jemen). Dit sporenpad heeft een lengte van veertien meter met vijftien opeenvolgende voetafdrukken in zuidzuidwestelijke richting. De lengte en breedte van elke afdruk bedragen gemiddeld 56 cm. De gemiddelde stap- en paslengtes zijn respectievelijk 107 en 207 cm. Het sporenpad werd aan een Euornithopode Dinosauriër toegewezen wegens onder meer de nagenoeg even grote lengte en breedte van de voetafdrukken en wegens de U-vormige omtrek met stomp afgeronde punten van de tenen, vooral de derde (naar Schulp et al., 2008). Dinoturbatie resulteert in fysieke herbewerking van bodemlagen ten gevolge van het gewicht van vooral grote Dinosauria van de klade Sauropoda. De sporen die het meeste voorkomen zijn dan ook van Sauropoda afkomstig en kan het gevolg zijn van kuddevorming, zoals het geval zou zijn op de Purgatoire paleosite uit het Boven-Jura van Colorado (Lockley, 1994). Veelgebruikte migratieroutes en/of dagdagelijkse routes van graasgebieden naar drinkplaatsen en omgekeerd kunnen zich als uitgebreide sporenpaden met elkaar overlappende voetafdrukken manifesteren, geven informatie over de druk die op het substraat uitgeoefend werd en over de richting waarin de dieren zich voortbewogen. Ook als fossiele voetafdrukken niet (meer) duidelijk te onderscheiden zijn, kan soms uit de vervorming van het profiel van gesteentelagen dinoturbatie afgeleid worden. Het bestuderen van dinoturbatie werpt licht op het gedrag van Dinosauria, zoals de soorten oppervlakken die ze betraden/overstaken (bv. meer- en kustvlaktes) en de voortbewegingsdynamiek van de dieren. De diepte en de vorm van de afdrukken kan licht werpen op de afmetingen en het gewicht en tot welke groep Dinosauria de sporenmakers behoren. Sporenpaden bestaande uit 'olifantachtige' afdrukken worden geassocieerd met Sauropoda,Hoewel Sauropoda quadrupedaal waren, vertonen hun sporen(paden) lang niet altijd waarneembare afdrukken van de manus ('voorvoet'). In de biologie is de manus (Latijn voor 'hand') de zoölogische term voor dat deel van de voorpoot van een dier dat de hand omvat, inclusief de middenhandsbeentjes en vingers. Het is dus het distale (het 'verste') deel van de voorpoot, vergelijkbaar met de menselijke hand. In sommige sporenpaden van Sauropoda blijkt de manusafdruk gedeeltelijk of volledig overtreden door de pes (de 'voet', oftewel het distale deel van de achterpoot), maar meestal is de afwezigheid ervan eenvoudig een gevolg van erosie, waardoor de relatief kleine manusafdrukken veel sneller worden uitgewist dan de veel diepere pesafdrukken. Zelfs wanneer er afdrukken van de manus aanwezig zijn, zijn deze meestal minder opvallend dan de pesafdrukken en worden ze gemakkelijk over het hoofd gezien. De dinoturbatie of bewerking van het substraat door de manus is veel minder intens dan die van de veel grotere pes. Afdrukken van de pes zijn olifantachtig van vorm, ruwweg ovaal of bijna cirkelvormig van omtrek, maar soms peervormig of bijna rechthoekig. drietenige brede afdrukken met Euornithopoda en slankere drietenige, vogelspoorachtige afdrukken met scherpe klauwen worden geassocieerd met Theropoda (carnivore Dinosauria). Vertikale doorsneden door voetafdrukken in sedimentair gesteente kan de beweging van de 'voet' onthullen toen deze zich door het zachte sediment bewoog. Lockley et al. (2021) beschreven uit locaties in Jura- en Krijtsedimenten van Azië, Europa en Noord- en Zuid-Amerika sporenpaden die een beduidende verandering van richting laten zien. Hoewel kleine veranderingen algemeen zijn, zijn richtingsveranderingen van 45° of meer zeldzaam. Regelmatige ribbels en groeven kunnen wijzen op sleepsporen van de tenen.