De oejezd Achaltsiche (Russisch: , ; Georgisch: , ) was een bestuurlijke eenheid in het gouvernement Tiflis van het onderkoninkrijk van de Kaukasus van het Russische Rijk.

Geschiedenis De oejezd Achaltsiche werd op 10 april 1840 (O.S.) opgericht, als een van de elf provincies van het gouvernement Georgië-Imeretië. Het gebied stond sinds het verdrag van Adrianopel van 1829 onder een tijdelijk militair bestuur, nadat Achaltsiche door Rusland op de Ottomanen was veroverd in de Russisch-Turkse Oorlog van 1828-1829.

Als gevolg van de bestuurlijke herinrichting van het Onderkoninkrijk van de Kaukasus in 1840 werd Achaltsiche als oejezd, een provincie, opgenomen in de Russische bestuurlijke structuur. De historisch belangrijke stad Achaltsiche werd de hoofdstad van de provincie. In 1846 werd Georgië-Imeretië gesplitst in de gouvernementen Koetais en Tiflis, waarbij Achaltsiche in eerste instantie bij Koetais werd ingedeeld.

In 1849 werd het district Achalkalaki van de oejezd Aleksandropol toegevoegd aan Achaltsiche. In 1867 werd Achaltsiche met Achalkalaki overgeheveld van het gouvernement Koetais naar Tiflis en in 1874 werd de oejezd Achalkalaki afgesplitst als zelfstandige provincie. Na de val van het tsaristische bewind hielden de gouvernementen op te bestaan, maar de oejezden bleven tot de bestuurlijke hervorming van de Sovjet-Unie in 1929-1930 bestaan, ook tijdens de Democratische Republiek Georgië (1918-1921).

Russisch-Turkse oorlogen miniatuur|Slag om Achaltsiche in 1828, een schildering van January Suchodolski uit 1838. Het gebied was tot het begin van de Ottomaanse overheersing in de 17e eeuw eeuwenlang onderdeel van het Georgische vorstendom Samtsche. Het wordt als zodanig dan ook door de Georgiërs gezien als historisch onderdeel van Georgië. Onder het Ottomaanse Rijk was de stad Achaltsiche het centrum van het eyalet Çildir. Tijdens de Russische expansie in de Kaukasus en de Zwarte Zeeregio, die ten koste ging van de Ottomanen, werd het gebied meermaals bevochten tussen beide partijen. Het fort van Achaltsiche was een belangrijke militaire defensiepost.

In 1810 probeerden de Russen Achaltsiche tevergeefs te veroveren, maar in de Russisch-Turkse Oorlog van 1828-1829 slaagden ze daarin. De Ottomanen probeerden daarna het gebied zonder succes te heroveren tijdens de Krimoorlog (1853-1856), de Russisch-Turkse Oorlog van 1877-1878 en de Kaukasusveldtocht van 1914-1918. Ook de kortstondige Democratische Republiek Georgië kreeg te maken met de Ottomaanse aanspraken, die het gebied opeisten in het verdrag van Batoemi van 1918 in ruil voor de erkenning van Georgische onafhankelijkheid. Na de Turkse overgave in de Eerste Wereldoorlog met de wapenstilstand van Mudros van oktober 1918 werd het gebied onder Georgisch gezag gebracht. In 1921 kwam het definitief binnen Georgië te liggen, middels het verdrag van Kars.

Armeense immigratie miniatuur|Als gevolg van de Russisch-Turkse oorlogen trokken veel Armeniërs naar Georgië, waaronder naar Achaltsiche. In Achaltsiche en het ernaast gelegen Achalkalaki vestigden zich veel Armeniërs die door de Turken verdreven werden uit de Oost-Anatolische gebieden, zoals de stad Erzurum, vanwege hun steun voor de Russen. Tegelijkertijd verhuisden veel Meschetische Turken en islamitische Georgiërs weg uit de provincie naar Turkije. Na elk van de verschillende oorlogen volgde een emigratiegolf.

De stad Achaltsiche was door de slag en het beleg in 1828 vrijwel geheel verwoest. De Armeniërs stichtten in 1830 een nieuwe stad op de rechteroever van de Potsjovi-rivier aan de overkant van het verwoeste fort. In het oude deel van de stad rond het fort lag de Joodse wijk, die tegen het einde van de 19e eeuw verarmd was.

Economie miniatuur|Achaltsiche in 1887. Op de voorgrond de nieuwe stad, aan de overzijde van de kloof de oude stad met het fort en de Joodse wijk. De meeste inwoners van de provincie waren werkzaam in de landbouw, met tarwe als hoofdgewas. In de lager gelegen valleien overheerste de zomertarwe, terwijl in hogere delen wintertarwe werd verbouwd. Druiven groeien alleen in de buurt van Atskoeri langs de rivier de Koera. Het gematigde bergklimaat bood gunstige omstandigheden voor tuinbouw, wat vooral in de valleien plaatsvond, waar appels en peren werden gekweekt. Het fruit uit de provincie had een goede reputatie en werd in Tbilisi en andere steden afgezet. Honing en bijenwas waren andere kenmerkende producten uit Achaltsiche.

De veehouderij in de provincie was ondanks de aanwezigheid van goede bergweiden niet succesvol. Wel werden door de (Tataarse) bevolking op het platteland tapijten, kleden en andere wollen stoffen geproduceerd van de vacht van de kleine herkauwers, zoals geiten en schapen. Er was vrijwel geen verwerkende industrie, behalve in de stad Achaltsiche. In de omgeving van de stad werden steekwapens en aardewerk geproduceerd. In de buurt van de stad werden bruinkool en steenkool gewonnen.

Geografie miniatuur|In Abastoemani werd onder het Russisch gezag in de 19e eeuw een kuuroord ontwikkeld. Afgebeeld het badhuis. De provincie Achaltsiche lag in het uiterste westelijke deel van het gouvernement Tiflis. In 1912 was het gebied 2.332 vierkante werst groot (2654 km²). Het omvatte sinds de afsplitsing van Achalkalaki in 1874 de moderne gemeentes Achaltsiche, Adigeni en Aspindza. De provincie grensde in het gouvernement Tiflis in het noordoosten aan oejezd Gori en in het oosten aan oejezd Achalkalaki. Daarnaast grensde Achaltsiche in het noorden aan het gouvernement Koetais en in het zuidwesten aan de oblasten Kars en Batoemi.

De gehele provincie lag in het Armeens Hoogland, dat in het noorden wordt afgebakend door het Meschetigebergte, de natuurlijke grens met de provincies Ozoergeti en Koetais van het gouvernement Koetais. In het westen werd de provincie ook door hoge bergen op natuurlijke wijze begrensd. In het noordoosten liggen de uitlopers van het Trialetigebergte, die zorgden voor een vruchtbare grond, voornamelijk bestaande uit vulkanisch gesteente.

Alleen in het oosten, langs de grens van Achalkalaki, zijn er geen hoge bergen. Hier is de Koera (Mtkvari), de grootste rivier van Oost-Georgië, voor een groot deel de grens. Deze rivier stroomt via een kronkelige route langs hoofdstad Achaltsiche door de hele provincie naar Bordzjomi. In de 19e eeuw werden de verschillende mineraalwaterbronnen erkend, waaronder Oeravel en Abastoemani, dat onder de Russen werd ontwikkeld als kuuroord.

Bestuurlijke indeling De provincie was ingedeeld in gemeentelijke districten (oetsjastok), ook wel politiedistricten genoemd. De provincie bestond sinds 1874 uit de districten Atschoerski, Koblianski en Oeravelski. De nummers I tot III in de tabel verwijzen naar de nummers op de etnografische kaart in de infobox en de bijbehorende census van 1886.

Bestuurlijke onderverdeling oejezd Achaltsiche vanaf 1874 District Centrum Opp.(werst²) Inwoners 1886 1912 Achaltsiche (stad) 16.116 22.199 I Koblianski Oede 860 17.983 27.572 II Atschoerski Atschoeri 744 14.303 19.433 III Oeravelski Zoerzeli 728 10.389 20.230 Totaal 2.332 58.791 89.434Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Kaukasische kalender 1913;

Demografie Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 68.837 mensen in de provincie, waarvan 15.357 in de stad Achaltsiche, oftewel 22 procent. Demografie van het oejezd Achaltsiche Jaar Totaal Georgiërs Armeniërs Tataren Turken Koerden Joden Russen 1886 58.791 23.188(39,4%) 15.042(25,6%) 16.125(27,4%) 31(0,1%) 1.266(2,2%) 2.641(4,5%) 181(0,3%) 1897 68.837 12.213(17,7%) 15.144(22,0%) 12.370(18,0%) 24.137(35,1%) 1.396(2,0%) 446(0,6%) 2.233(3,2%)Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Russische volkstelling van 1897; Kaukasische kalender 1913;

Etniciteit en religie miniatuur|De synagoge van Achaltsiche geldt als een van de oudste nog bestaande in Georgië. In de 19e eeuw woonden tot 3000 Joden in Achaltsiche. De provincie Achaltsiche kende een gemengde bevolkingssamenstelling, waarin geen van de bevolkingsgroepen in de absolute meerderheid waren. Als gevolg van de voormalige Ottomaanse heerschappij over het gebied, waren de Turken, grotendeels geïslamiseerde Georgiërs, de grootste bevolkingsgroep (35 procent), gevolgd door de Armeniërs (22 procent) en Tataren (18 procent). Christelijke Georgiërs waren de vierde grootste groep (17,7 procent).

In de stad Achaltsiche waren de Armeniërs in de meerderheid (59 procent), gevolgd door de Georgiërs (23 procent). De stad kende een van de grotere Joodse gemeenschappen in Georgië. Tegen het eind van de 19e eeuw waren deze grotendeels verhuisd. Vrijwel alle Turken en Tataren woonden op het platteland van de provincie. De Turken waren hier de dominante groep met 45 procent.

Als gevolg van deze bevolkingssamenstelling was de islam de grootste religie in de provincie (55 procent), gevolgd door de Armeens-Apostolische Kerk (18 procent), de oosters-orthodoxe kerk (12,6 procent) en Armeens-Katholieke Kerk (9 procent). Joden en rooms-katholieken waren kleinere religieuze denominaties (circa twee procent).

Zie ook Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)

Referenties

Categorie:Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)