Koningsbergen (Duits: Königsberg, officieel tot 1936 Königsberg in Preußen en daarna tot 1946 Königsberg (Preußen), Nederpruisisch: Keenigsbarch, later Kaliningrad) was een Duitse stad in Oost-Pruisen. Koningsbergen werd gesticht in 1255 en was van 1457 tot 1945 hoofdstad en zowel cultureel als economisch centrum van het oosten van Pruisen. Het was de meest oostelijk en noordelijk gelegen grote stad van het Duitse Rijk (1871–1945). De stad ligt in Samland, dicht bij de Oostzeekust tussen het Wislahaf (Frisches Haff) en het Koerse Haf (Kurisches Haff).
De stad is van groot belang geweest in de Duitse geschiedenis en werd, nadat Oost-Pruisen na de Eerste Wereldoorlog van Duitsland gescheiden was, een van de economisch meest vooruitstrevende steden van Europa. Tevens was de stad een Hanzestad. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd de stad vrijwel volledig verwoest. Daarna werd ze geannexeerd door de Sovjet-Unie en herbouwd onder de nieuwe naam Kaliningrad.
Overzicht Koningsbergen werd gesticht als een burcht van de ridders van de Duitse Orde op de plek van het Oud-Pruisische dorpje Twangste in januari 1255. Het eerste fort was van hout, maar werd al in 1257 vervangen door een stenen burcht. De burcht werd vernoemd naar de Boheemse koning Ottokar II, die een bondgenoot in de onderneming was en de bouw van het eerste fort gefinancierd had.
Nadat het Slot Mariënburg in 1457 door de Polen was veroverd, werd het hoofdkwartier van de Duitse Orde verplaatst naar Koningsbergen. Vanaf 1525 behoorde de stad toe aan het hertogdom Pruisen. In 1701 kroonde keurvorst Frederik I van Brandenburg zich tot "koning in Pruisen" in het Slot van Koningsbergen. Vanaf 1773 was Koningsbergen de hoofdstad van de provincie Oost-Pruisen van het koninkrijk Pruisen. In 1861 werd er voor het laatst een koning gekroond in de stad, Wilhelm I, die later ook keizer van Duitsland zou worden.
Na het Verdrag van Versailles werd Oost-Pruisen door de Poolse Corridor afgescheiden van de rest van Duitsland. Door de oostelijke ligging werd Koningsbergen lang gespaard tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eind augustus 1944 echter bombardeerde de Royal Air Force de stad. Na twee nachtelijke luchtaanvallen brandde de stad dagenlang. Van 6 tot 9 april 1945 werd de resterende bebouwing bijna volledig verwoest in de Slag om Koningsbergen. Van de 150.000 inwoners die begin april 1945 nog in de stad waren, kwamen de meesten om door honger, ziektes of aanvallen van het Rode Leger tijdens de verovering van de stad.
In december 1945 waren er nog zo’n 20.000 Duitsers in de stad. In oktober 1947 beval Stalin de deportatie van de laatste Duitsers.
In het Russisch heette de stad Кёнигсберг (Kjonigsberg) (jo = ë) en in 1946 werd de naam van de stad gewijzigd in Kaliningrad. Er bestaat enige discussie om de naam van de stad terug in Königsberg te wijzigen omdat Kalinin helemaal niets met de stad te maken had.
Geschiedenis Middeleeuwen Reeds in de 10e eeuw was er een omwalde burcht aan de monding van de Pregel die de naam Twangste droeg. Bij de burcht hoorde een dorpje en een haven als ontmoetingsplaats tussen Vikingen (zowel Deense Vikingen als de Vikingen uit Rusland) en handelslieden uit Noord-Duitse handelsplaatsen zoals met name Lübeck. Toen de Duitse Orde in 1230 begon met de verovering van Pruisen, planden de Lübeckers een dochterstad, al lukte hen dat niet meteen.
Twangste werd bezet door de Duitse Orde in 1255, als slotakte van de kerstening en verovering van het land van de heidense Pruzzen, een aan de Litouwers verwant volk. Een burcht werd opgericht en het latere stadsdeel Altstadt werd daarnaast in 1256 aangelegd, maar in 1263 tijdens een opstand van de Pruzzen weer verwoest en later herbouwd. De Duitse Orde gebruikte Koningsbergen als basis voor verdere veroveringen in Samland en voor haar campagnes tegen het grootvorstendom Litouwen. In de jaren die volgden, vestigden zich Duitse kolonisten in het gebied die zich vermengden met de oorspronkelijke Pruisische bevolking. De laatsten assimileerden en namen eerst de Nederduitse en later na de reformatie de Hoogduitse taal over. Het Oudpruisisch, net als Lets en Litouws een Baltische taal, leefde als plattelandstaal voort in de omgeving maar stierf in de 17e eeuw langzaam uit.
In 1286 kreeg de Altstadt stadsrechten en hoewel de groei van de stad al snel beperkt werd door zijn eigen stadsmuren, verrezen er in het ommeland al snel andere nederzettingen. In 1300 kreeg ook het nabijgelegen Löbenicht stadsrechten. Hoewel beide steden in principe onafhankelijk waren, vormden zij in de praktijk één nederzetting en de naam Koningsbergen werd al gauw voor beide steden gezamenlijk gebruikt. In 1327 kreeg een derde nederzetting (Kneiphof) ook stadsrechten, zodat het nu een soort drielingstad was geworden, met drie raadhuizen en drie burgemeesters. Deze merkwaardige toestand zou tot 1724 in stand blijven. Op het eiland Kneiphof werd tussen 1330 en 1380 de dom gebouwd. In 1340 trad de stad toe tot het Hanzeverbond. De bisschop van Samland had in de stad zijn residentie.
Na de Dertienjarige Oorlog werd Pruisen in 1466 bij de Tweede Vrede van Thorn gesplitst. Koningsbergen bleef onder gezag van de Duitse Orde in Pruisen. Na het verlies van het bestuurlijk centrum, de burcht Mariënburg, gelegen in West-Pruisen, werd het hoofdkwartier van de grootmeester (Hochmeister) in 1457 verplaatst naar Koningsbergen.
Hertogdom Pruisen Na de secularisering van de Duitse Orde in de begintijd van de reformatie werd de stad in 1525 residentie van het Hertogdom Pruisen. Albrecht van Brandenburg-Ansbach, de laatste grootmeester van de Orde, werd de eerste hertog. Omdat het hertogdom enkel het oostelijk deel van Pruisen (Oost-Pruisen) omvatte werd de titel Hertog in Pruisen en niet Hertog van Pruisen. De Poolse koning had sinds 1466 de positie van soeverein en leenheer verworven maar zijn invloed bleef betrekkelijk. Bij een koninklijk bezoek aan de stad ontzegde de streng lutherse gemeenteraad de Poolse vorst de toegang tot de Domkerk. Hertog Albrecht Frederik streefde tegenover de stadsregering naar versterking van zijn eigen gezag, onder dekmantel van het koninklijke gezag. Daarom liet hij in 1612 een katholieke kerk bouwen op zijn eigen grond, want de stadsregering was er fel op tegen. Zijn persoonlijke affiniteit lag overigens bij het calvinisme en in 1613 werd hij hervormd, wat het conflict met de stadsregering nog meer deed oplaaien, maar tegelijk waren deze conflicten en hun oplossing een uitdrukking van een voor die tijd bijzondere religieuze pluriformiteit. Deze bleef een kenmerk van het tolerante klimaat in de stad. In 1680 mochten joden hun eerste synagoge bouwen. Na 1685 kregen uit Frankrijk gevluchte hugenoten toegang, na 1733 uit Salzkammergut gevluchte lutheranen.
In 1544 stichtte hertog Albrecht de tweede lutherse universiteit van Europa, die de naam Collegium Albertinum of kortweg Albertina kreeg. De ontdekking, in de astronomie, van de Pruisische tabellen door Erasmus Reinhold werd deels gefinancierd door de hertog.
Albrecht Frederik werd de tweede hertog van Pruisen. Reeds op 18-jarige leeftijd leed hij aan een depressie, waardoor er vanaf 1577 regenten over het hertogdom regeerden. Doordat Albrecht Frederik geen mannelijke nakomelingen had, werd zijn schoonzoon Johan Sigismund van Brandenburg, die sinds 1603 regent was, de volgende hertog in 1618. Hierdoor werd Pruisen nu in personele unie geregeerd samen met de Mark Brandenburg. De hertogen moesten wel de Poolse koning als hun leenheer blijven erkennen. Nadat, in hun eeuwenlange rivaliteit, Polen door Zweden definitief was verslagen en zijn macht zag wegzinken, legde de Zweedse koning in 1657 zijn soevereiniteit op aan hertog Frederik Willem I. Bij de Vrede van Oliva zou de hertog, in 1660, zelf soeverein worden en dat legde de basis voor een koningschap. Hij bewees zijn onafhankelijk staatsmanschap door de Zweden in 1679, toen zij opnieuw binnenvielen, te verdrijven. Het koninkrijk Pruisen zou dan in 1701 opgericht worden met de kroning in Koningsbergen van hertog-keurvorst Frederik III van Brandenburg, vanaf nu koning in Pruisen.
Koninkrijk Pruisen thumb|250px|Koningskroning van Frederik I In 1701 werd het hertogdom verheven tot een koninkrijk. De Poolse koning had zijn invloed definitief verloren en hertog-keurvorst Frederik III liet zich in de slotkerk kronen tot koning Frederik I. De stadsregering verzette zich tevergeefs tegen deze soevereine pretentie en stond de kroning niet in de Domkerk toe. De titel was koning in Pruisen en niet koning van Pruisen omdat Koninklijk Pruisen, het westelijke deel van Pruisen (West-Pruisen) nog steeds onder gezag stond van de Poolse kroon. De titel koning van Pruisen zou als een territoriale claim op dit Poolse gebied kunnen worden opgevat. Door de verheffing tot koninkrijk werd de naam Pruisen sindsdien ook gebruikt voor het Brandenburgse hertogelijke gebied met Berlijn als centrum. In 1772 kwam West-Pruisen weer onder Pruisisch gezag wat de titel koning 'van' Pruisen zou gaan rechtvaardigen. In 1945 werd Pruisen als staatkundig begrip opgeheven, de Pools-Russische annexatie zowel als de opname in de DDR deden de naam van de landkaarten verdwijnen en na 1990 zou Brandenburg als Duitse deelstaat onder die naam gerestaureerd worden.
Van 1708 tot 1710 verloor Oost-Pruisen een groot deel van zijn bevolking aan de pest. Deze verliezen werden weer aangevuld door 'soldatenkoning' Frederik Willem I, met het aantrekken van kolonisten uit het midden van Duitsland, en van vluchtelingen, in totaal 40.000 nieuwe bewoners, waaronder de genoemde 14.000 lutherse Salzburgse emigranten, die door de vorst-bisschop van Salzburg gedwongen werden zich te bekeren tot het katholicisme of anders te vertrekken. De meesten kregen plaats op het oostelijke platteland, maar en aanzienlijk deel ook in de stad. Daarnaast kregen ook veel Litouwers van even over de grens in het oosten een plaats in ontvolkte dorpen en op verlaten boerderijen. Geschat wordt dat minstens een vierde van de bevolking van Oost-Pruisen en dus ook van Koningsbergen afstamde van de 18e-eeuwse immigranten.
In 1724 werden de drie steden die Koningsbergen vormden en vele eromheen gegroeide dorpen uiteindelijk verenigd tot één bestuurlijk geheel. Deze verenigde stad is de stad die de filosoof Immanuel Kant (1724–1804) zijn thuis zou noemen. Hij was hoogleraar aan de befaamde Albertina, de in 1544 opgerichte universiteit. De wereldberoemd geworden filosoof zou de stad zijn hele leven maar zelden verlaten; hij ligt naar verluidt begraven naast de Dom van Koningsbergen, in een speciaal mausoleum, dat echter in de Tweede Wereldoorlog leeggeroofd is.The grave of the famed philosopher Immanuel Kant (1724–1804) (Kaliningrad), Wikimapiahttp://kantphilosophy.blogspot.com/2006_08_01_archive.html In 1730 werd in Koningsbergen Johann Georg Hamann geboren, ook hij zou een bekend filosoof worden.