Baryonyx is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs uit wat tegenwoordig Groot-Brittannië heet, dat leefde in het Vroeg-Krijt (Barremien).

Vondst en naamgeving In de middag van 7 januari 1983 ontdekte de toen vijfenvijftigjarige amateurpaleontoloog en loodgieter William John Walker uit Londen in de Smokejacks Pit in het Wallis Wood, te Ockley bij Dorking in Surrey, een enorme linkerduimklauw. Walker probeerde de nodule waarin deze verborgen zat met één hamerslag te splijten maar het specimen brak in vele stukken. Een week later ontdekte hij nog de punt van de klauw. Zijn schoonzoon bracht daarna de resten naar het Natural History Museum. Op 7 februari werd vastgesteld dat er zich nog meer delen van het dier in de grond bevonden. Een team van acht vrijwilligers verbonden aan het museum groef daarop vanaf 25 mei 1983 een bijna volledig skelet op, een oppervlak van vijf bij twee meter uitgravend en vierenvijftig blokken bergend.

left|thumb|Afgietsel van een restauratie van de door Walker gevonden linkerduimklauw

De typesoort Baryonyx walkeri werd in 1986 benoemd en beschreven door Alan Jack Charig en Angela Milner. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse βαρύς, barys, 'zwaar', en ὄνυξ, onyx, 'klauw'. De soortaanduiding eert Walker als de ontdekker.

Fossiel materiaal Het fossiel, holotype BMNH R.9951, is gevonden in een laag van de Upper Weald Clay die dateert uit het Barremien. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: het voorste deel van een schedel, het schedeldak, de hersenpan, achterste delen van de onderkaken, de eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en achtste halswervel, drie nekribben, (stukken van) alle veertien ruggenwervels met uitzondering van de negende, (stukken van) minstens zes staartwervels, ribben, buikribben, vijf chevrons, borstbeenderen, de voorste ledematen inclusief schoudergordel, delen van het bekken waaronder de schaambeenderen, rechterdarmbeen en linkerzitbeen, een stuk linkerdijbeen, een onderste stuk rechterdijbeen, een rechtersprongbeen, een rechterkuitbeen, een rechterhielbeen, een stuk scheenbeen en verschillende voetbeenderen. Daarnaast is nog een gastroliet gevonden en visschubben in de buikholte. De verschillende elementen lagen niet in verband. De botten waren ingesloten in zeer hard sideriet dat ten dele verwijderd werd door het te korrelstralen met plastic gruis, een methode die hier voor het eerst bij een fossiel werd toegepast. Het betreft een onvolwassen exemplaar. Op het moment van de vondst was Baryonyx het meest complete fossiel van een grote theropode uit het Onder-Krijt van Europa. Het was ook de eerste spinosauride waarvan grotere delen van het skelet bekend werden. Het Natural History Museum heeft een kleine permanente tentoonstelling aan het dier gewijd met een afgietsel van het skelet in haut-reliëf, een levensgrote replica en een replica van het exemplaar in juist overleden toestand. Baryonyx kreeg ruime belangstelling van de Britse pers die aan het dier vanwege de klauw de bijnaam Claws gaf.

In 1997 beschreven Charig en Milner de soort in groter detail in een uitgebreide monografie. Twee weken later overleed Charig. In 1997 werd een tand uit dezelfde formatie als het holotype toegewezen, specimen MNEMG 1996.133.

Later zijn vondsten uit Spanje, Portugal en het eiland Wight aan een Baryonyx sp. toegewezen. De specimina uit Spanje betreffen tanden die eigenlijk niet verder te determineren zijn dan barynychosaurine. In 2011 werd er echter een skelet uit de Papo Secoformatie van Portugal beschreven van een ongeveer zes meter lang exemplaar, specimen MML 1190. Dat werd in 2022 benoemd als het aparte geslacht Iberospinus. Een toegewezen linkerbovenkaaksbeen uit Spange, specimen CFI 477, werd in 2022 toegewezen aan een nog niet benoemde andere baryonichine. De meeste vondsten uit Wight bestaan ook uit tanden. Een ervan is echter een grote duimklauw, specimen MIWG.6527. In 1997 werd juist een zeer kleine duimklauw gemeld, met een lengte van vijf centimeter, dat 'Weenyonyx' gedoopt werd. Het behoort tot de collectie van verzamelaar Martin Simpson en moet nog beschreven worden. In 2011 werd op Wight de vondst gemeld van twee gedeeltelijke skeletten van een klein en een groter dier. Die werden in 2021 benoemd als de aparte geslachten Ceratosuchops en Riparovenator.

In het begin van de eenentwintigste eeuw stelden verschillende onderzoekers dat Suchosaurus, een geslacht dat in 1841 door Richard Owen benoemd was op basis van tanden, vermoedelijk aan Baryonyx identiek is. De tanden zijn, hoewel spinosauride, echter ouder, uit het Valanginien.

In 2002 hernoemde Hans-Dieter Sues Suchomimus tenerensis Sereno, Beck, Dutheil, Gado, Larsson, Lyon, Marcot, Rauhut, Sadleir, Sidor, Varricchio, Wilson & Wilson 1998 tot een Baryonyx tenerensis. Dit heeft nauwelijks navolging gevonden.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Baryonyx, in het geel, in grootte vergeleken met andere spinosauriden

Baryonyx is een grote spinosauride. Charig en Milner schatten de lichaamslengte van het holotype op 9,1 meter, het gewicht op 1,7 tot 2,1 ton. Ze wezen er wel op dat het individu nog niet volgroeid was met een geschatte leeftijd van tien jaar en meenden dat het wel twaalf meter lang had kunnen worden. Dit lijkt bevestigd te worden door specimen MIWG.6527 dat wijst op een lengte van tien à elf meter.

thumb|left|Baryonyx-model in haut-reliëf in het Natural History Museum te Londen

Baryonyx heeft de kenmerkende bouw van de Theropoda maar met veel langere armen. Deze dragen aan de duim een grote klauw van ongeveer dertig centimeter lang. De nek en schedel zijn ook afwijkend van de andere theropoden. Ten eerste staat de nek niet in een S-vorm zoals bij veel andere theropoden. Ten tweede lijkt de 1,20 meter lange schedel op die van een krokodil en heeft hij rechte, kegelvormige, tanden. De stijve staart en wat langere kop zijn ook kenmerken van Baryonyx. De staart was voornamelijk om het evenwicht te bewaren, zeker als dit dier voorover gebogen stond om vissen te vangen; het hoogste punt is dan ook de 2,5 meter hoge heup.

Charig en Milner beschreven in 1997 Baryonyx opnieuw en veel gedetailleerder. Daarbij wisten ze enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen die ook geldig bleven na de beschrijving van Suchomimus door Paul Sereno uit 1998. De neusbeenderen zijn vergroeid en hebben een kam op de middenlijn die naar achteren uitloopt in een kruisvormig uitsteeksel. De hoorn op het traanbeen is massief en ongeveer rechthoekig in profiel. De voorste staartwervels zijn opvallend overdwars ingesnoerd. Het schouderblad en het ravenbeksbeen zijn hecht met elkaar verbonden via een penverbinding. De onderrand van het schaambeen is naar buiten gedraaid. De groeve aan de binnenzijde van het bovenste kuitbeen is zeer ondiep.

Skelet Schedel thumb|upright=1.7|Snuit van de zijkant en van onderen bezien

De schedel van Baryonyx is langwerpig. De snuit, waarvan de voorste zeventien centimeter gevormd wordt door de vergroeide praemaxillae, is laag met een afgeronde voorkant verruwd door vele putten. De neusbeenderen zetten de snuit naar achteren voort, zodat Baryonyx in zijaanzicht meer lijkt op een krokodil dan op een typische theropode. Wat de gelijkenis met een krokodil nog vergroot is dat de voorste dertien centimeter van de snuit in bovenaanzicht verbreed zijn. Zo wordt een rozet gevormd, een grijporgaan met verlengde tanden, dat kennelijk diende om glibberige prooi te vangen. In de rozet staan links zes tanden, rechts zeven. Een asymmetrie is niet ongebruikelijk bij de Theropoda maar doet zich zelden voor wat betreft het aantal premaxillaire tanden. De eerste vier tanden zijn groter, de tweede en derde het grootste; de vijfde tot en met zevende tand nemen geleidelijk in grootte af. De tanden worden van achteren verstevigd door interdentaalplaten. De onderzijde van de rozet wordt gesloten doordat de interne vleugels van de praemaxillae een intern verhemelte vormen. Dat loopt naar achteren uit in de interne vleugels van de bovenkaaksbeenderen, welke Charig aanzag voor ploegschaarbeenderen van afwijkende vorm. In zijaanzicht ligt de rozet hoger dan de rest van de snuit, hoewel bij de snuitpunt de rand wat naar beneden buigt. Op de grens van de praemaxilla en het bovenkaaksbeen, ofwel maxilla, toont de kaakrand een inkeping waarna hij plots naar beneden kromt. Die bolle kromming heeft ook langere tanden, die schuin naar voren en onderen uitwaaieren. Er staan minstens acht tanden in het bovenkaaksbeen, die naar achteren weer kleiner worden. Het totaal kan, gezien de toestand bij verwante soorten, boven de twintig hebben gelegen. In 1987 en 1990 dachten Milner en Charig nog dat de verbinding tussen praemaxilla en bovenkaaksbeen kinetisch, dus beweeglijk, was maar in 1997 kwamen ze daarop terug: een uitsteeksel op het bovenkaaksbeen zorgt voor een starre penverbinding. In zijaanzicht loopt de praemaxilla naar achteren uit in een vork van twee takken die beide vrijwel horizontaal gericht zijn. De onderste overgroeit het bovenkaaksbeen, de bovenste overgroeit de voorste tak van het neusbeen. Tussen die voorste neusbeentak en de onderste premaxillaire tak ligt de voorkant van het neusgat dat vooraan een scherpte wigvorm heeft. Hoever zich dat naar achteren voortzette is door beschadigingen onbekend.

thumb|left|Zo kan de snuitpunt er bij het levende dier hebben uitgezien.

De neusbeenderen zijn langgerekt en vergroeid; hun lengte is geschat op achtentwintig centimeter. Op hun gezamenlijke achterkant staat een hoge kruisvormige punt die naar voren uitloopt in een veel lagere scherpe richel op hun middenlijn. Er is ook een kortere naar achteren gerichte richel en verder dwarsrichels. De hele structuur werd door Charig een 'pijlpunt' genoemd. In de verlagingen van de achterhoeken van het kruis zouden zich afwijkende puntige vensters bevinden die fenestrae postnasales gedoopt werden. Later onderzoek wees er echter op dat hier bij het fossiel de prefrontalia uit waren gevallen wat de illusie van schedelopeningen schiep. Het linkerprefrontale was overigens wel nog aanwezig maar beschadigd. Meer naar achteren in de snuitwand bevindt zich een fenestra antorbitalis waarvan de omvang opnieuw onzeker is. De achterste bovenhoek ervan wordt gevormd door een traanbeen en is tamelijk scherp zodat de traanbeentakken een hoek maken van slechts 35°. De neergaande tak steekt dus naar voren en onderen. De bovenste tak heeft twee evenwijdige richels op de binnenzijde. In de hoek bevindt zich een pneumatische uitholling met een foramen dat de onderste tak geheel naar achteren en beneden doorboort. Boven de uitholling bevindt zich een naar boven uitstekend hoorntje met een lengte van een halve centimeter en een ovale dwarsdoorsnede, twee centimeter lang en twaalf millimeter breed.