De Academische Vereeniging Hollandia (kortweg "A.V Hollandia" of "AVH") is een studentenvereniging voor Nederlandse studenten aan de RWTH Aken, opgericht op 20 mei 1885. A.V. Hollandia had, met onderbrekingen, een actieve werking tot het begin van het huidige millennium.

1885-1935 Tot 1905 bestond in Nederland geen technische universiteit (met promotierecht). In dat jaar werd de Polytechnische School verheven tot de Technische Hogeschool Delft. De RWTH was op dat moment al 25 jaar een technische universiteit en trok veel Nederlandse studenten van alle windstreken naar de Keizerstad.

De Academische Vereeniging Hollandia werd op 20 mei 1885, vijftien jaar na de oprichting van de RWTH, opgericht speciaal voor Nederlandse studenten aan deze technische universiteit. Daarmee was de AVH de eerste academische vereniging voor studenten uit één land aan de RWTH die gedurende vele jaren zou bestaan. De eerste praeses werd W.A. Lensink.

Tijdens het tweede lustrum in 1895 werden de jonge koningin Wilhelmina en haar moeder regentes Emma door het bestuur van de Activitas met G. Karanzen als praeses in Aken welkom geheten. 1901 werd het bestuur van de AVH door Z.K.H. Prins Hendrik tijdens zijn bezoek aan Aken ontvangen.

Uit het jaarverslag 1903–1904 blijkt dat de AVH met succes ingreep toen de Pruisische minister van Onderwijs Konrad von Studt het besluit nam dat Nederlanders met een H.B.S.-diploma geen examens meer mochten afleggen in Duitsland, omdat von Studt kennis van de klassieke talen als voorwaarde wilde handhaven. Het bestuur richtte verzoekschriften aan Nederlandse en Pruisische autoriteiten, met steun van academische gezagdragers. Mede door deze inspanning werd het besluit ingetrokken en werden weer (meer) Nederlanders aan de RWTH toegelaten. links|miniatuur|400x400px|Oproep aan aspirant-studenten in de "Telegraaf" (1907) Onverminderd voort ging de AVH met werving van nieuwe studenten aan de RWTH. Desalniettemin had de kwestie negatieve gevolgen voor de vereniging doordat enkele studenten afzagen van studie in Aken en elders hun opleiding voortzetten. De affaire toont de voortdurende kwetsbaarheid van de positie van de vereniging binnen de Nederlands-Duitse academische verhoudingen. Het zou niet de laatste keer zijn, dat de AVH in dit spanningsveld tussen beide landen tussen wal en schip zou (dreigen te) vallen (zie beneden).

In 1910 werd het zilveren lustrum gevierd. Praeses C. Schols noemde in zijn toespraak "moeilijke voorafgaande jaren" - niet wetend wat Europa en de AVH slechts vier jaar later zou treffen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bevroor de AVH haar activiteiten, tussen het wintersemester van 1915/16 en het wintersemester van 1919/20.Informatieboekje A.V. Hollandia - 1990

Op 25 mei 1935 vierde Hollandia haar 50-jarig bestaan. De feestelijkheden bestonden uit een Kommers, waarbij de Nederlandse consul en de rector magnificus van de RWTH Aken aanwezig waren. Als praeses van de Activitas werd J. Bellaar Spruyt genoemd.

1935-1985 Vóór de Tweede Wereldoorlog protesteerde de AVH tegen de stelselmatige en steeds fundamentelere uitsluiting van joodse medestudenten, toen deze door het rectoraat de toegang tot de mensa ontzegd werd. De houding van (o.a.) de AVH in deze bleef niet onopgemerkt en in 1936 vroeg het nationaalsocialistisch bestuursdistrict Aken/ Keulen aan rector-magnificus Otto Gruber "om mede te delen of buitenlandse studenten reeds in verbanden of verenigingen zijn samengebracht, en de thuisadressen van de buitenlandse studenten door te geven." De brief werd afgesloten met een obligate, allitererende groet aan de rijkskanselier. In het geval van de AVH antwoordde Gruber met het postadres "Templergraben 66". Met betrekking tot de thuisadressen verklaarde hij dat hij ze inderdaad had, maar dat hij geen secretaresse kon vrijmaken om ze op te zoeken.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog bevroor de AVH haar activiteiten. In 1949 worden de activiteiten weer opgepakt.

Bij het zeventigjarig jubileum in 1955 waren de rector-magnificus Eugen Flegler, de burgemeester van Aken Hermann Heusch en de regeringspresident aanwezig bij de festiviteiten. Ook wordt de AVH door Z.K.H. Prins Bernhard in de Quellenhof in Aken ontvangen. Mede door de inspanningen van de AVH wordt in datzelfde jaar de Duitse academische titel "Diplom-Ingenieur (TH)" in Nederland erkend en mag het Nederlandse equivalent "ir." gevoerd worden, door eenieder die een diploma leidend tot de Duitse titel behaald heeft.

In 1959 werd de AVH betrokken bij de organisatie van het eredoctoraat van Nobelrprijswinnaar en RWTH Alumnus Peter Debye.

In 1960 bestond de AVH 75 jaar. Er werden plannen ontvouwen voor een Nederlands studentencentrum, een ambitie die ook dertig jaar later weer op tafel kwam maar nooit gerealiseerd werd. Wel ontving de jubilerende AVH een toespraak van de Minister van Onderwijs (en latere Minister-President) van Nederland Jo Cals (KVP) in de historische aula van het hoofdgebouw van de RWTH, gevolgd door een ontvangst door burgemeester Heusch op het stadhuis van Aken. De koninklijke zangvereniging "Mestreechter Staar" verzorgde onder leiding van Maarten Koekelkoren een feestconcert ter gelegenheid van het jubileum. Praeses van de Activitas was C.J.L. Claessens.

Bij het volgende lustrum in 1965 volgt een bijeenkomst in de historische raadszaal van Aken. Praeses van de Activitas was H. Königs. Naast consulaire vertegenwoordiging van alle aangrenzende landen, houdt burgemeerster Heusch van Aken een toespraak: "In het Europa van morgen zullen de grenzen meer en meer illusoir worden. De academische gemeenschap is een volkerengemeenschap in het klein." Ook de toespraken van de voornoemde consuls sorteerden voor op een realiteit die (toen nog) prinses Beatrix negen jaar later voorstelde en dertien jaar later realiteit zo zijn: de Euregio Maas-Rijn. En, een basis zou vormen voor het winnen van de Internationale Karelsprijs Aken door koningin Beatrix dertig jaar later (zie beneden).

In 1985, bij het honderdjarig bestaan van de vereniging, waren er sinds negen jaar geen actieve leden meer, en bestond de vereniging alleen nog uit Oud-Heeren. Naar aanleiding van het honderdjarig bestaan in 1985 en het oppakken van een studie aan de RWTH door kinderen van leden van de Oud-Heerenbond werd de heroprichting van een Activitas besproken. Er werd overwogen dat:: Er ruimte bleef voor een Nederlandse studentenvereniging aan de RWTH met een liberale in plaats van confessionele inslag; De grootste groep Nederlandse studenten aan de RWTH intussen uit de Oostelijke Mijnstreek kwam, maar dat de overige (doel)groep desondanks groot genoeg was voor een gezonde basis voor een Activitas, die conform de traditie van de AVH uit alle windstreken van Nederland kwam; Er behoefte bestond aan een activitas waarin (aldus) het Nederlands de lingua franca zou zijn, zodat studenten uit heel Nederland zich gemakkelijk konden aansluiten. In de op dat moment enig actieve Nederlandse studentenvereniging aan de RWTH nam het Ripuarisch een belangrijke plaats in, voor Nederlandse studenten van buiten de Oostelijke Mijnstreek niet altijd even gemakkelijk te volgen was; Met een steeds duidelijkere eenwording van Europa leidend tot het Verdrag van Maastricht, de Oud-Heerenbond een mogelijkheid zag om meer Nederlandse studenten in Aken te laten studeren.

1985-2000 Aldus werd er opnieuw een Activitas van de AVH ingericht, die op haar hoogtepunt in de periode tot 2000 circa 35 leden telde: Nederlandse studenten die veelal van buiten de Oostelijke Mijnstreek afkomstig waren. De ledenlijst omvatte onder andere Brabanders, Gelderlanders, Groningers en Maastrichtenaren, onder wie twee zonen van hoogleraren aan de TU/e.

Vanwege haar functie als vertegenwoordiger van Nederlandse studenten aan de RWTH:

Werden de contacten met het rectoraat, de Nederlandse professoren aan de RWTHNederlandse professoren aan de RWTH, het stadsbestuur en het consulaat weer opgebouwd. Organiseerden de Activitas ook activiteiten die in Nederland normaal gesproken door een studievereniging opgepakt zouden worden: excursies, bedrijfsbezoeken en studiehulp. Zorgden de Activitas voor huisvesting van Nederlandse studenten in Aken, met name aan de Melatener Straße 96. Gaven de Activitas voorlichting over de RWTH aan Nederlandse middelbare scholen, in samenwerking met het bureau internationale betrekkingen ("Auslandsamt") van de RWTH. Werden contacten met andere (oude) Akense studentenverenigingen (zoals de Akademischer Verein d'Lëtzebuerger)Akademischer Verein d'Lëtzebuerger, het Luxemburgse "zusje" - twaalf jaar na de AVH opgericht) weer verstevigd. Ook was er contact met Hollandia Lovaniensis.

Tijdens haar tweeëntwintigste lustrum in 1995 gingen de Activitas op studiereis naar Berlijn. Ook wordt het heugelijke feit gevierd door een receptie in het hoofdgebouw van de RWTH Aachen. Prof. Dr. Klaus Habetha, rector magnificus van de RWTH, gaf een toespraak. De felicitaties van burgemeester Jürgen Linden van Aken werden in ontvangst genomen.

In 1996 werd het bestuur van de Activitas door burgemeester Linden van Aken voor de uitreiking van de Internationale Karelsprijs Aken aan H.K.H. Beatrix uitgenodigd en ontvangen. Toenmalig praeses van de Activitas V.J.M. Lemmens was toen al drager van de "Kleine Karelsprijs", die hij in 1990 gewonnen had. Het ledenaantal groeide gestaag.

Het drieëntwinstige lustrum in 2000 wordt luister bijgezet door een groot feest in (wederom) het hoofdgebouw van de RWTH. Meer dan 400 studenten bezoeken de feestelijkheden. Naast het vergroten van de naamsbekendheid van de studentenvereniging betekende dit ook een aanzienlijke financiële impuls. Praeses was D.S.A. Ruijters.

Sinds 2000 Begin jaren 1990 ontstond er in Nederland een maatschappelijke discussie over studies aan Nederlandse universiteiten, in verband met internationalisering (mede door de eenwording van Europa), druk op de kwaliteit van Nederlands universitair onderwijs in de Tweefasenstructuur en de daaruitvolgende internationale accreditatie van de universitaire ingenieurstitel (ir.).

Dit leidde tot een stijgend aantal studenten, die kozen aan de RWTH te gaan studeren, zeker in studierichtingen als werktuigbouwkunde, electrotechniek, informatica en natuurkunde - waarin de RWTH als een van de (twee) grootste technische universiteiten in Europa wereldwijd een zeer sterke reputatie had.

De RWTH had ook toen al gedurende vele jaren op het gebied van industriële samenwerking hoog aanzien, relevant voor aspirant-studenten. De praktijkervaring die deze industriële samenwerking aan studenten aan de RWTH boodt en (en van hun curriculair ook eiste), werd in Nederland juist sinds invoering van voornoemde Tweefasenstructuur afgebouwd, mede met het argument dat het beroepsonderwijs praktisch diende op te leiden en universiteiten academisch moesten renderen - zo aan stelselmatige bezuiningen sinds de economische crises in de zeventiger jaren een rationeel fundament biedend.

Die stijging ontging het Ministerie van Onderwijs niet. Zij stelde minister Jo Ritzen (PvdA) voor om het verschil tussen de Nederlandse buitenlandse normkosten op de studiebeurs van Nederlandse studenten in de EER/ Benelux/ Duitse grensgebieden in te houden. De AVH tipte Ria Oomen (CDA) en Margot Hofman-Ruijters (CDA), die Wim van de Camp (CDA) de casus aanboden. Dit leidde tot kamervragen, omdat de financiële onafhankelijkheid van de Nederlandse student aan buitenlandse universiteiten (zoals de RWTH) in het geding kwam en daarmee internationaal studeren (met positieve effecten na terugkeer in de Nederlandse maatschappij) ontmoedigd zou worden. Minister Ritzen beargumenteerde in deze debatten, dat de Nederlandse regering alleen diende te betalen voor kosten die daadwerkelijk gemaakt werden.