Dimorphodon is een geslacht van uitgestorven basale pterosauriërs, behorend tot de groep van de Macronychoptera, dat leefde tijdens het Vroeg-Jura in het gebied van het huidige Engeland.
Dimorphodon macronyx was in 1828 de tweede pterosauriërsoort die ontdekt werd en was met een ouderdom van zo'n 195 miljoen jaar lange tijd de oudste bekende pterosauriër. Hij lijkt vermoedelijk in bepaalde kenmerken sterk op de laatste gemeenschappelijke voorouder van alle Pterosauria maar zijn precieze plaats in de stamboom is omstreden. Ook zijn de geleerden het er niet over eens of hij op twee of vier poten liep en waaruit zijn prooi bestond, vissen of landdieren.
Dimorphodon had korte vleugels met een spanwijdte van een anderhalve meter en lange poten. Zijn kop was groot en bol en droeg twee soorten tanden, waarnaar het geslacht in 1858 ook vernoemd is.
Ontdekkingsgeschiedenis en naamgeving Buckland benoemt P. macronyx De meeste fossielen van de soort zijn gevonden bij Lyme Regis aan de kust van Dorset in Engeland in een park dat nu Jurassic Coast wordt genoemd en dat op de werelderfgoedlijst staat. De erosie van de klippen daar, de Church Cliffs, legt steeds nieuwe overblijfselen bloot, uit de Blue Lias Limestone, mariene sedimenten uit het Onder-Jura, in dit geval 197 tot 195 miljoen jaar oud (Hettangien-Sinemurien). Het eerste fossiel, een gedeeltelijk nauwelijks in verband liggend skelet op een kalksteenplaat, bestaande uit een vleugel, enkele wervels, de achterpoten en delen van de schoudergordel en het bekken, werd in december 1828 verzameld door de beroemde Mary Anning, een commerciële fossielenverzamelaarster. In 1829 kocht William Buckland, hoogleraar geologie aan de Universiteit van Oxford, het van haar. Op 6 februari 1829 meldde hij de vondst in een vergadering van de Geological Society, wat opgenomen werd in de verhandelingen. De tekst van de voordracht, nog aanzienlijk aangevuld, werd pas in 1835 gepubliceerd, geïllustreerd met een lithografie van het fossiel door de studio van Charles Joseph Hullmandel. Hij beschreef en benoemde de vondst daarin als een nieuwe soort: Pterodactylus macronyx. Het was indertijd pas de tweede nu nog als geldig beschouwde pterosauriërsoort die benoemd werd en het lag dus in de rede hiervoor het geslacht Pterodactylus te gebruiken, dat van de eerste gevonden pterosauriër. De soortaanduiding is afgeleid van het Klassiek Griekse makros, 'groot', en onyx, 'klauw', een verwijzing naar het feit dat de handklauwen groter waren dan bij Pterodactylus antiquus. Ondanks de latere publicatie wordt 1829 meestal aangehouden als jaar van de naamgeving. thumb|390px|Het holotype BMNH R 1034 Buckland schatte de grootte van het dier als gelijk aan die van een raaf. Het specimen werd meer nauwkeurig onderzocht door zijn medewerkers William Clift en William John Broderip en die viel het op dat de staartwervels verbonden waren door verstijvende werveluitsteeksels, waarvan ze dachten dat het verbeende pezen waren. Hieruit werd echter niet geconcludeerd dat de staart heel anders van structuur was dan bij Pterodactylus want ze zagen ze aan voor de halswervels. Wel stelden ze dat de staart veel groter was, want enkele andere staartwervels uit de staartbasis werden correct geïdentificeerd. Buckland dacht dat Dimorphodon weleens op insecten gejaagd zou kunnen hebben en meende dat het een opmerkelijk mobiel dier was: hij kon vliegen, lopen, klimmen en misschien op de wijze van sommige vleermuizen ook wel zwemmen. Hij haalde daarbij een beroemde passage aan uit John Miltons Paradise Lost:Milton, J., Paradise Lost, Boek II. vers 947
________________________________The Fiend, O'er bog, or steep, through straight, rough, dense, or rare, With head, hands, wings, or feet, pursues his way, And swims, or sinks, or wades, or creeps, or flies.
De vergelijking met de duivel was geen toeval: Buckland stelde zich het dier voor als een kleine geschubde vliegende demon, de tegenhanger in de lucht van andere monsters, Ichthyosaurus en Plesiosaurus in de zee en Megalosaurus op het land, die de nog 'pasgeboren Aarde' bevolkten. Reeds in 1829 schilderde dominee George Howman een aquarel van een nachtelijke draakachtige Dimorphodon, de eerste afbeelding van een levende pterosauriër die we kennen. left|thumb|Een foto van het holotype Fossielen van pterosauriërs zijn vrij zeldzaam in de Blue Lias en het zou lange tijd duren voordat betere fossielen van de nieuwe soort zouden opduiken. Buckland begreep nu echter dat sommige fragmenten die eerder voor de resten van vogels waren aangezien in feite die van 'pterodactylen' waren.
In de publicatie van 1835 werd door Buckland ook een stuk kaak uit de enorme verzameling van Elizabeth Philpot met P. macronyx in verband bracht.
Owen benoemt Dimorphodon thumb|300px|Volgens Owen was Dimorphodon op de grond erg onbeholpen Twintig jaar later doken er twee vrij complete nieuwe fossielen op, BMNH 41212 en BMNH R 1035. Beide bestonden ze weer uit een gedeeltelijk niet in verband liggend skelet, maar ze toonden ook allebei een redelijk goed bewaarde schedel. Ze werden bestudeerd door Richard Owen, die uit de schedelvorm concludeerde dat het om een pterosauriër ging die geheel anders van bouw was dan Pterodactylus. In 1858 benoemde Owen daarom een apart geslacht: Dimorphodon waarvan de typesoort Pterodactylus macronyx dus gerecombineerd werd tot Dimorphodon macronyx. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse δι (di), 'twee', μορφή (morphè), 'vorm' en ὀδών (odoon), 'tand', een verwijzing naar het feit dat de kaak van Dimorphodon twee typen tanden toonde: de meer gebruikelijke kleine kegelvormige en enkele veel langere aan de voorkant. In 1858 wees Owen nog geen holotype aan zodat de naam een nomen nudum bleef; in 1859 beschreef hij de vondst wel maar pas in 1874 volgde de aanwijzing; meestal wordt toch 1859 als jaar van naamgeving aangehouden. Het holotype BMNH R 1034 is het oorspronkelijke fossiel uit 1828. Helaas is dit begin jaren tachtig van de twintigste eeuw bij een verhuizing in gruzelementen gevallen; ook na reparatie blijven veel delen beschadigd. Owen had de kaak uit Philpots verzameling eerst als die van een vis beschouwd, maar moest nu erkennen dat die toch van Dimorphodon was.
Owen bestudeerde de soort nog eens intensief in een vijftal studies en het lukte hem een groot deel van het skelet te reconstrueren, zodat een veel beter beeld van het dier ontstond. Hij schonk veel aandacht aan de gedetailleerde skeletkenmerken zoals het gegeven dat de wervels procoel bleken: van voren hol en van achteren bol. De ook van binnen uitgeholde wervels zag hij als een toonbeeld van efficiënte constructie. Owen ontdekte dat de vijfde teen erg lang was en volgens hem was tussen beide vijfde tenen een vlies gespannen. Mede hierom nam hij aan dat het dier zich op de grond tamelijk onbeholpen op vier poten voortbewoog.
Kritiek van Seeley en Padian thumb|300px|Seeleys dynamische viervoetige houding thumb|300px|Seeleys beeld van een tweevoetige Dimorphodon Een tijdgenoot van Owen, Harry Govier Seeley, eerst zijn protegé, maar later zijn rivaal, had een heel ander beeld van Dimorphodon. Seeley, een evolutionist, dacht ten onrechte dat pterosauriërs de vogels voortgebracht hadden en terecht dat ze warmbloedig en behaard waren. Hij nam aan dat Dimorphodon als een vogel op twee poten gelopen had of ten minste een veel dynamischer houding op vier poten had aangenomen, waarbij het dier veel hoger op de poten stond en zich als een teenganger voortbewoog. In een reactie gepubliceerd in 1870 hekelde hij Owens neiging om ieder detail van het dier met een krokodil te vergelijken en propageerde in plaats daarvan het vogelmodel. Dat ging zo ver dat hij stelde dat de vierde vleugeldragende vinger eigenlijk de tweede vinger was; bij vogels was dat immers ook de belangrijkste vleugelvinger. thumb|left|Een model van Dimorphodon als tweevoeter In 1919 bestudeerde de Oostenrijker Gustav von Arthaber de skeletten nog eens nauwkeurig en gaf een hernieuwde beschrijving van de schedel. Daarna was er echter weinig aandacht voor de soort. Dat veranderde in de jaren tachtig toen Kevin Padian Seeleys ideeën nieuw leven inblies. Ook hij meende dat de soort een tweevoeter was en zette die stelling in 1983 kracht bij door een geheel nieuwe beschrijving, niet van de exemplaren in Britse hand maar van kleinere fragmentarische specimina, behorende tot drie aankooppartijen van allerlei fossielen, YPM 456, 462 en 1503, die de Amerikaanse professor Othniel Charles Marsh afzonderlijk tussen 1873 en 1881 voor het Yale Peabody Museum verworven had van de Londense fossielenhandelaar Bryce McMurdo Wright. Het fossiel behorend tot YPM 1503 is als enige bekende dimorphodonfossiel niet in Dorset gevonden maar in Gloucestershire bij de Aust Cliff op de zuidelijke oever van de Severn. Een gedeelte van het Dimorphodon-materiaal uit YPM 456 kreeg in 1927 de aparte registratie YPM 350 en andere fragmenten kregen later de aanduidingen YPM 9175 tot 9182. De exemplaren waren onbeschreven gebleven hoewel ze belangrijke nieuwe informatie konden verschaffen, doordat ze meer driedimensionaal bewaard gebleven waren in plaats van sterk platgedrukt; ze zijn ten dele uit het omvattende gesteente verwijderd. Padians werk maakt de soort tot een van de best beschreven pterosauriërs. Zijn opvattingen hebben echter sterk aan populariteit verloren; tegenwoordig wordt ook voor Dimorphodon meestal een viervoetige houding aangenomen, waartoe David Unwin in de jaren negentig geconcludeerd heeft, mede op basis van een aantal nieuwe fragmentarische exemplaren. Het meest recent is de soort beschreven in een dissertatie van Sarah Sangster die het met Unwin op dit punt eens is op grond van door haar uitgevoerde computersimulaties van het bewegingspatroon. De resultaten werden in 2022 gepubliceerd in een artikel.
Beschrijving thumb|350px|"Dimorphodon" door John Conway Dimorphodon wordt meestal gezien als een pterosauriër die in morfologie erg basaal is, dat wil zeggen: de oorspronkelijke bouw van de allereerste pterosauriër bewaard heeft. Dit betreft op de eerste plaats de algemene proporties: de vleugels zijn nog kort en de achterpoten relatief lang en stevig gebouwd. Kenmerken van Dimorphodon die de meeste pterosauriërgroepen echter ook tonen en pas bij de latere afgeleide deelgroep van de Pterodactyloidea verdwenen, zijn de lange staart en de korte middenhandsbeenderen. Er is daarentegen ook een kenmerk waarin Dimorphodon misschien wel het meest basaal is van alle bekende pterosauriërs en dat is de schedelvorm.
De schedel thumb|320px|Een contemporaine pentekening in fossiele belemnieteninkt door Mary's broer Joseph Anning van BMNH R.1015