Doctor Johan II Sickinghe (Groningen, ca. 1495 - Groningen, 1572), heer van Warffum en de Warffumborg, eigenaar van het Sickinghehuis en het Huis te Sickinghe, was een Nederlands hoofdeling, landedelman, jurist, bestuurder en politicus. Hij bekleedde functies als procurator van de Germaanse natie aan de Universiteit van Orléans, drost van de beide Oldambten en was gedurende meerdere decennia burgemeester en hoofdman van de stad Groningen. Hij stond bekend als een zeer geleerd man en gold als een machtige persoonlijkheid in Stad en Ommelanden.

Sickinghe studeerde rechten aan de Universiteit van Keulen en de Universiteit van Orléans, waar hij de graad doctor in beide rechten (utriusque iuris) behaalde. Hij werd in 1523 procurator van de Germaanse natie in Orléans, een functie waarin hij het bestuur van deze studentenorganisatie vertegenwoordigde en toezag op inschrijvingen en interne rechtspraak.

In 1536 werd hij door het stadsbestuur van Groningen aangesteld als ambtman (drost) van de beide Oldambten, met als opdracht het handhaven van het recht in het gebied. Vanaf 1539 vervulde hij daarnaast bestuurlijke functies binnen de stad Groningen, waar hij afwisselend als burgemeester en hoofdman optrad. In die laatste hoedanigheid was hij onder meer aanwezig bij de intocht van Maria van Oostenrijk, koningin-weduwe van Hongarije en landvoogdes van de Nederlanden, in Groningen in 1545.

Sickinghe speelde een rol in verschillende stedelijke en regionale bestuurskwesties, waaronder de handhaving van het Groningse stapelrecht en discussies over belastingheffing en bestuurlijke hervormingen. Hij nam deel aan overleg met vertegenwoordigers van de landsheer, onder wie stadhouder Jan van Ligne, graaf van Arenberg.

In 1555 behoorde Sickinghe tot de groep van acht vermogende personen uit Stad en Ommelanden die zich garant stelden voor een bedrag van 10.000 carolusgulden ten behoeve van keizer Karel V. In hetzelfde jaar maakte hij deel uit van de Groningse delegatie die de troonsafstand van Karel V in Brussel bijwoonde en vervolgens de eed aflegde aan Filips II van Spanje. In 1559 nam hij deel aan een delegatie naar de vergadering van de Staten-Generaal in Gent.

Sickinghe was betrokken bij stedelijke projecten, waaronder de aanleg en versterking van verdedigingswerken en stedelijke infrastructuur. Hij stond daarnaast bekend als voorstander van een zelfstandige positie van de stad Groningen binnen Stad en Ommelanden.

Hij was gehuwd met Anna Gysens (Chiesens) en had meerdere kinderen, onder wie de jonkers Harmen, Feijo en Peter Sickinghe, die eveneens bestuurlijke functies vervulden in Groningen en Friesland. Via zijn nakomelingen was hij grootvader van onder meer jonker Johan Sickinghe (1576–1652).

Afkomst en studie miniatuur|Kwitantie van dr. Johannes Sickinghe (meest linker zegel) en anderen voor de afdoening van een borgtocht ten behoeve van de stad Groningen, 15 februari 1541 Sickinghe stamde uit het oud adellijke geslacht Sickinghe, een familie die sinds de het jaar 1257 verschillende burgemeesters van de stad Groningen voortbracht.

Hij werd geboren als zoon van Peter Sickinghe, bekend burgemeester en bestuurder in Groningen, en Wennechien (heer) Alma, dochter van Redmer Alma. Zijn grootvader was Feyo I Sickinghe, heer van de borg te Winsum.

Sickinghe werd op 7 mei 1512 ingeschreven aan de Universiteit van Keulen. In 1539 volgde hij daar nog een aanvullend semester.

Als gevolg van een financieel conflict tussen zijn vader en het stadsbestuur van Groningen werd Johan op 3 februari 1528 samen met twee anderen op de markt in Groningen gearresteerd en in een kerker opgesloten. Zij kregen drie dagen de tijd om een geldsom te voldoen, op straffe van de dood. Het bedrag werd uiteindelijk door vrienden van Sickinghe betaald.

Als procurator van de Germaanse natie te Orléans miniatuur|220x220px|Het wapen van de Universiteit van Orléans Na zijn tijd aan de Universiteit van Keulen studeerde Sickinghe aan de Universiteit van Orléans.Johannes Müller, Bijdragen en mededelingen van het Historisch Genootschap, Amsterdam 1913, 34e deel, Lijst van Nederlanders die studeerden te Orléans 1441-1602, blz. 342-343 (nr. 210). De universiteit werd in 1306 opgericht door paus Clemens V, gold als de vierde Franse universiteit en was gespecialiseerd in het onderwijs in het Romeinse recht. In januari 1523 werd Sickinghe er als nobilis ingeschreven en betaalde hij 45 sols (zie: livre).C.M. Ridderikhoff, H. de Ridder-Symoens en D. Illmer (red.), Les livres des procurateurs de la Nation Germanique de l’ancienne Université d’Orléans, 1444–1602. Premier livre des procurateurs, 1444–1546. Seconde partie, II: Biographies des étudiants, 1516–1546, Leiden: E.J. Brill, 1980, p. 210. Brill-uitgave. Hij studeerde civiel recht (ius civile) en canoniek recht (ius canonicum) en behaalde de graad utriusque iuris, doctor in beide rechten. In maart 1523 werd hij procurator van de Germaanse natio aan de Universiteit van Orléans.P.J. Blok, P.C. Molhuysen, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2, [Sickinghe, Johan]. (1912) In datzelfde jaar droeg hij twintig sous tournois bij aan de verfraaiing van het altaarstuk van de Germaanse natie.

In de middeleeuwen waren studenten aan Europese universiteiten georganiseerd in “naties” (nationen). Deze waren geen landen in moderne zin, maar groepen op basis van taal en herkomst. De Universiteit van Orléans kende tot 1538 tien verschillende naties: Frankrijk, Lotharingen, Germanië (of Duitsland), Bourgondië, Champagne, Normandië, Picardië, Touraine, Schotland en Aquitanië. De Germaanse natie was de bekendste en bood sociale en juridische bescherming aan haar leden; afkomstig uit het gehele Heilige Roomse Rijk. De sterke reputatie van de Universiteit van Orléans op het gebied van recht trok veel studenten uit deze regio aan. De studenten genoten vele privileges dankzij de goede politieke relaties tussen het Franse Koninkrijk en de vorstendommen van het Heilige Roomse Rijk.

Aan het hoofd van de Germaanse natie stond een procurator. Deze was belast met het bestuur van de natie en onder meer ook met het afnemen van de eed en de inschrijving van de nieuwelingen.Nederlands Historisch Genootschap, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, Deel 102, Aflevering I, Den Haag 1987, p. 640. Hij vertegenwoordigde de natie bij het universiteitsbestuur, de rector magnificus en conflicten met lokale autoriteiten (bijv. huurgeschillen, rechtszaken). Hij leidde vergaderingen, was het juridisch aanspreekpunt en tekende documenten en rekeningen. De functie werd vaak toegekend aan de beste studenten en gold als een opstap naar bestuurlijke of diplomatieke carrières. Tussen 1444 en 1546 registreerden de procuratoren van de Germaanse natie 1.265 studenten in hun rapporten.

Als landedelman miniatuur|Het Sickinghehuis (later Esserhuis) aan de Herestraat 83 in het centrum van Groningen, circa 1916miniatuur|De Warffumborg of Sickinghe-borg met het wapen van de familie Sickinghe miniatuur|(Huis te) Beyum of Sickinghe met het wapen van Sickinghe (midden) Sickinghe was een vermogend landedelman en bezat goederen en rechten in het Groninger landschap, onder meer te Groningen, Oldehove, Warffum, Zuidwolde, Tinallinge, Essen, Engelum, Oostwold, Zuidwolde, Beijum, Goldhoorn, Finsterwolde, Ruigewaard en Appingedam.

In 1550 verkregen Johan Sickinghe en zijn vrouw door ruil met Tako Aykema en diens vrouw Anna een heerd te Engelum onder Oldehove, met onder meer een stem in de collatie van pastorie en vicarie aldaar.J.A. Mol en G.J. de Langen, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640, O.D.J. Roemeling (2019). p.643. De akte vermeldt een heerd land met 'alle gebouw van husynghekleen ende groet', grachten, geboomten, 'myt dye langhetafell endekaste int zaell', poorten en brug, gerechtigheden, 'groeveendestoelte''' in de kerk en op het kerkhof en meer.

In 1555 kocht hij een pand dat later naar hem zou worden vernoemd als het Sickinghehuis. Het lag op de zuidwestelijke hoek van het Zuiderdiep en de Herestraat in de Groningse binnenstad. Het gebouw was rond 1549 neergezet door zijn schoonvader, Harmen Gijsens. De familie Sickinghe bezat al sinds de 15e eeuw een gelijknamig huis aan de Oude Boteringestraat, maar dat pand was in 1457 door zijn grootvader Feyo I Sickinghe en diens broer Evert Sickinghe van de hand gedaan. Het nieuwe Sickinghehuis bleef in de familie tot Johans kleinzoon, Johan III Sickinghe, het in 1589 als refugiehuis aan het klooster Yesse verkocht.

Sickinghe trad regelmatig op bij financiële transacties van de overheid. Zo behoorde hij in 1555 tot de acht zeer vermogende personen die zich ten behoeve van Stad en Lande gezamenlijk borg stelden voor 10.000 carolusgulden aan keizer Karel V.Naast Sickinghe waren dat de abten van Aduard, Rottum, Thesinge, Selwerd, Wittewierum en Oldenklooster in de Marne en de hoofdeling Johan van Ewsum; telg uit het jonkers geslacht (Van) Ewsum. Daarnaast was hij betrokken bij diverse bestuurlijke en economische regelingen in Stad en Ommelanden.J. Nanninga Uitterdijk, Geschiedenis der voormalige Abdij der Bernardijnen te Aduard, Groningen 1870, p.131, Hoofdstuk IV (Onder Philips den II'en).

Omstreeks 1556 wordt hij vermeld als rechthebbende in de kluft Engelum en als bezitter van de grietenij Bennema. In datzelfde jaar sloot hij een overeenkomst met het kerspel Oostwold over de gezamenlijke aanleg van een dijkje bij de monding van de Oude Ae.

In de periode na de Reformatie en vóór 1560 wordt in bronnen betreffende het Premonstratenzerklooster Barthe in Oost-Friesland vermeld dat gravin Anna van Oldenburg een lening van 2.000 Emder gulden aanging bij Doctor Johannes Sickinga zu Groningen''. Als zekerheid voor deze lening werden goederen van het klooster Barthe verpand, vermoedelijk de bezittingen die het klooster in het Groningerland bezat.Hemmo Suur, Geschichte der ehemaligen Klöster in der Provinz Ostfriesland, Emden 1838, p. 102. In dezelfde bronnen wordt deze lening genoemd in samenhang met de toenemende schuldenlast van het klooster Barthe, dat in deze periode in financiële moeilijkheden verkeerde en geleidelijk zijn positie verloor.

In 1560 werd de voormalige commanderij van Goldhoorn verkocht en kwamen de landerijen van Finsterwolde in zijn bezit. Hij bezat hier onder meer een of twee tichelwerken; de grootste daarvan lag buitendijks en bleef tot omstreeks 1700 bestaan.

In hetzelfde jaar kocht hij de Warffumborg in Noord-Groningen (ten zuiden van Warffum) van Hoijke van Pewsum, telg uit het Oost-Friese geslacht Manninga.Register van het Archief van Groningen, H.O. Feith, Chronologisch gedeelte, 1578-1830, tweede deel, Groningen 1855, p. 186, regest 147. Deze borg werd tot 1683 door leden van het geslacht Sickinghe bewoond. Na zijn overlijden kocht zijn weduwe in 1576 borg Ungersma en in datzelfde jaar droegen Wolter Huinge en Anna Rengers te Uithuizermeeden een aandeel in de collatie van de Catharina-prebende te Usquert aan haar over. In 1577 woonde zij te Groningen alwaar zij onderdak verleende aan de door de stad Groningen gevangen genomen zoons Harmen en Feijo.

Op 2 juni 1567 verkochten de abt, de priorin en de conventslieden van het klooster Selwerd de redgerrechten in de kerspelen Zuidwolde en Beijum aan dr. Johan Sickinghe.Register archief Groningen, Deel VII, p. 93 (no. 57).Harm Hilligen, De borg Beyum of Sickinge. Hoogeveen 2019 (nazatendevries). Geraadpleegd op 20 december 2023 Hij was daarnaast pachter van een gedeelte van de wal bij de binnenste Herepoort en woonde in het Sickinghehuis aan de Herestraat in het centrum van de stad Groningen.

In een ongedateerd stuk wordt melding gemaakt van een geschil over de Catharinaprebende tussen dr. Johan Sickinghe en Sebastiaan Wabbens te Appingedam.J.A. Mol en G.J. de Langen, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640, O.D.J. Roemeling (2019). p.957.