Ridder Peter I Sickinghe (genoemd 1472 – Groningen, 17 mei 1532) was een Noord-Nederlands politicus en bestuurder. Hij was hoofdeling te Winsum, lid van de hoofdmannenkamer, ouderman van het brouwersgilde en tussen 1506 en 1523 dertien keer burgemeester van de stad Groningen. Hij verwierf aan het begin van de 16e eeuw grote bekendheid door zijn rol als vertegenwoordiger van de vrije rijksstad ten tijde van de Saksische Vete (1498-1517). Zijn inzet was erop gericht de stad Groningen blijvend onafhankelijk te houden van het hertogdom Saksen. In zijn periode als bestuurder werd de stad Groningen meermaals belegerd door de hertogen van Saksen en de graaf van Oost-Friesland. Sickinghe gold als een van de hoogste vertegenwoordigers van de stad en nam van alle bestuurders in die periode (1500-1525) het vaakst deel aan onderhandelingen aangaande het lot van de stad. Hij bezocht verschillende landen, staten en provincies tijdens het conflict en sprak met vele hertogen, graven, bisschoppen, burgemeesters en afgevaardigden van keizer Maximiliaan van Heilige Roomse Rijk, koning Filips I van Castilië en keizer Karel V. Sickinghe stond bekend als een geducht en standvastig onderhandelaar en hield met name George van Saksen en zijn veldheren buiten de poorten van Groningen. Toen de stad zich in 1506 gedwongen zag tot overgave, was hij een van de hoofdpersonen in het aannemen van graaf Edzard I van Oost-Friesland. Toen ook deze in 1514 niet meer in staat bleek om de stad te beschermen wendde Sickinghe zich tot hertog Karel van Gelre. Sickinghe stond bekend als een 'wijs en majestueus' man, was een van de aanzienlijkste leden van het patriciaat en behoorde vanaf 1514 tot een van Karels vertrouwelingen.
Na zijn periode als burgemeester en afgevaardigde van de stad werd Sickinghe in 1525 door de Groningse gilden en bouwmeesters samen met drie andere oud-bestuurders op gewelddadige wijze gedwongen borg te staan voor de torenhoge stadsschulden. De stad was oorlogsmoe en de bouwmeesters en gilden van de stad wilde van de (door het stadsbestuur ingestelde) hoge accijnzen afkomen. De nieuw benoemde en impopulaire stadhouder Jasper van Marwijck speelde de stadsraad en de gilden handig tegen elkaar uit. Vanwege het geweld en de aanhoudende onrust vluchtte Sickinghe meermaals richting de landen van Gelre. De hertog pleitte Sickinghe in 1527 vrij en dwong de gilden om hem met rust te laten. Toen de gilden hier geen gehoor aangaven en Sickinghe in 1528 wilde arresteren, sloeg hij wederom op de vlucht. Zijn zoon Johan werd tegen het stadsrecht in op de markt van Groningen opgepakt en vastgezet in een kerker. Hij ontsnapte aan ophanging doordat enkele vrienden hem vrijkochten. De gilden bleven de 'oude' Sickinghe echter in staat van beschuldiging stellen. Er werden brieven door de stad verspreid waarop stond dat Sickinghe en andere telgen 'uit de oude bestuursgeslachten' onder geen beding meer mee mochten doen aan de raadsverkiezingen. De gilden en haar onmogelijke eisen zorgde er uiteindelijk voor dat Sickinghe zich gedwongen zag de stad definitief te verlaten. Na zijn vlucht werd er tot aan zijn dood in 1532 uiteindelijk niks meer van hem waargenomen.
Leven miniatuur|De afgeloste schuldbekentenis van burgemeesters en raad van Groningen voor Peter Sickinghe uit 1499 Sickinghe, telg uit het geslacht Sickinghe werd rond 1455 geboren als zoon van Feyo I Sickinghe (†1472), heer van de borg te Winsum, en Lamke Jarges (±1468), telg uit het adellijke geslacht Jarges.Mr. H.O. Feith, Register van het archief van Groningen, Eerste vervolg, Chronologisch gedeelte, Groningen 1865, p. 35. Hij was de broer van Johan II Sickinghe (circa 1452 tot na 1499), die redger te Winsum was. Peter Sickinghe en zijn broer erfde in 1472 onder andere twee steenhuizen te Winsum. Daarnaast bezaten zij samen de redgerrechten van Helwerd en Zandweer.Groninger Archieven, toegang 547 (Familie Lewe, 1300 - 1949), Regest 43: Johan en Peter Sickinga, gebroeders en hoordelingen te Winsum, dragen aan Hilbrandt Schelckuma hun redgerrecht over, dat valt op Helwerdaheerdt in Sandtwerer reetschap, 7 mei 1482.
Hij was een kleinzoon van Johan Sickinghe, burgemeester van Groningen en een achterkleinkind van Lubbert Sickinghe, eveneens burgemeester van Groningen en erkend stamvader van het geslacht Sickinghe.
Tot de verdere familie behoorden onder meer zijn ooms Evert Sickinghe, hoofdeling en proost en schoonzoon van de Oost-Friese hoofdeling en legeraanvoerder Focko Ukena, en Ludolf Sickinghe, burgemeester van Groningen en betrokken bij het oproer van 1413 tussen de Schieringers en Vetkopers.
Sickinghe was de vader van Johan Sickinghe (1495-1572), burgemeester en hoofdman van de stad Groningen, drost der beide Oldambten en vertegenwoordiger van de Heerlijkheid Groningen bij de troonsafstand van keizer Karel V op 25 oktober 1555 in het Paleis op de Koudenberg te Brussel en de daarop volgende inhuldiging van Philips II als heer van de Nederlanden.
Hij werd in 1499 tot ridder geslagen.J.A. Feith, Geschiedkundige Aanteekeningen bij en uitvoerig programma van den optocht, voorstellende den intocht van Grave Edzard I den grote tho Oost-Friesland, Groningen 1879, p. 73-74. Uit datzelfde jaar dateert een 'afgeloste akte van schuldbekentenis van burgemeesters en raad van Groningen voor Peter Sickinghe inzake verschillende leningen'.Groninger Archieven, toegang 2100 (Stadsbestuur van Groningen (1), 1246 - 1594), inv.nr. 869.18: Afgeloste akte van schuldbekentenis van burgemeesters en raad van Groningen voor Peter Sickinge inzake verschillende leningen, 8 februari 1499
Sickinghe overleed in 1532 op 77-jarige leeftijd en werd begraven op het koor van de Martinikerk te Groningen.Hendrik Octavius Feith (jr.), Register van het archief van Groningen, Volume 2, Groningen 1865, p. 60.
Huwelijk en nakomelingen miniatuur|Zegel van Harmen Sickinghe, 24 januari 1590 Sickinghe trouwde op 7 juli 1493 met Wennechien (heer)Alma. Samen kregen zij twee kinderen:
Feij (Feye); zij trouwde in 1524 met Hoyke Lewe.R.H. Alma, Dopen, bruiloften, kledingen en eerste missen in Groningen (1519-1534), 2001, p. 40. dr. Johan Sickinghe (1495-1572), landedelman, heer van de Warffumborg, drost der beide Oldambten, burgemeester en hoofdman van Groningen, getrouwd met Anna Gysens (Chiesens)
Peter Sickinghe was grootvader van:
Trude Sickinghe (ca. 1530), trouwde met Onno Tamminga (ca. 1530 - ca. 1594) op de Tammingaborg jonker Harmen Sickinghe (overl. vóór 1606), hoofdeling te Uithuizen, Uithuizermeeden en Zuidwolde, heer van slot Holwinda en borg Beyum, bekend Ommelander politicus en afgevaardigde, voorvader van de hertog van Ripperda en Grande der eerste klasse, baron Johan Willem Ripperda (1682-1737) en zijn zoons Ludolph Luirdt baron Ripperda (1707-1739), Spaans ambassadeur in Wenen en Juan María Vicencio, Baron de Ripperdá (1725-1780); brigadegeneraal en later gouverneur van Spaans Texas en Honduras. jonker Feijo Sickinghe (1546-1579), landedelman, Ommelander politicus, heer van de Warffumborg, getrouwd met Oede Gaykinga Wennechien (Wennigje) Sickinghe (1545-1610), trouwde met Wigbolt Lewe (1540-1604), heer van Peize. Hun dochter Margaretha Lewe (1582) trouwde met Adolph Ripperda (±1571) Hoicke Sickinghe jonker Peter Sickinghe (†1578), heer van Zuidwolde, grietman van Barradeel, olderman, kapitein en drossaard van Harlingen, een der ondertekenaren van de Unie van Brussel op 9 januari 1577, getrouwd met Bauw van IJsselmuyden
Loopbaan miniatuur|Tekening voorstellende jr. Peter Sickinghe in de gekostumeerde optocht voorstellende de intocht van graaf Edzard van Oost-Friesland in 1506 De grootvader van vaders kant en twee ooms van Peter Sickinghe waren alle drie lid van het brouwersgilde geweest. Ook Peter komt in 1497/1498 voor als lid. Van 1499 tot 1501 was hij zelfs ouderman van het brouwersgilde, dat destijds als het machtigste gilde binnen de stad gold.
Sickinghe maakte al vroeg in zijn carrière deel uit van talrijke gezelschappen. Zo werd hij in 1504 naar Vollenhove gestuurd om een wapenstilstand te treffen. Later vergezelde hij meermaals de vertegenwoordiger van het geestelijke gezag van Groningen, Willem Frederik.
In 1505 werd hij raadsheer en lid van de Hoofdmannenkamer te Groningen. Tussen 1505 en het jaar 1524 zou Peter uiteindelijk afwisselend als raadsheer of (oud)-burgemeester van de stad Groningen optreden. Op 26 maart 1518, een jaar waarin Sickinghe geen burgemeester is, verlenen de burgemeesters en raad van Groningen Peter Sickinghe, Eltet to Lellens, Evert Horenkens en Evert Mepsche een volmacht om van iedereen een eenmalige bijdrage te innen voor het onderhoud van de Oosterse dijken.Groninger Archieven, toegang 2100 (Stadsbestuur van Groningen (1), 1246-1594), Akte waarbij burgemeesters en raad van Groningen, met instemming van de ingelanden die uitwateren op de Winsumer en Schaphalsterzijlen, de Delfzijl, en Farmsumer, Oterdumer en Termunterzijlen, volmacht verlenen aan Peter Sickinge, Eltet to Lellens, Evert Horenkens en Evert Mepsche om van iedereen een eenmalige bijdrage te innen tot het opmaken van de Oosterse dijken, 26 maart 1518
Als burgemeester van Groningen Sickinghe is voor het eerst burgemeester (een der quatuor burgimagistri) van Groningen in het jaar 1506. Na grote tevredenheid volgde een aanstelling als burgemeester in het jaar 1509. Hij bleef vervolgens in functie tot 1517, waarna hij in de periodes 1519-1520 en 1522-1523 wederom als burgemeester van de stad gekozen werd.Joannis Nicolai, Ubbonis Emii, De agro Frisiae inter Amasum et Lavicom Syntagma, Groningen 1646, p.294-296 (scan 318-320). Sickinghe beleefde in zijn positie als burgemeester van de stad vele moeilijke tijden. Zo werd de stad gedurende zijn ambtstermijn twee maal zwaar belegerd door de hertogen van Saksen. Doordat hij de stad in deze periode (samen met de pastoor Willem Frederiks) het vaakst vertegenwoordigde, kan hij worden gezien als een van haar leiders in de Saksische Vete.
Als vertegenwoordiger van de Stad onderhandelde hij persoonlijk met onder andere: de aartsbisschop van Keulen Filips II van Daun-Oberstein, hertog George van Saksen, hertog Karel van Gelre, hertog Willem II van Gulik-Berg, bisschop van Münster Erik van Saksen-Lauenburg, de prins-bisschop van Hildesheim Johan van Saksen-Lauenburg, de bisschop van Utrecht Frederik van Baden, graaf Edzard I van Oost-Friesland, graaf Everwijn II van Bentheim-Steinfurt, de Friese stadhouder Georg Schenck van Toutenburg, de burgemeesters van Münster, de Saksische bevelhebbers Hugo van Leisnig en Vijt von Drachsdorf, en de proost van Emden Hisko Abdena.
Daarnaast onderhandelde hij met vertegenwoordigers van onder andere: keizers van het Heilige Roomse Rijk Maximiliaan I van Oostenrijk en Karel V, koning Filips de Schone, het Sticht Utrecht, hertog Albrecht III van Saksen, het graafschap Oost-Friesland en de Ommelanden.
Groningen onder beleg van de hertogen van Saksen en graaf Edzard I van Friesland
De aanloop miniatuur|Hertog Albrecht III van Saksen (1443-1500) In 1498 benoemde keizer Maximiliaan I zijn veldheer hertog Albrecht III van Saksen (1443-1500) tot potestaat van Friesland, met inbegrip van de in die tijd machtigste stad van de regio Groningen en haar Ommelanden. Deze gebieden moest de hertog alleen wel zelf veroveren. Dit lukte Albrecht tot aan de stad Groningen. In 1500 werd de stad, 15 dagen lang, onafgebroken door hem belegerd. Na tussenkomst van de, namens de Keizer gezonden, ridder George van Thor en de bisschop van Utrecht trok Albrecht zich terug. Tijdens het beleg was hij aan zijn hoofd gewond geraakt door een musketkogel. Albrecht kwam op de terugtocht te overlijden aan zijn verwondingen.