Jhr. Feijo Onno Joost Sickinghe (ook Feyo)In gedrukte bronnen komen zowel Feijo als Feyo voor. In de contemporaine zakenpers werd hij vaak aangeduid als Feyo Sickinghe of met de initialen F.O.J. Sickinghe. Deze tekst volgt voor de titel en de lopende tekst de spelling Feijo.“Waarom Lubbert drie roofvogels uitkoos; jonkheer Feyo Sickinghe en de familietraditie”, De Waarheid, 14 november 1969 (Delpher). ('s-Gravenhage, 1 mei 1926 – Naarden, 8 juni 2006) was een Nederlands jurist, industrieel en bestuurder. Het zwaartepunt van zijn loopbaan lag bij het industrieconcern Stork en zijn rechtsvoorganger Verenigde Machinefabrieken (VMF), waar hij van 1955 tot 1989 werkte. Van 1 september 1971 tot 17 mei 1989 was hij voorzitter van de raad van bestuur.

In de jaren na zijn aantreden raakte VMF-Stork door teruglopende orders, buitenlandse concurrentie en verliezen bij verschillende onderdelen in een langdurige crisis. Sickinghe leidde een ingrijpende herstructurering waarbij het zwaartepunt verschoof van zware kapitaalgoederen naar gespecialiseerde machines voor onder meer de voedingsmiddelen-, textiel- en papierindustrie. Daartegenover stond een groot verlies aan werkgelegenheid: gedurende zeven verliesjaren verdwenen ongeveer 14.000 van de 24.000 arbeidsplaatsen. De saneringen en de afhankelijkheid van overheidssteun brachten hem herhaaldelijk in conflict met vakbonden en kabinet, maar bij zijn vertrek was Stork weer winstgevend en minder afhankelijk van enkele grote orders.

Na zijn afscheid van Stork werd Sickinghe geregeld ingeschakeld bij vastgelopen reorganisaties en bestuursconflicten. Hij leidde het overleg dat in 1990 uitmondde in de fusie van de Coöperatieve Condensfabriek Friesland met Frico/Domo, adviseerde de beleggingsgroep Noro en werkte in 1993 als bestuursgedelegeerde aan een nieuwe bestuursstructuur voor het ABP. Daarnaast vervulde hij een groot aantal commissariaten en maatschappelijke bestuursfuncties. De Volkskrant rekende hem in 1993 tot de invloedrijkste bestuurders in het Nederlandse bedrijfsleven; in profielen uit 1993 en 1994 werden respectievelijk negentien en 26 gelijktijdige functies genoemd.Jelle Brandsma, “Directeuren zijn pionnen in Sickinghes schaakspel”, de Volkskrant, 13 februari 1993 (Delpher).F.O.J. Sickinghe, “Europese regeringsleiders op de verkeerde weg”, Nieuwsblad van het Noorden, 12 november 1994 (Delpher). Voor zijn bestuurlijke en maatschappelijke verdiensten werd hij onder meer benoemd tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau en tot officier in het Franse Legioen van Eer, ontving hij de zilveren Medaille van de Stad Amsterdam en werd hem de Bernard Mandeville-prijs toegekend.

Zijn reputatie kende twee kanten. Tijdens de saneringen gold Sickinghe bij vakbonden en andere critici als een harde saneerder; toen de resultaten zichtbaar werden, legden NRC Handelsblad en Trouw ook nadruk op de visie en vasthoudendheid achter zijn aanpak.Eefke Smit, “Hoe jonkheer Sickinghe Stork uit het slop haalde”, NRC Handelsblad, 4 mei 1988 (Delpher).Wim Schoutendorp, “‘Mensen niet zo maar op straat gezwiept’; Aftredend Stork-saneerder Sickinghe: Oude bedrijf ten dode opgeschreven”, Trouw, 3 mei 1989 (Delpher). Na zijn overlijden oordeelde de Volkskrant dat de tijd zijn eerdere saneringsbeleid in het gelijk had gesteld; Het Parool typeerde hem als ‘redder van Stork’ en Het Financieele Dagblad als ‘industrieman en éminence grise’.Nico Goebert, “Kampioen-afslanker kreeg van de tijd gelijk”, de Volkskrant, 13 juni 2006.“Redder van Stork nam geen blad voor de mond”, Het Parool, 13 juni 2006.Rob van 't Wel, “Feyo Sickinghe 1926–2006, industrieman en éminence grise”, Het Financieele Dagblad, 13 juni 2006.

Leven en opleiding miniatuur|Het wapenschild van jonkheer Feijo Onno Joost Sickinghe met de adellijke familiewapens Sickinghe, Radermacher Schorer, Nepveu tot Ameyde en Ram Sickinghe, telg uit het adellijke geslacht Sickinghe, was een zoon van jhr. Duco Wilhelm Sickinghe (1888–1983), officier der artillerie en voormalig ordonnansofficier van koningin Wilhelmina, en jkvr. Wilhelmine Jeanne Marie Elisabeth Radermacher Schorer (1895–1965), telg uit het adellijke geslacht Radermacher Schorer. Hij groeide op in Driebergen.

Zijn zuster jkvr. drs. Cornélie Jeanne Louise Mathilde Sickinghe was universitair docent, gouvernante van de prinsessen Beatrix en Irene, peetmoeder van prins Constantijn der Nederlanden en moeder van jhr. Frans de Beaufort (1966), vriend van en getuige bij het kerkelijk huwelijk van koning Willem-Alexander en peetvader van prinses Alexia.Nederland's Adelsboek, Centraal Bureau voor Genealogie, 's-Gravenhage 2008, deel 93, p. 93–115.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog dook Feijo in 1941 samen met zijn ouders en zus onder. Zijn vader, die herhaaldelijk in conflict was gekomen met enkele nationaalsocialisten, had korte tijd gevangengezeten in het internerings- en concentratiekamp Schoorl en was lid van de Ordedienst (OD), een verzetsbeweging.

Na het vertrek uit Den Haag verbleef het gezin aanvankelijk in Leusden, waar het huis De Hertekop van de familie Royaards aan de Arnhemseweg werd gehuurd. Feijo bezocht in deze periode het gymnasium in Amersfoort en schreef later dat zijn vader daar de naam Sickesz gebruikte. Later werd het gezin opgenomen bij de familie Pels Rijcken-Bicker op landgoed Lockhorst en bij de familie Radermacher Schorer-Clotterbooke Patijn van Kloetinge op de Heuvelkamp in Oud-Leusden, in de nabijheid van Kamp Amersfoort.

Volgens Feijo ontvingen zij regelmatig, vaak onverwacht, bezoek van verzetsstrijders, onder wie Theodore Willem Lodewijk van Heemstra, hoofdingenieur bij de Nederlandse Spoorwegen, en jhr. Pieter Jacob Six, leider van de Ordedienst. Tijdens zijn eindexamenjaar werd Feijo bovendien gastvrij opgenomen in het gezin van Van Heemstra.F.O.J. Sickinghe, Liefde en leed gedurende zeven eeuwen in Groningen en de Ommelanden en daarbuiten! Het Groninger geslacht Sickinghe, 1284–1984 en later!, Naarden 1999, p. 212–213.miniatuur|Sickinghe (tweede rij van achter, derde van links) achter de prinsessen Beatrix en Irene op het huwelijk van zijn zus Corinne Sickinghe met jhr. Arnout Jan de Beaufort, 30 mei 1953 Na de oorlog studeerde Sickinghe rechten aan de Rijksuniversiteit Utrecht en legde daar in juli 1952 het doctoraalexamen af.“Academische examens”, Het Parool, 11 juli 1952 (Delpher). Daarna werkte hij enkele jaren als advocaat en procureur in Amsterdam.

Huwelijk en gezin miniatuur|Sickinghe en zijn vrouw bij het huwelijk van hun dochter Wilhelmine met Henri Giscard d'Estaing in 1984; de voormalig Franse president Valéry Giscard d'Estaing staat uiterst rechts.

Op 6 september 1952 trouwde hij in Driebergen met Marguerite Cornélie van Eeghen (1928–2016), telg uit het Amsterdamse patriciërsgeslacht Van Eeghen. Zij vervulde later verschillende maatschappelijke bestuursfuncties. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Marguerite Catharina (1953), Wilhelmine Jeanne Mathilde Elisabeth (1956), Duco Willem (1958) en Rembt Feijo Sickinghe (1966).

Hun dochter jkvr. Wilhelmine Jeanne Mathilde Elisabeth Sickinghe trouwde op 30 juni 1984 in Naarden met de Franse zakenman Henri Giscard d'Estaing (1956). Hij is de oudste zoon van de voormalige Franse president Valéry Giscard d'Estaing en was van 2002 tot 2025 voorzitter en CEO van Club Med.“Club Med appoints Stéphane Maquaire as President and CEO”, Club Med, 22 juli 2025. Door dit huwelijk raakten de Nederlandse families Sickinghe en Van Eeghen verwant aan de familie van de voormalige Franse president.

Sickinghe overleed op 8 juni 2006, tachtig jaar oud.

Loopbaan Beginjaren bij Stork In 1955 trad Sickinghe in dienst van Werkspoor, dat deel uitmaakte van de VMF.“Stork als herboren aan vooravond offensieve fase”, Nederlands Dagblad, 5 mei 1989 (Delpher). Hij werkte onder meer aan de export. In 1962 was hij als exportfunctionaris betrokken bij de opening van een VMF-fabriek in Mexico.“Prins Bernhard opent Mexicaanse fabriek”, De Telegraaf, 9 februari 1962 (Delpher).

miniatuur|Sickinghe tijdens een rondgang door de Stork-fabriek in Hengelo in 1968. Rechts van hem burgemeester Louis von Fisenne.

Per 1 oktober 1964 werd hij onderdirecteur van de Koninklijke Machinefabriek Gebr. Stork & Co. in Hengelo.“Stork krijgt nieuwe onderdirecteur”, Twentsch dagblad Tubantia, 13 juli 1964 (Delpher). Op 1 september 1965 volgde zijn benoeming tot directeur.“Benoemingen bij Stork”, Twentsch dagblad Tubantia, 20 juli 1965 (Delpher). De aandeelhoudersvergadering benoemde hem in mei 1969 tot lid van de raad van bestuur van de VMF; bij Stork-Hengelo werd hij opgevolgd door W.J. Kaufman.“Mr. Sickinghe in raad van bestuur VMF”, Algemeen Handelsblad, 31 augustus 1968 (Delpher).

Voorzitter van VMF-Stork miniatuur|Sickinghe op het Ministerie van Economische Zaken na een gesprek tussen hem, bestuurders van de metaalvakbonden en enkele regeringsvertegenwoordigers over de situatie rond Werkspoor, 1 juni 1970 Bij een reorganisatie van de concernleiding werden de circa dertig werkmaatschappijen van de VMF in 1971 in zes divisies ondergebracht. De tot dan toe roulerende leiding van de raad van bestuur maakte plaats voor een vaste voorzitter; Sickinghe vervulde die functie vanaf 1 september 1971.“VMF nieuwe structuur”, Algemeen Dagblad, 20 augustus 1971 (Delpher). miniatuur|Sickinghe te midden van Ivo Samkalden en Joop den Uyl bij de ingebruikname van en montagehal van Stork Werkspoor Diesel te Amsterdam, 15 januari 1975 Het concern was sterk afhankelijk van grote projecten in zware kapitaalgoederen, waaronder rollend materieel, scheepsmotoren, ketels en installaties voor elektriciteitscentrales. Door teruglopende orders, buitenlandse concurrentie en verliezen bij verschillende onderdelen belandde VMF-Stork in de jaren zeventig in een langdurige crisis. De sluiting van de afdeling Rollend Materieel in 1970 beschouwde Sickinghe als een zware nederlaag. Hij zei daar later over: ‘Elk industrieel land dat zichzelf respecteert, hoort over een eigen staalindustrie en een fabriek voor spoorweg- en trammaterieel te beschikken.’ In 1977 leed het concern bij een omzet van ongeveer ƒ1,7 miljard een verlies van ƒ130 miljoen. Over zeven verliesjaren samen bedroeg het verlies volgens een terugblik uit 1988 circa ƒ305 miljoen; in dezelfde periode verdwenen ongeveer 14.000 van de 24.000 arbeidsplaatsen. miniatuur|Staking bij Werkspoor Utrecht, 13 november 1969