Jhr. Pieter II Rembt Sickinghe (Nieuweschans, 21 september 1743 – Groningen, 19 juni 1821) was een Nederlands jonkheer, politicus, rechter, bestuurder en secretaris uit het adellijke geslacht Sickinghe. Hij bekleedde onder meer de functies van president van de Ridderschap der Provincie Groningen, drost van het Hunsingokwartier te Groningen, hoofdman van de Hoge Justitiekamer, lid van het Wetgevend Lichaam van het Bataafs Gemenebest en lid van de Provinciale Staten van Groningen. Daarnaast was hij vrijmetselaar en behoorde hij in 1772 tot de eerste leden van loge L'Union Provinciale, waarvan hij later secretaris werd.

Sickinghe werd in 1814, als enige vertegenwoordiger van het oude Groninger stadspatriciaat, benoemd in de adelstand met de titulaire van jonkheer en hoogwelgeboren. Hij werd erkend lid te zijn van een al in de 15e eeuw als adellijk beschouwd riddermatig Noord-Nederlands geslacht. In 1815 werd zijn zoon Onno Joost Sickinghe (1782-1845) eveneens benoemd in de Ridderschap der Provincie Groningen. Van deze tak stammen alle (anno 21e eeuw) nog levende telgen en generaties van het geslacht Sickinghe.

Hij was een zoon van Feijo Sickinghe (1718–1748), commandant van de vesting Langakkerschans, kleinzoon van mr. Onno Sickinghe (1688–1756) en Pieter Rembt van Iddekinge (1683–1758), beiden burgemeester van de stad Groningen, en een jongere neef van Eilko Eger Tamminga Sickinghe (1726–1807) en Antony Adriaan van Iddekinge (1711–1789), beiden eveneens burgemeester van Groningen.

Biografie Sickinghe, telg uit de oud-adellijke regentenfamilie Sickinghe, werd in 1743 geboren als zoon van majoor der cavalerie Feijo Sickinghe (1718-1748) en Petronella Wubbina Johanna van Iddekinge (1718-1805). Zij was een dochter van Pieter Rembt van Iddekinge (1683-1758), burgemeester van Groningen, luitenant-houtvester en curator van de Hogeschool te Groningen. Op 22 september 1743 werd hij te Nieuweschans gedoopt onder de naam Pieter Rembt. Zijn vader diende als kolonel der cavalerie en was commandeur van Bad Nieuweschans (voorheen de Langakkerschans).

Zijn voornaam Pieter gaat terug op een vroegere voorvader, Peter Sickinghe (1455-1532), terwijl zijn tweede voornaam Rembt afkomstig is van zijn grootvader van moederszijde, Pieter Rembt van Iddekinge, een Orangist die een vooraanstaande rol speelde in het bestuur van Groningen en een van de hoofdrolspelers was tijdens het Pachtersoproer van 1747.miniatuur|Portret van de vrouw van Pieter Rembt, Anna Josina Petronella Alberda van Ekenstein (1749-1826)Hij was een kleinkind van mr. Onno Sickinghe (1688-1756), politicus, drost der beide Oldambten en burgemeester van de stad Groningen. Zijn overgrootvader was jonkheer Feio Sickinghe (1654–1696), luitenant-kolonel der infanterie, commandeur van de Langakkerschans en premier collator van Usquert.

Sickinghe studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Hij promoveerde op 16 april 1768 en werd doctor in de beide rechten. Zijn proefschrift droeg als titel: ''de jure retentionis cum in veris tum in quasi contractibus'' (het recht van retentie, zowel in werkelijke als in quasi-contracten) en was opgedragen aan twee van zijn ooms: Eilko Eger Tamminga Sickinghe en Antony Adriaan van Iddekinge.

Hij huwde op 7 maart 1780 met de jonkvrouw Anna Josina Petronella Alberda van Ekenstein (1749-1826), telg uit het adellijke geslacht Alberda van Ekenstein (1749-1826).Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, De Nederlandsche leeuw, Volumes 121-122, p. 125. Samen kregen zij 6 kinderen, waaronder:

jkvr. Petronella Wibbina Johanna Sickinghe (1781-1828) jhr. mr. Onno Joost Sickinghe (1782-1845); provinciaal politicus, belastinginspecteur, rechter, oprichter van het Natuur- en Scheikundig Gezelschap te Groningen jhr. Feijo Eilko Sickinghe (1788-1863); ontvanger der directe belastingen in en uitgaande rechten en accijnzen te Hoogkerk, Arrondissement Groningen jkvr. Anna Maria Sickinghe (ca.1780-1860); echtgenote van Frederik Carel Wolter Baron van Broeckhuysen (1772-1819), kamerheer van koning Willem I en lid van de Ridderschap van Gelderland.

Sickinghe was sinds zeker 1772 vrijmetselaar bij de loge L'Union Provinciale. Van 1777 tot 1780 was hij secretaris van de loge.Anton van de Sande en Joost Rosendaal, Een Stille leerschool van deugd en goede zeden, vrijmetselarij in Nederland in de 18e en 19e eeuw, Hilversum 1995, p. 82.

Hij overleed in 1821 op 77-jarige leeftijd na een 'korte, doch hevige, ongesteldheid'.Groninger Courant, No.50, Geboorte- Huwelijks-en Sterf-berigten, 22 juni 1821. (Delpher)J. Vinhuizen met levensschets door Dr. G. A. Wumkes, Stads- en Dorpskroniek van Groningen (1800-1900), Bolsward 1935, p. 132. (Delpher) Sickinghe werd begraven in 't choor van de Broerkerk te Groningen.

Loopbaan Sickinghe studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit van Groningen en begon zijn carrière in 1768 als secretaris van het college van waakzaamheid en veiligheid. Van 1771 tot 1781 was hij secretaris van het college van de Kluft en tussen 1772 en 1781 lid van de gezworen gemeente.Hendrik Octavius Feith (jr.), Regeringsboek der provincie Groningen, Eerste stuk, Groningen 1850, p. 252-264. Op 11 januari 1779 werd Sickinghe samen met de heren H. Lohman, H.W. Hoving, Balthasar Daniel van Idsinga en W. van Swinderen als Keurheer gepresenteerd aan de Heer Prins Erfstadhouder.'s Gravenhaagse Courant, No.10, Nederlanden, 22 januari 1779. (Delpher)

Als bestuurder, rechter en politicus Op 4 februari 1782 werd 'de Hoog Wel-Gebooren Heer Mr. Pieter Rembt Sickinghe' aangesteld als Hoofdman van de Hoge Justitie Kamer van Stad en Lande.Hollandsche Historische Courant, No. 18, Nederlanden, 9 februari 1782. (Delpher)J. Hand, Naamregister der leeden, steeden, en regeeringe derzelve, uyt welke de vergaderinge van [...] de heeren Staten van Holland en West-Vriesland bestaat [...]. Voor den jare 1794, Alkmaar 1794, p. 133. In deze rol ontving hij op 10 november de Heer Prins Erfstadhouder Willem V van Oranje-Nassau en zijn zoons Willem en Frederik onderaan de trap van de Hoge Justitie Kamer.Groninger Courant, No. 90, Nederlanden, Vrijdag 11 november 1785. (Delpher)

Op 18 januari 1802 werd Sickinghe aangesteld als lid van het Wetgevend Lichaam van het Bataafs Gemenebest.Bataafsche Republiek, Notulen van het Staats-bewind der Bataafsche Republiek january-maart 1802, Volume 2, (KB, Nationale Bibliotheek van Nederland), p. 190. Dit bleef hij tot 8 januari 1805. miniatuur|Oude kaart van Stad en Ommelanden in 1781, met het kwartier Hunsingo in geel

In 1805 volgde Sickinghe mr. Johan Wichers op als landdrost en richter van het kwartier Hunsingo.J.A. Brouwer, Archief der familie Tjarda van Starkenborgh, ca. 1905, Rijksuniversiteit Groningen, p. 50 (370). Een aantal jaren eerder, in 1798, was Onderdendam gekozen als hoofdplaats van het Hunsingokwartier. De restanten van het koninkrijk Holland werden in 1810 ingelijfd bij het Eerste Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte en in 1811 werd, verrassend genoeg, de stad Appingedam (al sinds 1327 in het bezit van haar stadsrechten) gekozen als nieuwe hoofdplaats van het kwartier. De band die mr. Pieter Rembt Sickinghe en zijn vrouw destijds met Appingedam (borg Ekenstein) hadden droeg hier waarschijnlijk aan bij.

Bij Koninklijk besluit werd Sickinghe op 9 maart 1808 benoemd tot procureur des Konings (Hoofdofficier en Hoofd-Schout) van Groningen. Sickinghe echter weigerde het verzoek om de functie op zich te nemen en in juli van dat jaar liet hij zich vervangen door de heer mr. Tammo Sypkens.Koninklijke Courant, no. 64, Holland, dinsdag 15 maart 1808. (Delpher)Amsterdamsche Courant, No. 85, Holland, 16 juli 1808. (Delpher) Vanaf 1811 werd Sickinghe lid van de rechtbank van Eerste Aanleg te Groningen. miniatuur|Foto van een trommelvel van een keteltrom, door Johan Sickinghe (1649-1673) buitgemaakt bij het Ontzet van Coevorden in 1672 met daarop een aantekening van de hand van jonkheer Pieter Rembt SickingheVoordat de ridderschappen in 1815 werden ingesteld, had koning Willem I der Nederlanden in 1814 al de eerste leden der Provinciale Staten van Groningen benoemd. Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821) werd als een van de in totaal 12 leden op 19 september 1814 benoemd. Zijn zetel gaf hij echter nog voor juni 1817 op in ruil voor behoud van zijn lidmaatschap bij de Provinciale Rechtbank. Het zijn van rechter was een, destijds persoonlijk door de koning Willem I besloten met het Statenlidmaatschap onverenigbaar ambt.

Als lid- en president van de Ridderschap der Provincie Groningen Pieter Rembt Sickinghe werd op 28 augustus 1814 als een van de 29 leden bij Koninklijk Besluit benoemd in de Ridderschap der Provincie Groningen en geadmitteerd tot de Adelstand met de titulaire van Jonkheer en Hoogwelgeboren.Eerste lijst van de personen of geslachten, wier titels en adeldom op de Registers van den Hoogen Raad van Adel zijn ingeschreven, Volume 1, Brussel 1825, p. 318. Hij was bij zijn benoeming de enige vertegenwoordiger van het oude Groninger stadspatriciaat en als lid van een al in de 15e eeuw als adellijk beschouwd riddermatig Noord-Nederlands geslacht vrijgesteld van de verplichting een acte van bewijs aan te nemen als teken van 'nieuwe veradeling'. Het was hem mogelijk geweest de baronnentitel te verwerven maar hierover zou hij gezegd hebben: Better een olde jonker, dan een nije baron. Zijn zoon jhr. mr. Onno Joost Sickinghe (1782-1845) werd in 1815 benoemd. Vanaf dat moment behoorden de nakomelingen van Pieter Rembt en zijn zoon Onno Joost officieel tot de Nederlandse adel.L. A. van Weleveld, Handboek van den Nederlandschen Adel, 's-Gravenhage 1848, p. 154. miniatuur|320x320px|Het gebouw aan de Oude Boteringestraat waar de Hoge Justitiekamer in 1755 zijn intrek nam.

Sickinghe zat als lid van de Ridderschap verschillende commissies voor. De eerste commissie van de Ridderschap was de Commissie voor het reglement en deze werd geformeerd op 30 maart 1815. De zes leden van deze commissie, waaronder Sickinghe, kregen als taak een reglement op te stellen. Sickinghe was daarnaast lid van de permanente Jaarlijksche Commissie ter Examinatie der Stukken van Nieuwkomende Leden. Deze commissie was in 1817 opgericht door de nieuwe reeks verheffingen in de adelstand door koning Willem I. De commissie had als hoofdtaak het onderzoeken van de bewijsstukken die door edelen die om admissie verzochten, werden overlegd. Ze verifieerde adels diploma's en onderzocht de geschiktheid van degene die om toelating verzocht.

Sickinghe werd in 1818 na een ledenstemming gekozen als president van de Ridderschap der Provincie Groningen. Hij volgde Onno Reint Alberda van Ekenstein (1752-1821) op en was hiermee de tweede president van de Ridderschap sinds haar oprichting in 1814. Alhoewel de initiële verkiezingen enigszins spannend waren geweest bleek dat Sickinghe na zijn eerste jaar goed beviel als president. Hij werd een jaar na zijn benoeming met 'eenparigheid van stemmen herkozen' en ook in de opeenvolgende jaren werd Sickinghe steeds als president herkozen.

Pieter Rembt Sickinghe overleed kort na de vergadering van de Ridderschap op 1 juni 1821.

Bezoek koning Willem I In 1818 bracht koning Willem I der Nederlanden een bezoek aan de stad Groningen. Tijdens de vergadering van 25 juni 1818 stelde president Sickinghe het volgende voor: “Benoeming ener deputatie om Zijne Majesteit de Koning (…) bij diens aanstaande aankomst in deze stad vanwege de Ridderschap te gaan complimenteren.”

Het voorstel hield in dat er een officiële afvaardiging werd samengesteld om de Ridderschap bij de koning te vertegenwoordigen. Deze deputatie bestond uit zeven leden, onder wie zijn zoon Onno Joost Sickinghe (1782–1845). Pieter Rembt Sickinghe, president, trad op als hoofd van de afvaardiging.

Publicaties