Onder de Gelderse Oorlogen (1502-1543) wordt een reeks conflicten verstaan in de Nederlanden: voornamelijk Holland, Vlaanderen en Brabant onder leiding van de Habsburgse vorsten van de Bourgondische Nederlanden aan de ene kant en Gelre, Groningen en de Ommelanden en Friesland, onder leiding van Karel van Gelre aan de andere kant. Het Sticht Utrecht, Oost-Friesland en de Saksische hertogen van Friesland kunnen gezien worden als aparte partijen.

De Gelderse Oorlogen waren een direct vervolg op de eraan voorafgaande Gelderse Onafhankelijkheidsoorlog, waarin Gelre na de dood van Karel de Stoute zijn onafhankelijkheid had herwonnen. De Gelderse Oorlogen duurden van 1502 tot 1543 en kunnen gezien worden als een zijtoneel van een groter conflict om de heerschappij in Europa tussen Frankrijk en Habsburg, dat vooral in Italië werd uitgevochten, de Italiaanse Oorlogen; daarnaast raakten de Gelderse Oorlogen verstrengeld met een aantal "veten": de Saksische Vete (1514–'17), de Gelderse Vete aan de zijde van o.a. Balthasar Oomkens van Esens tegen de Cirksena's, om Oost-Friesland (1531–'34) en de Gravenvete (1534–'36). De Gelderse Oorlogen eindigden met de Derde Gelderse Successieoorlog (1538-'43) in het voordeel van de Habsburgers.

Inleiding De conflicten kenmerkten zich door het ontbreken van grote veldslagen tussen legers. In plaats daarvan vonden er allerlei kleinschalige schermutselingen, plundertochten en hinderlagen plaats. Toch waren de gevolgen van de oorlogen voor de bevolking groot. De vijandigheden beperkten zich niet tot Gelre, maar in vrijwel alle Nederlanden vonden oorlogshandelingen plaats, met als dieptepunt de plundering in 1528 van Den Haag onder verantwoordelijkheid van de Gelderse veldheer Maarten van Rossum.

Voorgeschiedenis Gelre was al eens van 1473 tot 1477 onder Bourgondische heerschappij gekomen, maar na de dood van Karel de Stoute en het begin van Bourgondische Successieoorlog zagen de Geldersen hun kans schoon om in de Gelderse Onafhankelijkheidsoorlog hun verloren onafhankelijkheid te herwinnen. In eerste instantie mislukte dit. Na een volksopstand wist men echter Karel van Egmond, de erfgenaam van de laatste Gelderse hertog, in 1492 uit Franse gevangenschap vrij te kopen. Hij werd als nieuwe hertog ingehuldigd. Nieuwe pogingen tussen 1493 en 1499 door Filips de Schone (hertog van Bourgondië) en Maximiliaan van Oostenrijk (Duits keizer) om Gelre in samenwerking met de hertogdommen Gulik en Kleef te heroveren mislukten. Er werd nog steeds gezonnen op wraak en drie jaar na het laatste krijgsbedrijf begonnen de Bourgondiërs (Habsburgers) met een nieuwe aanval op Gelre.

Verloop thumb|Mei 1515: Gelre neemt Friesland in thumb|Eind 1522: Gelre bereikt zijn maximale omvang thumb|Maarten van Rossum, Gelderse maarschalk (houtsnede van ca. 1545, later ingekleurd) thumb|Schenck van Toutenburg, Habsburgse veldheer (schilderij van ca. 1540) thumb|Maarten van Rossum brandschat Den Haag (schilderij van 1853)

Ontstaan In 1502 veroverde het Bourgondische leger Arnhem, een van de vier hoofdsteden van Gelre. Filips de Schone bood het hertogdom als achterleen in 1505 aan Karel van Egmond aan. Karel weigerde: hij wilde Gelre enkel rechtstreeks van de keizer lenen. Filips onderhandelde nu niet verder en veroverde in hetzelfde jaar een groot gedeelte van Gelre, waarna Karel hem in de hertogelijke residentie Rozendaal te voet viel (de 'knieval van Rozendaal'). Gelre leek opnieuw deel van de Nederlanden te worden. Karel van Egmond moest Filips vergezellen naar Spanje, waar deze als koning zou worden ingehuldigd. Verder dan Antwerpen ging Karel niet mee. In 1506 overleed Filips, wat Karel de ruimte bood om de Bourgondische verovering weer ongedaan te maken. Hij hervatte de strijd.

Het Sticht Utrecht was sinds keizer Maximiliaan I, grootvader van prins Karel, zijn verwant Frederik van Baden had laten verkiezen tot prins-bisschop (1496) een vazalstaat van het Bourgondische Rijk. Dit vormde voor hertog Karel de aanleiding om het Oversticht te bezetten (1508). Op 29 oktober bereikte hij Kuinre en liet deze stad plunderen.

Een tijdelijke vrede bracht weinig verlichting, want spoedig begon de oorlog opnieuw. Ridderschap en Steden van Overijssel verklaarden zich bereid de bisschop te steunen. In het begin van 1510 waren de vijandelijkheden in volle gang, het jaar erop overleefde Gelre een grote Bourgondische aanval.Arnheym - Karel van Gelre en Karel V. Geraadpleegd op 26-11-2010. Hertog Karel bedreigde Kampen, plunderde Genemuiden en maakte de verbinding tussen Over- en Nedersticht onveilig. De bedoeling van de hertog was waarschijnlijk om zich van Overijssel te verzekeren, mede in verband met zijn plannen ten opzichte van Friesland en Groningen, die enkele jaren later werden uitgevoerd. De Geldersen vielen daarna Twente binnen, waar zij grote verwoestingen aanrichtten en onder andere Oldenzaal bezetten (hoofdplaats van het Landschap Twente). Bisschop Frederik, die zich naar Overijssel begaf, was niet bij machte veel hulp te verlenen en het Nedersticht weigerde op te treden tegen Gelre, ondanks herhaaldelijke hulpkreten van de IJsselsteden, die al veel oorlogskosten hadden opgelopen. Uiteindelijk kwam Maximiliaan de bisschop te hulp door de Gelderse troepen uit Twente te verdrijven. Ambtman Roelof van Munster van Coevorden echter, bezette zijn stad en viel Salland binnen. In 1513 sloten Maximilaan en Karel van Gelre weer een kortstondige vrede.Prof. dr. B. H. Slicher van Bath e.a. (1979) Geschiedenis van Overijssel, Uitgeverij Waanders, Zwolle.

In juli 1513 had Karel het gewest grotendeels heroverd; in 1514 veroverde zijn veldheer Maarten van Rossum de stad Arnhem door in een korenwagen verborgen soldaten de stad binnen te smokkelen. Dezen openden daarop de poorten en lieten de hertogelijke troepen binnen. Deze gebeurtenis met de 'Korenwagen van Arnhem' wordt wel vergeleken met het Paard van Troje en het Turfschip van Breda.

Tegelijkertijd met de meerderjarigheidsverklaring van de latere Keizer Karel V (1515) werd zijn tante, Margaretha van Oostenrijk, als landvoogdes van de Nederlanden vervangen door Willem II van Croÿ (1458-1521), heer van Chièvres. Deze vond de herovering van Gelre niet dringend. Doordat de landvoogdes twee jaar later het bewind weer overnam laaide de spanning opnieuw op.

Oorlog in Friesland

In 1514 deden de Friese Vetkopers (onder leiding van Jancko Douwama) een beroep op Gelre in hun onafhankelijkheidsstrijd tegen hertog Joris van Saksen. Gelre verdreef de Saksen uit Groningen, de Ommelanden en Westerlauwers Friesland (met de uitzondering van Leeuwarden, Harlingen en Franeker) en hield het bezet. Joris besloot af te zien van de Friese landen en verkocht zijn rechten aan prins Karel (19 mei 1515). De Saksische Vete verliep nu verder in het Gelders-Habsburgs conflict.

Prins Karel stuurde Hollandse, Zeeuwse, Vlaamse en Brabantse troepen om bezit te nemen van het gebied, waarover hij Floris van Egmont aanstelde als stadhouder. De Friezen kwamen hiertegen in opstand onder leiding van Pier Gerlofs Donia en zijn luitenant Wijerd Jelckama, die op zee Hollandse schepen aanvielen en in 1517 een aanval op Medemblik pleegden; de Hollandse scheepvaart op de Zuiderzee had hier veel van te lijden. De Friezen, Geldersen, Oost-Friezen, Groningers en Ommelanders verenigden zich tegen hun gemeenschappelijke vijand onder leiding van hertog Karel, die bovendien een bondgenootschap had gesloten met koning Frans I van Frankrijk.

Karel wordt koning van Spanje en keizer In januari 1516 stierf koning Ferdinand II van Aragon. In maart nam zijn kleinzoon, prins Karel, te Brussel het koningschap over het Spaanse Rijk aan. Daarna moest hij naar Zuid-Europa afreizen om staatszaken te regelen. In de zomer van 1517 wachtte hij bij Middelburg op gunstige zeewind voor de boottocht naar Spanje, toen hij vernam dat de 6.000 Gelderse huursoldaten van de onder leiding van de Gelderse maarschalk Johan van Selbach en Johan Goltstein samen met Friese rebellen waren geland in Medemblik. Sinds hun landing trokken ze over Alkmaar midden door Holland tot Asperen, terwijl ze onderweg verscheidene plaatsen plunderden.Prof. Dr. I. H. Gosses, geheel omwerkt door Prof. Dr. R. R. Post (1979) Handboek tot de staatkundige geschiedenis der Nederlanden: De Middeleeuwen. Uitgeverij Martinus Nijhoff bv, 's-Gravenhage. Koning Karel stelde zijn reis uit om deze daad te vergelden. Hij heroverde Asperen en beval een strafexpeditie over de Veluwe. Omdat hij nu niet de tijd en kracht om voorgoed met Gelre af te rekenen, onderhandelde hij een bestand. Dat werd daadwerkelijk gesloten, zodat Karel op 8 september eindelijk naar Spanje kon zeilen.

Intussen (1517) lukte het koning Karel om Oost-Friesland buiten het gevecht te brengen (door zijn deelname aan de Saksische Vete was graaf Edzard vogelvrij verklaard en werd aangevallen door o.a. Oldenburg en Brunswijk). Koning Karel sloot vrede met Edzard en erkende zijn grondgebied. De Italiaanse Oorlogen gingen ondertussen langzaam verder op het politieke vlak, omdat het einde van keizer Maximiliaan en dus de verkiezing van een nieuwe Duitse keizer naderde. Terwijl in de Habsburgse Nederlanden koning Karel naar voren werd geschoven, wierf hertog Karel stemmen voor koning Frans. Bovendien bepleitte hij zijn recht op Gelre en verwierp het aanbod om zijn land een Brabants achterleen te maken; hij wilde zijn hertogdom alleen rechtstreeks van de keizer lenen (welke hij hoopte dat koning Frans zou worden). Echter werd koning Karel tot keizer gekozen en gekroond (1519). Frankrijk en zijn bondgenoten betwistten de verkiezing (Italiaanse Oorlog (1521-1526)).

Gelderse macht bereikt hoogtepunt Omdat beide grootmachten in deze oorlog alle steun konden gebruiken, was het voor hen van groot belang om in de Nederlanden bondgenoten te vinden; Frankrijk en Gelre hadden elkaar nodig bij het verslaan van de Habsburgse vijand, die in de door hen beheerste Nederlanden beden hielden om de oorlog te betalen. In de eerste oorlogsjaren stonden de staten dit nog toe, maar men wilde eigenlijk alleen geld opbrengen voor gevaar dicht bij huis; Vlaanderen had alleen oog voor de zuidgrenzen, Holland en Brabant alleen voor het buurland Gelre.

Hertog Karel had in 1520 het grootste gedeelte van Friesland nog in handen, op enkele plaatsen waar Bourgondische troepen gelegerd waren na (Leeuwarden, Harlingen en Franeker); hij was evenwel sinds 1518 de hulp van Grote Pier kwijt, terwijl Wijerd Jelckama de strijd tegen de Bourgondiërs voortzette. Jancko Douwama raakte bij de hertog in ongenade en liep over naar Karel V.

In Groningen en de Ommelanden was Jasper van Marwijck de stadhouder van Karel van Gelre; deze liet nu zijn oog vallen op het tussenliggende Oversticht. In 1520 bood zich hiertoe de gelegenheid aan in de vorm van een handelsoorlog tussen Kampen en Zwolle, welke laatste zich slecht behandeld voelde door de bisschop bij diens bemiddeling, en de hertog van Gelre binnenhaalde als landsheer (hiermee pleegden de Zwollenaren meineed). Karel greep deze kans en rukte Overijssel binnen. Op 11 juli 1521 trachtten Gelderse en Zwolse troepen Hasselt bij verrassing in te nemen, en belegerden het stadje van 16 tot 21 juli vergeefs, om het ten slotte links te laten liggen., Het Noorden in het midden (1998) 79. Uitgeverij Van Gorcum.

In 1522 maakte Karel van Gelre gebruik van zijn bondgenootschap met Frans I van Frankrijk om zich uit te laten roepen tot heer van de Ommelanden en in één moeite door bezette hij het Oversticht; maarschalk Johan van Selbach werd zijn stadhouder over deze gebieden, die bestuurd werden vanuit Coevorden. Eind 1522 had de bisschop van Utrecht enkel in Hasselt en Oldenzaal nog vendelen gelegerdTweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel (1990) 131. Leeuwarden: Inter-Combi van Seijen., verder was het gehele Oversticht in Gelderse handen.