De grootsporige zeggemollisia (Mollisia pilosa) is een kleine zakjeszwam uit de familie Mollisiaceae. De soort leeft saprotroof op afgestorven delen van kruidachtige planten en is vooral verbonden met zegges (Carex). In Nederland wordt hij voornamelijk aangetroffen in rietlanden en oevervegetaties.Mollisia pilosa – Grootsporige zeggemollisia, NDFF Verspreidingsatlas Paddenstoelen. Geraadpleegd op 20 september 2026.
Taxonomie De soort werd in 1900 door de Britse mycoloog Charles Crossland beschreven als Belonium pilosum. Het oorspronkelijke materiaal was afkomstig van stengels en bladeren van hangende zegge (Carex pendula) in Groot-Brittannië. Belonium pilosum Crossl., Index Fungorum. Geraadpleegd op 20 september 2026. Een latere combinatie is Niptera pilosa (Crossl.) Boud.
In 2008 plaatsten Hans-Otto Baral en Torsten Richter de soort in het geslacht Mollisia, waarmee de huidige naam Mollisia pilosa ontstond. Mollisia pilosa (Crossl.) Baral & T. Richt., Index Fungorum. Geraadpleegd op 20 september 2026. Gminder beschouwde in 2012 ook Trichobelonium caricinum Velen. als conspecifiek met Mollisia pilosa. (2012). Studies in the genus Mollisia s.l. III: Revision of some species of Mollisia and Tapesia described by J. Velenovský (part 2). Czech Mycology 64(2): 105–126, met name p. 124–125.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken De apothecia zijn klein en vrijwel zonder steel op het substraat bevestigd. Ze worden ongeveer 1–2 mm breed en zijn aanvankelijk ondiep komvormig. Het vruchtbare oppervlak (hymenium) is grijs tot blauwgrijs en kan bij rijpe vruchtlichamen enigszins bol worden. De buitenzijde is donkerbruin tot bijna zwart en fijn behaard. Mollisia pilosa (Crossl.) Baral & T. Richter, Asturnatura. Geraadpleegd op 20 september 2026.
Microscopische kenmerken De ascosporen zijn langwerpig spoelvormig tot bijna cilindrisch, hyaliene en glad en meten 120 tot 160 µm in lengte. Rijpe sporen zijn meercellig en hebben gewoonlijk één tot drie dwarssepta. Bij levend materiaal bedragen de sporen ongeveer (25–)30–40 × 3–4 µm. Door het indrogen kunnen cellen van vertegenwoordigers van de Helotiales sterk krimpen; bij gedroogd materiaal kunnen de sporen daardoor nog slechts ongeveer 17–28 × 2–2,8 µm meten.
De sporen kunnen ter hoogte van de septa enigszins ingesnoerd zijn. Dit kenmerk kan bij herbariummateriaal of na behandeling met KOH minder duidelijk zichtbaar zijn. De asci kunnen bij levend materiaal ongeveer 120–160 µm lang worden. De ascusporie vertoont bij behandeling met lugol een rode reactie.
Door deze microscopische kenmerken en de overeenkomst met andere soorten van Mollisia is microscopische controle noodzakelijk voor een zekere determinatie.
Ecologie De grootsporige zeggemollisia is een saprotroof die dood plantaardig materiaal afbreekt. In Nederland wordt de soort vooral gevonden op stengels en andere afgestorven delen van Carex in vochtige vegetaties, zoals rietlanden en oevers.
Uit de Britse literatuur zijn vondsten bekend van de bladbasissen van onder andere moeraszegge (Carex acutiformis), hangende zegge (Carex pendula) en oeverzegge (Carex riparia). (1997). Microfungi on Land Plants: An Identification Handbook. New enlarged edition. The Richmond Publishing Co. Ltd., Slough, p. 529. . Het oorspronkelijke materiaal van de soort werd eveneens verzameld op Carex pendula.
Verspreiding De soort is uit verschillende Europese landen bekend. In Nederland geldt de grootsporige zeggemollisia als 'zeer zeldzaam'. De kwalificatie van de NDFF Verspreidingsatlas is gebaseerd op gevalideerde Nederlandse waarnemingen uit de periode 2004–2023.
Categorie:Mollisiaceae Categorie:Schimmelsoort