De archeologische site Kerkhove-Kouter ligt op de linkeroever van de Schelde, op de kouterrug tussen de dorpskernen Waarmaarde en Kerkhove in de Belgische gemeente Avelgem (West-Vlaanderen). Tijdens opgravingscampagnes lopende van 1974 tot in 2000 werden er archeologische sporen en objecten ontdekt uit het mesolithicum, neolithicum en de metaaltijden, een baanpost uit de Gallo-Romeinse periode, een Laat-Romeins/Germaans graf, een Merovingische nederzetting met graven, en Karolingische en overige Middeleeuwse vondsten.

Ligging De site situeert zich op de linkeroever van de Bovenschelde tussen de steden Doornik en Oudenaarde, op het grondgebied van de Avelgemse deelgemeente Kerkhove. Daar ligt ze op een kouter, een hoger gelegen strook (TAW 18m) met dezelfde oriëntatie van de Schelde. Tussen deze kouter en de Schelde ligt een strook lager gelegen meersen (TAW 12m). Tussen deze meersen en de kouter loopt parallel de Rijtgracht met daarnaast de buurtweg Kapelleweg. Aan de andere kant van de kouter wordt deze geflankeerd door de Oudenaardsesteenweg (N8).

Ontdekking Reeds in 1610 vermeldt de 17de-eeuwse Kronijcke van Oudenaarde een grote Romeinse muntschat van 1800 zilveren munten op de site. De locatie ervan wordt er omschreven als "tuschen Kerkhove ende Maerwaerde", dus op, of in de onmiddellijke omgeving, van de Romeinse baanpost. Drie eeuwen later, in het kader van de rechttrekking van de Schelde en de aanleg van een sluis in de jaren 1920, werden waarnemingen uitgevoerd door Juliaan Claerhout, een belangrijke pionier in de West-Vlaamse archeologie. In 1913 registreerde hij reeds Romeinse oppervlaktevondsten en stenen structuren ter hoogte van de kouter Kerkhove-Waarmaarde en omgeving. Verder trof hij prehistorische vondsten, waaronder een bronzen speerpunt, en vondsten van Romeinse bouwmaterialen op de landbouwgronden ten noordoosten van de kerk van Waarmaarde aan.

Gelijkaardige oppervlaktewaarnemingen van concentraties Romeins bouwpuin uitgevoerd door Marc Rogge lagen in 1974 aan de basis van het vooronderzoek en de noodopgravingen onder toezicht van de Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen (V.O.B.o.W.) doordat putbatterijen van een grondwaterwinning van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen (N.M.W.L.) uitgegraven moesten worden.

Opgravingsgeschiedenis Vanaf 1974 is de V.O.B.o.W., eerst onder leiding van Mark Rogge en later van Suzanne DeCock, overgegaan tot systematische en grootschalige opgravingen dankzij de welwillendheid van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (V.M.W.), met financiële steun van de Provincie West-Vlaanderen en logistieke steun, aanvankelijk van de gemeente Kerkhove en na de fusies van de gemeente Avelgem. Het betreft een gebied van ongeveer 5 hectare. Bij deze opgravingen zijn steeds geïnteresseerde archeologische "vrijwilligers", zoals middelbare scholieren, universiteitsstudenten en enthousiaste volwassenen, actief betrokken geweest. Via tewerkstellingsprojecten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (R.V.A.) en van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (V.D.A.B.) werden mensen ingeschakeld zowel voor het veldwerk als bij de verwerking van de resultaten. De opgravingen vinden seizoenaal plaats, soms worden er meerdere campagnes per jaar georganiseerd.

Door het Onderzoeksfonds van de KU Leuven en de Kulak (1981-1984) werd in samenwerking met V.O.B.o.W. "het archeologisch-geomorfologisch onderzoek van de Romeinse administratief-logistieke inplanting van Kerkhove" onder leiding van prof. dr. André Van Doorselaer en via de intensieve Landesaufnahme (=landsurvey of archeologische prospectie) van Marc Rogge gestimuleerd en uitgebreid over de omliggende rijke landbouwregio, namelijk de (Zand)leemstreek van Zuid-West- en Oost-Vlaanderen. In de literaruur werd de archeologische site aanvankelijk louter als 'Kerkhove' omschreven en verder gesitueerd als liggende Ten Hove. Later om het te onderscheiden van andere archeologische vindsplaatsen wordt ook vaak Waarmaardse kouter gebruikt. Maar daar deze laatste benaming verwarring geeft met het grondgebied waaroopde site ligt (=Kerkhove), blijkt uiteindelijk Kerkhove-Kouter de meest correcte keuze.

Overzicht archeologische site miniatuur|999x999px|Overzichtsplan van de site. In verschillende kleuren zijn de verschillende bewoningsfases aangeduid van de steentijden tot de Merovingische periode.https://zenodo.org/record/8289795|geen

Chronologie Mesolithicum (ca. 8000 - 4500 v. Chr.) Tijdens de opgravingen werden prehistorische vondsten aangetroffen waaruit bleek dat de hogergelegen kouter een uitstekende vestigingsplaats was voor de mens. De oudste sporen gaan vermoedelijk terug tot het mesolithicum. De prehistorische vondsten bevinden zich echter wel in een fel verstoorde context. Hierdoor blijft de determinatie van de oudste bewoningsfase op de site echter wel problematisch. De weinige microlieten, de relatief talrijke, onregelmatige microklingen en kerfresten aangetroffen op de site, werden gevonden in archeologische lagen en sporen die eigenlijk een jongere datum worden toegekend dan het mesolithicum. Dit doet de vraag rijzen of deze artefacten staan voor mesolithische aanwezigheid op de site, of slechts wijzen op het voortleven van en mesolithische traditie tijdens het neolithicum.

Neolithicum (ca. 4500 - 1800 v. Chr.) miniatuur|214x214px|Neolithisch aardewerk met verbrande beenderverschraling (RAMS01506) In het neolithicum gaat de mens over van een jager-verzamelaarsbestaan naar landbouwer en veeteler. Men gaat zelf zijn voedsel produceren en steeds meer een sedentaire levenswijze aannemen in nederzettingen. Daar gaan dan ook geleidelijk meerdere ambachtelijke activiteiten ontstaan zoals o.m. het pottenbakken. Dit aardewerk was nodig om in te koken of het geproduceerde voedsel in op te slaan. Op de site Kerkhove-Kouter zijn er bewijzen gevonden van deze vroegste aardewerkproductie in deze regio (voorbeelden RAMS01506 & RAMS01507), namelijk fragmenten van vaatwerk met onder meer verbrande beenderverschraling aangetroffen in een kuil. Deze scherven kunnen dus gelinkt worden aan het vroegste gebruik van aardewerk in deze contreien en werpen een licht op de introductie miniatuur|246x246px|Neolithisch aardewerk met verbrande beenderverschraling (RAMS01507) Voor het vroeg-neolithicum zijn we te Kerkhove-Kouter aangewezen op geïsoleerde, schaarse gegevens. Er werd lithisch materiaal gevonden in een kuil en ook nog een afgedrukte kling. Deze vertonen sterke parallellen met de Groupe de Blicquy, een groep prehistorische mensen. Het verwantschap hiermee werd tot nog toe niet bewezen, maar indien correct, krijgt deze vindplaats een uitzonderlijk belang toegekend. Deze zou dan doorgaan als één van oudste Bandkeramische sites in Vlaanderen, en mogelijk zelfs de meest (noord)westelijke uitbreiding van deze Groupe de Blicquy. Daarnaast zou dit op zijn beurt een uitbreiding van het vroeg-neolithicum in de richting van de zandleemgronden impliceren, daar waar deze cultuur vooral in verband wordt gebracht met de vruchtbare leemstreek van Midden-België. Het is echter niet zeker of er hier onder het lithisch materiaal ook zo'n vroege elementen aanwezig zijn. De aangetroffen vondsten zijn vormtypologisch niet indicatief genoeg om ze beslist als vroeg-neolithicum te classificeren. Ook moet in rekening gehouden worden dat te Kerkhove-Kouter de Neolithische vondsten geïsoleerd in kuilen en grachten aangetroffen werden, onvoldoende om een effectieve, volwaardige vroeg-neolithische nederzetting op de site te identificeren. Het gros van dit te Kerkhove-Kouter gevonden litisch materiaal moet nog verder gesitueerd worden in de ruime chronologische context, gaande van het vroeg-, midden- tot het laat-neolithicum en/of de vroege bronstijd. Dit omwille van de vermenging van de vondsten en de nog steeds beperkte kennis van het laat-neolithisch en bronstijdsteenmateriaal.

Een deel van het materiaal opgegraven in de kuilen en grachten kan wel met zekerheid tot het midden-neolithicum gerekend worden, meer specifiek bij de Michelsbergcultuur. De aanwezigheid van een dergelijke bewoningsfase wordt in het bijzonder aangetoond door typisch silexverschraald aardewerk (voorbeelden RAMS01506 & RAMS01507). links|miniatuur|225x225px|Prehistorische gesteelde en gevleugelde pijlpunt (RAMS01486) Daarnaast werden een drietal afslagbijlen gevonden, wat typisch is voor het midden-neolithicum. De aangetroffen gepolijste bijlen kunnen allemaal of deels bij deze periode aansluiten. Wat de pijlbewapening betreft kunnen de transversale en driehoekige exemplaren waarschijnlijk tot het midden-neolithicum gerekend worden. Ook het bladvormig en het gesteeld type doen hun intrede maar blijven tijdens deze periode nog op de achtergrond. Deze behoren waarschijnlijk tot een jongere periode.

Samen met een aantal andere sites (te Bevere, Kruishoutem en Schorisse) bevestigde deze vindplaats dat het moerassig gebied van de Schelde en haar zijrivieren in Vlaanderen tijdens het neolithicum vrij dicht bevolkt was. Deze site vormt daarenboven een treffende aanwijzing van de voorkeur bij de prehistorische mens om te verblijven op droge ruggen gelegen nabij een rivier. De aangrenzende alluviale vlakte evenals de Schelde moeten een begeerd jachtterrein geweest zijn, waar kleinwild en allerlei waterdieren in overvloed aanwezig waren.

De aanwezigheid van de Michelsbergcultuur in de Scheldevallei en in breder opzicht in Vlaanderen wijzigt ook onze visie op het neolithicum. Voorheen leek het of deze cultuur zich in grote trekken geografisch beperkte tot Midden-België, nu kunnen we het leefgebied van deze cultuur westelijk uitbreiden.

Met betrekking tot de verspreiding van het laat-neolithicum en de vroege bronstijd zorgt Kerkhove-Kouter voor een scherpere aflijning van de cultuurgroep van het Scheldebekken. Een bodemfragment van een met vingertopindrukken versierde pot (RAMS00417) betreft het meest prominent opgegraven aardewerk uit dit laat-neolithicum en/of vroege bronstijd. Gesteelde en/of gevleugelde pijlpunten (voorbeelden RAMS01486 & RAMS01489), evenals de bladvormige, sluiten hier chronologisch bij aan.

Bronstijd miniatuur|295x295px|Rand- en wandfragment van een kookpot uit de IJzertijd (RAMS01446). Uit de bronstijd kan verwezen worden naar een speerpunt gevonden in 1920 tijdens werken aan de sluis op de Schelde vlak bij de site Kerkhove-Kouter. Daarnaast kan de bronzen lanspunt gerecupereerd in 1920 ter hoogte van de Scheldesluizen gedateerd worden in de late bronstijd.

IJzertijd Een kleine houtbouw (10,5 m x 7 m) kan door middel van het geassocieerde aardewerk in de IJzertijd gesitueerd worden. Een voorbeeld van aardewerk uit de IJzertijd gevonden op de site betreft deze van een kookpot (RAMS01446). In 2002 werd er ook Gallisch muntje van de Gallische stam de Remi in een Romeinse context aangetroffen. Deze diende niet in het lopend muntgebruik. Munten in het Menapische gebied hadden een eerder geringe betekenis en hadden een eerder ondergeschikte rol. Ze hadden een vrij onbelangrijke financieel-economische rol in deze regio.

Gallo-Romeinse periode De Romeinse nederzetting en zijn vondsten