Het Sint-Veerlekapittel was een seculier kapittel in Gent dat genoemd was naar de heilige Veerle en haar voormalige kerk aan het Sint-Veerleplein. Het bestond vanaf de vroege 13e eeuw tot aan het einde van het ancien régime, in 1797.
De Sint-Veerlekerk en het ontstaan van het kapittel miniatuur|Oude vismijn (Gent): de blinde gevel tussen de daken rechts is een restant van de oostelijke muur van de Sint-Veerlekerktoren Over de vroege geschiedenis van de kerk is weinig bekend doordat in 1176 een grote brand in Gent veel gebouwen en oorkonden vernietigde. Bovendien werden ook nog veel archiefstukken vernietigd tijdens de Beeldenstorm in 1566 en vooral onder de Gentse Republiek in 1579.
De stichting van het Gentse Gravensteen wordt begin 10e eeuw gedateerd, ook de bouw van de erbij horende burchtkerk kan in die tijd, namelijk in 912, worden gesteld.Verhulst, Adriaan (1959): Twee oorkonden van Filips van de Elzas voor het Leprozenhuis, bevattende nieuwe gegevens betreffende de geschiedenis van Gent in de 12e eeuw. Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent 13(1). pdf, p. 18 Deze kerk bevond zich toen binnen de uitgebreide omheining van de oude vestiging of burcht, die de wijk Oudburg werd genoemd sinds Filips van de Elzas in 1180 de huidige stenen burcht bouwde.Voordeckers-Declercq, Marie Hennette (1963): Het ontstaan van de S. Veerlecultus te Gent. Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent 17(1) pdf p. 14 (12)Werveke, Hans van, en Verhulst, Adriaan (1960): Castrum en Oudburg te Gent. Bijdrage tot de oudste Geschiedenis van de Vlaamse Steden. Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent 14(1) pdf p. 3-6 De kerk, een aanvankelijk romaans bouwwerk, evolueerde door meerdere verbouwingen in de volgende eeuwen naar een meer gotische kerk.
Volgens de meest gangbare opvattingVoor mogelijke kritiek hierop, zie: waren relikwieën van Sint-Veerle in 754 door abt Agilfridus vanuit Bruay (bij Valenciennes) overgebracht naar de Sint-Baafsabdij (toen nog Gandaklooster genoemd)Hanson, Marc (2017):Sint-Veerle bij het Gravensteen en in de Sint-Baafsabdij. Ghendtsche Tydinghen 46, 4, p. 312 pdf te Gent. Uit angst voor de binnenvallende Noormannen waren de kloosterlingen van Sint-Baafs in 846, toen Einkericus hun abt was, met hun relikwieën gevlucht naar het enige versterkte klooster in Vlaanderen, de Abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars. In 853, verder op de vlucht onder abt Tasradus, brachten ze hun relikwieën in veligheid in Laon.miniatuur|Sint-Veerleplein, gezien van boven op het Gravensteen (NNW)
Pas na 911, maar zeer waarschijnlijk tussen 930 en 937, keerden zeven kloosterlingen terug. Ze hadden intussen verbleven in Nesle-la-Reposte, enkele daar achtergelaten relikwieën van Sint-Bavo werden later, in 1674, van daaruit overgebracht naar Villenauxe-la-Grande. Omdat de Sint-Baafsabdij intussen door de Noormannen verwoest was brachten de religieuzen de relikwieën in 939 (op 19 september) onder in "de kerk die gebouwd was voor de nieuwe burcht (novo edificata castello ecclesia)".
Het volgende jaar werden deze door Gerardus van Brogne teruggebracht naar de abdij, maar op uitdrukkelijk verzoek van graaf Arnulf I werden relikwieën van Sint-Veerle, en enkele van Sint-Bavo, achtergelaten in de burchtkerk, met als voorwaarde dat die van Sint-Veerle jaarlijks een keer in processie (peregrinatio) naar de Sint-Baafsabdij zouden worden gebracht. Deze overeenkomst leidde ertoe dat de grafelijke kerk vanaf toen als Sint-Veerlekerk (ecclesia Sancte Pharahildis) werd aangeduid. De oudste akte waarin sprake van de aanwezigheid van de relieken van Sint-Veerle in de grafelijke kerk dateert van 12 juni 1073: in aanwezigheid van verschillende leden van de instelling, de abten Fulcardus en Sigerus van de Sint-Pietersabdij en met burggraaf Fulcardus (Folcard II) en diens zoon Stephanus als getuigen, worden de relikwieën dan ondergebracht in een nieuw schrijn.Rijksarchief België. Sint-Veerle Gent. Charters. K122-1 De invallen van de Noormannen leidden er op deze wijze toe dat de graven van Vlaanderen hun macht konden verstevigen en er ook nog meer een religieuze onderbouwing aan konden verlenen door het beschermen van relikwieën.
Overigens zouden er zich ook relikwieën van Sint-Veerle in de Sint-Baafsabdij bevonden hebben, wat door geen van beide kapittels ooit betwist werd. Door het Sint-Baafskapittel werden in 1685 enkele relikwieën van haar geschonken aan de Sint-Veerlekapel van het gehucht Wambeek bij Steenokkerzeel.miniatuur|links|Interieur Gravensteen (Gent): Voormalige kapel
Vaak werd de Sint-Veerlekerk in documenten ook als Sint-Veerlekapel (capella Sancte Pharahildis) of met de eretitel "grafelijke kapel" (capella comitis) benoemd (en soms monasterium - klooster). Het verwarrende is dat er bij de bouw van het Gravensteen in 1180 ook een capella binnen de muren van die burcht werd ingericht, die heden nog duidelijk zichtbaar is.Declercq, Georges, o.c., p. 57-59
Even verwarrend omtrent de stichtingsdatum van het kapittel is het feit dat er vanaf de 11e eeuw in verband met de Sint-Veerlekerk al sprake is van canonici (waarmee men in die gevallen blijkt te doelen op priesters), en van prebenden (jaarlijkse rente over bezittingen, ten gunste van een geestelijke). Een duidelijk document omtrent de officiële vorming van het kapittel is niet terug te vinden, maar in ieder geval vanaf 1207 zijn er naar dit orgaan schriftelijke verwijzingen; 1207 is dus het vroegst te reconstrueren jaar (terminus ante quem) dat het kapittel werd aangesteld, terwijl dit na 1202 blijkt te moeten zijn gebeurd (terminus post quem).Declercq, Georges, o.c., p. 71-80 De eerste formele aanduiding als dusdanig dateert van 12 april 1223. De oudste kapittelstatuten dateren van twee jaar later, waarbij ook wordt vastgesteld dat de kerk over een eigen kerkhof beschikte (het recht om te begraven had ze minstens al vanaf 1190).thumb|Beeldje van Sint-Veerle, met gans en stenen broden, op het plein, Gent
Alles wijst erop dat de stichting van het kapittel in opdracht van de graaf gebeurde. Dit kan Boudewijn IX betreffen, maar ook zijn echtgenote (Maria van Champagne) of zijn broer, Filips I van Namen, die regent werd voor de nog minderjarige Johanna van Constantinopel toen haar vader in 1205 gevangen werd genomen door Bulgaren (en men vervolgens niets meer over hem vernam).Declercq, Georges, o.c., p. 91Hellinga, Gerben Graddesz (2013): Graven van Vlaanderen. Zutphen: Walburg, p. 81 Mogelijk hing de stichting van het kapittel samen met het feit dat na de brand van 1176 de herbouwde kapel al snel vervangen werd door een kerk, die in 1216 door de Doornikse bisschop Gozewijn werd ingewijd. Tot 1536 was het het enige kapittel in Gent.
Het Sint-Veerlekapittel neemt een uitzonderlijke plaats in de geschiedenis in: ten eerste door zijn opvallend late oprichting; en ten tweede door het feit dat de reden van oprichting, en de persoon van de initiatiefnemer(s) daartoe, even mistig blijven als het lot van Boudewijn IX of de rol van zijn persoon, zijn kruistocht (en verdwijning) rondom de stichting van het kapittel. Eeuwenlang werd er jaarlijks een herdenkingsdienst voor hem in de Sint-Veerlekerk opgedragen, maar ook dit gegeven verschaft geen oplossing betreffende de verschillende hypothesen over de oprichting.
Aan het Sint-Veerleplein miniatuur|Quinten Massijs (I): Portret van een (Anglicaanse) kanunnik (ca. 1510). Liechtenstein Museum, Wenen De bij de stichting bestaande groep van 5 priesters-kapelanen werd geleidelijk uitgebreid naar 12 geprebendeerde religieuzen (waaronder de deken) en een proost. De aanstelling van deze laatste gebeurde vanaf 1245, op bevel van bisschop Walter van Marvis, bij verkiezing. Aan de priesters werden vanaf de stichting en in de loop van de volgende eeuw ook diakens en subdiakens toegevoegd, zoals standaard gebeurde bij de vorming van een kapittelDeclercq, Georges, o.c., p. 89
De Sint-Veerleparochie was een erg kleine parochie (begin 17e eeuw slechts een zestigtal huizen) en het patronaatsrecht (het recht om priesters te benoemen) berustte bij de graaf, die dit aan het kapittel delegeerde.Somers Annelies, Ad utilitatem, p. 39 Hierdoor vormde de parochie een uitzondering binnen Gent, aangezien alle andere parochies wat dit betreft onder een van de Benedictijnerabdijen (Sint-Pieters of Sint-Baafs) vielen. Vanaf het begin van de 14e eeuw was Gent verdeeld in vijf secties ("wyken"), die elk een hooftman aanstelden en overeenkwamen met vijf parochies, waaronder niet Sint-Veerle maar wel: Sint-Jan (d. i. Sint-Baafs), Sint-Michiel, Sint-Jacob, Sint-Niklaas en Sint-Salvator. De uitzonderingspositie bleek bijvoorbeeld ook in 1540 uit de Concessio Carolina, waarbij Sint-Veerle niet werd vertegenwoordigd, in tegenstelling tot zeven andere parochies. Hovelingen, waaronder de grootbaljuw, en bewoners van het Sint-Veerleplein hoorden bij de parochianen.
Belangrijke prebenden van het kapittel bestonden uit inkomsten van de heerlijkheden Overbroek bij de Brugse Poort en Blaisant bij de Muide. Het kapittel had recht op (een deel van de) tienden uit o.a. Lovendegem (vanaf 1190)Voordeckers-Declercq, o.c., p. 22, Sleidinge, Wetteren (waaronder ook Wetteren-Ten Ede) en de heerlijkheid Puyenbeke.
De leden van het kapittel hoefden geen belasting te betalen over het bier en de wijn die ze in hun kelder(s) (een op het Sint-Veerleplein, later ook een tweede onder hun eigen "Paradijsken" op de hoek van het Goudenleeuwplein en de Donkersteeg) consumeerden en onder andere bij processies kreeg elke kanunnik "een pot wyns, van den besten die in de kelders alsdan lopen sal" - al werden deze privileges door Karel V vanaf 1544 aan beperkingen gebonden.. Aanvankelijk werd met Paradijs het pand op het Sint-Veerleplein aangeduid waarin later het Wenemaershospitaal werd gevestigd. Uit de statuten blijkt dat het anderzijds een voortdurend terugkerend probleem was dat leden van het kapittel niet ter plaatse verbleven (hun residentie-verplichting niet nakwamen), zodat men soms zelfs niet wist waar ze wel woonden en er daartoe waarschuwingen voor hen werden uitgehangen aan de kerk.
Het kapittel had ook allerlei leken in dienst, zoals een koster, een kerkbaljuw en zijn helper de roedrager (virgifer), een klokkenluider, een organist, een orgelblazer, een grafdelver, een of meer keldermeesters en later ook een secretaris.
De cotidianecottidianus = dagelijks kon binnen het kapittel beschouwd worden als een suborganisatie die belast was met het in stand houden van een groep zangers voor de vele dagelijkse kerkdiensten.Bouckaert, Bruno (2005): De musici en de muziekcollectie in Sint-Baafs. In: Bouckaert, Bruno (ed.): Musicerende engelen. Bijdragen over het muzikaal erfgoed van de Gentse Sint-Baafskathedraal, middeleeuwen - eind 18e eeuw. Gent: Provinciebestuur Oost-Vlaanderen. p. 53 De koralen en cotidiane waren, net als de kerkfabriek, de broederschappen en de tafel van de Heilige Geest (de armenzorg), zogenaamde members (ledematen) van het kapittel.
Een middeleeuwse schoolstrijd miniatuur|Gent, zicht op het Gravensteen vanuit de richting van de vroegere Sint-Veerlekerk De kapittels speelden vanaf de late middeleeuwen in de Nederlanden een belangrijke rol in het muziekleven. In de gebouwen bij de kerk bevond zich een school onder leiding van de scholasticus (aanvankelijk een van de kanunniken), waar leden van het kapittel les gaven in onder andere Latijn. Ook verbleef er het groepje koorkinderen (koralen of boninfanten, onder leiding van de magister scholarum), waarvoor met name Simon de Mirabello als belangrijke mecenas opviel: naast andere schenkingen kocht hij rond 1340 voor hen een apart huis in de nabijgelegen Burgstraat. Het waren meestal de ouders die een kind zelf voordroegen om er als koraal opgeleid te worden en te verblijven en deze moesten dan ook bepaalde extra's zelf bekostigen.