thumb|Gebouw Algemeene Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente omstreeks 1905 De Algemeene Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente was een in Amsterdam gevestigde verzekeringsmaatschappij, die in 1880 werd opgericht. In 1890 werd het de Nederlandse levensverzekeraar met het hoogste verzekerd bedrag. In 1921 was het bedrijf praktisch failliet. Deze situatie was voor de Nederlandse staat aanleiding tot het indienen van een noodwet om de belangen van de verzekerden enigszins te beschermen. Het instorten van deze grote maatschappij gaf de stoot tot het instellen van staatstoezicht op levensverzekeraars. In december 1922 werd de wet op het Levensverzekeringsbedrijf van kracht en in september 1923 werd de Verzekeringskamer opgericht.
Voorgeschiedenis Op 12 april 1880 werd door de Hoge Raad bepaald dat de koninklijke besluiten uit 1830, 1833 en 1840, waarin Nederlandse verzekeringsmaatschappijen onder ongunstiger voorwaarden moesten werken dan buitenlandse, niet rechtsgeldig waren. Het ging met name over de sterftetafels waaraan de Nederlandse bedrijven gebonden waren. De Algemeene Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente betrad bij de oprichting in Amsterdam op 17 december 1880 dus een verzekeringsmarkt met een gelijk speelveld.Nederlandsche Staatscourant 06-01-1881 Er was wel behoefte aan een zeker staatstoezicht, maar dan voor alle maatschappijen gelijk. Vanaf 1883 werd er gewerkt aan een wetsontwerp, waarin dat toezicht werd geregeld maar het zou bijna 40 jaar duren voordat zo'n wet werd ingevoerd. Het bedrijf ging in 1881 van start door meteen het Onderling Levensverzekerings-Genootschap over te nemen.Opregte Haarlemsche Courant 13-08-1874 Dit Genootschap, opgericht in september 1872Nieuws van den dag: kleine courant 03-10-1872, was gevestigd in Amsterdam in een pand aan de Leidsche gracht, later aan het Spui 12. Commissarissen waren dr. J. van Geuns, hoogleraar geneeskunde en mr. M. C. van Hall, advocaat en bankdirecteur.Een commissaris in dit verband heeft zitting in een commissie van toezicht, raad van commissarissen genoemd, die namens de aandeelhouders de directie van de onderneming adviseert en controleert. De directeuren L. A. Bruyn en A. Reydon waren assuradeur en E. W. Scott was de actuaris. Het genootschap bood ‘verzekeringen op het leven’ aan in de vorm van kapitaal of lijfrente. Winsten kwamen ten goede aan de deelnemers, in de vorm van een lagere premie of een hoger verzekerd bedrag. In 1874 werd het aantal commissarissen met drie uitgebreid, waaronder dr. S. R. J. van Schevichaven, leraar wis- en natuurkunde.
Kort voor de overname door de Algemeene verhuisde het bedrijf naar Heerengracht 378, wat meteen het adres werd van de Algemeene. De drie bestuurders van het Onderling Levensverzekerings-Genootschap gingen mee naar de Algemeene: de directeuren Van Schevichaven en Scott en de administrateur J. F. L. Blankenberg, die tot onderdirecteur werd benoemd. In de Raad van Commissarissen van tien personen kwam geen van de commissarissen van het Onderling Levensverzekerings-Genootschap terug.Opregte Haarlemsche Courant 11-4-1881
thumb|De Willemskade langs de Kali Mas Soerabaja omstreeks 1880
Doelstellingen De Algemeene ging verzekeringen van kapitalen en lijfrenten sluiten met als grondslag ‘de kansen van het menselijk leven’. Daarbij maakte men onderscheid tussen de ‘gewone levens- en sterftekansen’ en de ‘bijzondere kansen’ van zeelieden en militairen, die een groter risico liepen op overlijden. De Algemeene wilde zo snel mogelijk de grootste Nederlandse verzekeringsmaatschappij worden om zo de concurrentie met buitenlandse maatschappijen aan te gaan, die in 1880 nog het grootste deel van de Nederlandse verzekeringsmarkt in handen hadden. Men wilde op twee manieren de grootste worden: door andere verzekeringsbedrijven over te nemen die 'passen bij de eigen doelstellingen' en door bijkantoren en agentschappen te vestigen in binnen- en buitenland. Er werden in zoveel mogelijk Nederlandse gemeenten agenten geworven en er werd een groot aantal inspecteurs aangesteld.Met inspecteur wordt hier bedoeld een vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij, die de agenten ondersteunt en stimuleert.
Het overnemen van kleine Nederlandse maatschappijen kwam niet van de grond, maar het stichten van bijkantoren buiten Nederland ging in een hoog tempo: in 1881 Brussel en Hamburg, in 1882 Soerabaja (Indonesië/Nederlands-Indië), 1883 Luxemburg, 1884 Frankrijk en Oostenrijk, 1888 Zuid-Afrika en in 1890 Hongarije. De Algemeene had in 1890 het hoogste verzekerd bedrag van alle Nederlandse maatschappijen, waarvan de helft afkomstig was uit buitenlandse bijkantoren. In 1899 stichtte de Algemeene een Russische dochteronderneming in Sint-Petersburg.
Bedrijfsvoering Nederlandse verzekeraars maakten in de 19e eeuw nauwelijks reclame, buitenlandse maatschappijen deden dat wel. Om snel te kunnen groeien, ging de Algemeene volop gebruikmaken van reclame. Er werd in landelijke en regionale kranten geadverteerd en op de gebouwen van het hoofdkantoor en de bijkantoren prijkten opvallende reclameteksten. Agenten kregen elke week een zogenoemd Blaadje toegestuurd met voor hen relevante informatie. Zo nu en dan werden daarin ook stukjes opgenomen over de historische ontwikkeling van de levensverzekering en over de mensen die daarin een belangrijke rol hadden gespeeld. In 1897 gaf de Algemeene een boek uit onder de naam Bouwstoffen voor de geschiedenis van de Levensverzekeringen en Lijfrenten in Nederland. In het algemeen moest het publiek nog worden overtuigd van het belang van levensverzekeringen en lijfrentes. De vertegenwoordigers van de Algemeene kregen geregeld een brochure met ‘aanwijzingen en raadgevingen’. Zo werden ze o.a. aangespoord ‘de mensen zelf op te zoeken, hun geweten wakker te schudden en hen met volhardende overtuigingskracht tot een besluit te brengen’.
Een snelgroeiende levensverzekeringsmaatschappij moet veel reserveren voor toekomstige uitkeringen en dat werkt belemmerend op de expansiemogelijkheden. Omdat de Algemeene beslist wilde blijven uitbreiden, gebruikte het riskante boekhoudkundige en actuariële methoden om daarvoor voldoende kapitaal beschikbaar te houden. De actuaris Corneille L. Landré ging daarin mee en de wiskundige commissaris prof. Van Geer verdedigde dit beleid.De voorganger van Landré was Martinus Gerardus Snoer, vanaf het begin wiskundig adviseur van de Algemeene. Hij was daarnaast ook directeur van de Levensverzekering Maatschappij van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap. Hij overleed in 1895. De opvolger van de in 1905 overleden Landré, de Engelse actuaris T.R. Chandler, vertrok al na enkele maanden, o.a. omdat hij de actuariële reserve te laag vond. Van Geer hield vol dat de reserve voldoende was. De nieuwe actuaris dr. A. van Eldik kreeg voor elkaar dat de actuariële reserve eind 1906 werd verhoogd, weliswaar nog niet tot het door hem berekende noodzakelijke niveau, maar hij ging akkoord onder de voorwaarde dat binnen een zo kort mogelijke tijd de reserve op de hoogte zou komen die hij had aangegeven.
Aan die voorwaarde werd nooit voldaan. Commissarissen die zich afvroegen of de reserve echt voldoende was, werden gerustgesteld door de president-commissaris en de wiskundig commissaris. Dat de grondslagen die werden gebruikt voor de berekeningen geen enkele veiligheidsmarge hadden, werd door hen niet als een probleem gevoeld. De actuaris had niet het laatste woord over de hoogte van de actuariële reserve. De directie bepaalde uiteindelijk het bedrag, waarbij volgens directeur Scott de uitkomst niet in strijd mocht zijn met commerciële belangen van het bedrijf. Het belangrijkste commercieel belang was het op peil houden van de productie en men vreesde dat die zou teruglopen als de jaarlijkse winstuitkering uit zou blijven. En dus werd ook in jaren met verlies toch winst uitgekeerd en boekhoudkundig werd dat rechtgebreid door de reserves te verlagen.
Resultaten bijkantoren thumb|Reclameplaat met de bijkantoren, getekend door H.P. Berlage omstreeks 1897 Vanaf het begin stond vast dat er een bijkantoor in Nederlands-Indië zou worden gevestigd. Onderdirecteur Blankenberg ging daar in de loop van 1881 heen en in augustus 1882 werd het bijkantoor in Soerabaja geopend. De hoofdagent en zijn plaatsvervanger waren door Blankenberg opgeleid en voorbereid. Er werden meteen 30 agenten aangesteld.De Locomotief: Samarangsch handels- en advertentieblad 21-08-1882 Men gebruikte de Nederlandse tarieven, verhoogd met een extra premie voor het tropenrisico. Na zijn terugkeer in Nederland werd Blankenberg bevorderd tot directeur. De productie in Nederlands-Indië was winstgevend. Het bijkantoor in Hamburg breidde zijn activiteiten na 1893 uit over andere Duitse staten en er was een tweede bijkantoor nodig in Leipzig. In 1906 stond de Algemeene voor de keuze: voldoen aan strenge Duitse wetgeving of stoppen. De productie was niet meer rendabel, het bijkantoor in Hamburg was al in 1896 gesloten. Men besloot tot stoppen en afwikkelen van de bestaande portefeuille. In Frankrijk werden slechte resultaten geboekt en het management daar kreeg de zaak niet op orde. Toch bleef men in Amsterdam hopen op verbetering die niet kwam. In 1905 werd in Frankrijk een wet van kracht die regelde dat de premiereserve bij de overheid moest worden gedeponeerd. Men besloot te stoppen. De afwikkeling van de bestaande portefeuille bleek een kostbare zaak. De resultaten in België en Luxemburg vielen aanvankelijk tegen, later ging het beter maar ze bleven marginaal. In Oostenrijk werd een maatschappij van volksverzekeringen overgenomen, maar de resultaten waren onbevredigend. Hetzelfde gold voor Hongarije. Het bijkantoor in Zuid-Afrika stelde niet veel voor en in 1910 werd de productie gestaakt.Sleutelaar pp. 8-12
Russische dochteronderneming In 1899 richtte de Algemeene een zelfstandige levensverzekeringmaatschappij op in St. Petersburg onder de naam Generalnoie. Een jaar eerder was men in contact gekomen met de Rus Alexander Wolff, die belangstelling toonde voor samenwerking met de Algemeene. In eerste instantie dacht men aan de oprichting van een bijkantoor. Volgens Wolff was de Russische regering daartegen en zo werd het een zelfstandige dochteronderneming. Wolff stelde zonder overleg in 1902 een Russische generaal-agent aan over vijf districten en de afgesproken provisieregeling betekende dat 95% van de eerste jaarpremie daaraan besteed moest worden. Over de volgende jaarpremies werd 7% provisie gerekend. Er waren al snel ruim 2000 agenten aangesteld, wat men in Amsterdam veel te veel vond. De Russische regering eiste een hogere actuariële reserve dan in Nederland.
Intussen had Wolff achttien bijkantoren opgericht en de snelle groei bracht hoge acquisitiekosten mee wat zou leiden tot een groot tekort op de balans. De Russische regering eiste dat aandeelhouders het tekort zouden aanzuiveren en de Algemeene was de enige aandeelhouder. In de jaren daarna bleven de tekorten en bleef de Algemeene aanzuiveren. In 1907 had men het vertrouwen in Wolff verloren, maar directeur Scott en commissaris Van Geer meenden dat in de Russische portefeuille voldoende waarde zat om met de dochteronderneming door te gaan. Directeur Blankenberg reisde naar St. Petersburg en benoemde daar een nieuwe directie bestaande uit hemzelf en twee andere Nederlanders. Onder druk van de Russische regering nam een Rus de plaats van Blankenberg in.Sleutelaar pp. 12-17 en 38-41
Berlage als huisarchitect