Hendrik Janssen, ook wel Hendrik Jansz. (Groningen, ca. 1573 – ?, na 1620) was een koopman in dienst van de VOC. Hij leidde in de beginjaren van de VOC het kantoor in Pattani in Maleisië en het kantoor in Ayutthaya in Siam.

De factorij in Pattani miniatuur|Maleisië (met Pattani onderin net niet zichtbaar), Siam, Cambodja, Tsjompa en Cochinchina. Behalve dat hij uit Groningen kwam, wat een uitzondering was tussen de Hollanders en Zeeuwen in de VOC, is over Hendrik Janssens jeugd niets bekend. Hij vertrok rond 1598 naar Indië, vermoedelijk met wat de tweede schipvaart wordt genoemd. Deze was uitgereed door de Oude Compagnie, een van de voorcompagnieën, en stond onder leiding van Jacob van Neck. In 1601 of 1602 was Janssen in Pattani, een vazalstaat van Siam. Hier had Van Neck in november 1601 een verbond gesloten met de koningin van Pattani, Ratoe HijauOok wel Raja Ijau (Groene Koningin). De eerste koningin van Patani, die eind 16e eeuw na dynastieke strubbelingen aan de macht kwam en een vrouwelijke dynastie vestigde die voortduurde tot het begin van de 18e eeuw., om een 'huys' te mogen bouwen en handel te drijven. Er kon peper worden ingekocht, maar ook 'costelycke cleetgens' die in de Molukken en Banda geruild konden worden tegen kruidnagels en foelie. Ook 'schoon coperwerc van veelderley fatsoen' zoals gongen en bekkens, waar op de eilanden Timor en Solor vraag naar was, maar vooral ook zijde ('de proffytelyckste coopmanschap, die in Indien gedaen wordt') en porselein die werd aangeboden door jonken uit China. In China zelf was handel voor buitenlanders verboden. Ook sappanhout (Biancaea sappan) en herten- en roggenvellen uit Siam waren er te koop. In 1602 waren er daarom al drie concurrerende Nederlandse factorijen gevestigd,Een Zeeuwse factorij gesticht door Gerard le Roy, een factorij van de Oude Compagnie gesticht door Jacob van Neck, en nog een gesticht door Jacob van Heemskerck voor de Verenigde Amsterdamse Compagnie, ondanks dat de Oude Compagnie daar inmiddels in was opgegaan. en toen na oprichting van de VOC Steven van der Hagen in 1603 met een vloot naar Indië zeilde was een van zijn opdrachten het vestigen van twee hoofdzetels in Azië, de ene in Bantam en de andere in Pattani. In 1604 werd daar de eerste factorij van de VOC gesticht, die op den duur ook de handel van Bantam naar zich toe zou moeten trekken. Janssen maakte al deze ontwikkelingen mee en maakte carrière. Toen in augustus 1607 het opperhoofd Michielsz.Ferdinand Michielsz was opperkoopman op de vloot van Wybrand van Warwijck die in 1602 uit Nederland vertrok. In 1604 werd hij door Van Warwijck in Pattani geplaatst als opperhoofd. Er werd toen handel gedreven met Siam en de eerste contacten met Borneo werden gelegd. Michielsz ving in december 1605 Jacob Quaeckernaeck en Melchior van Santvoort van het schip de Liefde op, toen zij per jonk vanuit Japan arriveerden. Michielsz stierf in Pattani op 4 augustus 1607 aan de 'rode loop' (dysenterie). overleed was hij als onderkoopman diens voorlopige plaatsvervanger, totdat de ervaren Victor SprinckelVictor Sprinckel was opperkoopman op het schip Mauritius van de vloot van Cornelis Matelief de Jonge die in mei 1605 naar Indië voer. Hij zou opperhoofd van een in China te stichten factorij worden. Toen dat mislukte zette Matelief hem in november 1608 af in Pattani. Hier volgde hij de gestorven Ferdinand Michielsz op als opperhoofd. In 1611 trad hij uit dienst uit teleurstelling over het gebrek aan steun vanuit Bantam en de Republiek. ('soo dat mij den dienst gans verdriet'). het in november overnam. In oktober had Janssen onder meer het gezantschap van de koning van Siam (Ekathotsarot, of ook wel Sanphet III) ontvangen. Dit gezantschap was onder begeleiding van Cornelis Specx onderweg naar de Republiek voor een bezoek aan de stadhouder Maurits, die in de beginperiode van de VOC aan Aziatische vorsten vaak werd voorgesteld als de koning van Nederland (onsen Coninck). Dat werd ook gedaan door Sprinckel in een brief aan de shogun Tokugawa Ieyasu, die werd meegegeven aan Melchior van Santvoort die na een bezoek aan Pattani terugging naar Japan.

In 1609 arriveerden twee schepen van de vloot van Pieter Verhoeff, de Rode Leeuw met Pijlen en de Griffioen, die op weg waren naar Japan met een brief van Maurits zelf. De schepen, de eerste expeditie naar Japan sinds de Liefde, met aan boord onder andere Jacques Specx, hadden nauwelijks koopwaar bij zich en kregen daarom in Pattani wat ruwe zijde, lood en peper aan boord om 'enigen schyn, van dat wy daer begeerden te handelen ende een comptoir te stichten' te laten blijken. Het resultaat van het door Van Santvoort bemiddelde bezoek van twee ambassadeursDe kooplieden Nicolaes Puyck en Abraham van den Broeck. aan het hof van de shogun was de stichting van de VOC-factorij in Hirado.

Ondanks het oorspronkelijke plan kwam in de loop der jaren het zwaartepunt van de VOC-handel niet in Pattani maar in Bantam te liggen. Toen eerst Janssen en daarna ook Sprinckel in 1610 wilden repatriëren vanwege de achteruitgang van de handel werd Janssen op 1 januari 1611 tot koopman en opvolger van Sprinckel benoemd. Hoewel hij toen al in Bantam was werd hij daartoe overgehaald door Pieter Both, die als eerste gouverneur-generaal uit de Republiek overkwam met te weinig ervaren kooplieden. Hij moest 'alsulcke, die men daer toe can verwilligen' blijven gebruiken. Janssen keerde dat jaar dus toch weer terug naar Pattani.

Opperhoofd miniatuur|Optocht van de koningin van Pattani in 1602, met 4000 soldaten en 156 versierde olifanten. Als opperhoofd van Pattani sloot Janssen een contract met de radja van Ligor om daar en in het kleinere Sangora tolvrij handel te kunnen drijven met de Chinezen, die Pattani begonnen te mijden vanwege knevelarij door het hof. Wel moest hij zelf meerdere malen met koningin Hijau kostbare5 procent rente bij terugbetaling na een maand, 6% na 3 maanden, 10% na een jaar. leningen afsluiten om de Chinese waar te kunnen blijven kopen. Vanuit Bantam werd te weinig contant geld gestuurd, terwijl vooral met de Chinese zijde in Japan veel geld verdiend kon worden. Ook de roggenvellen brachten veel op, met een inkoopprijs van rond de 3 gulden en een verkoopprijs van ruim 100. Directe handel tussen China en Japan was door de Ming-autoriteiten verboden. Ook kreeg Janssen concurrentie van de Engelse EIC, die met haar schip de Globe onder leiding van de voormalige VOC-kooplieden Pieter Willemsz (Peter Floris) en Lucas Antheunisz in juli 1612 in Pattani arriveerde om daar en in Siam factorijen te stichten. Men wilde er katoenen stoffen uit India verkopen. Ondanks dat Janssen zoals velen een hekel had aan de Engelsen, die altijd zaken probeerden te doen onder dekking van de Nederlanders, bood hij ze onderdak aan, misschien al in de nieuwe brandveilige loge die hij dat jaar in Pattani liet bouwen. Ook in Sangora liet hij 'een cleijn huysken' bouwen 'van cleynnen prijs'. Eveneens in juli 1612 zond hij het schip de Hazewind vol met zijde en andere stoffen ter waarde van 26.000 gulden naar Hirado, waar Jacques Specx al tijden klaagde dat de verwachting van de Japanners niet werd waargemaakt door het achterwege blijven van 'cargasoenen' (handelswaar en contanten).

Na afloop van zijn dienstverband in december 1613 in Bantam aangekomen werd Janssen door Pieter Both wederom overgehaald naar Pattani terug te gaan, nu als opperkoopman en lid van de Raad van Indië. Zijn opvolger Abraham van den BroeckAbraham van den Broeck was koopman op de vloot van Cornelis Matelieff uit 1605. Hij volgde onderweg Jacques l'Hermite op als Mateliefs secretaris en bezocht met hem China. Deze plaatste hem in 1607 in Johor in het zuiden van Maleisië om daar opperhoofd van de nieuwe factorij te worden. In 1609 was hij koopman op het schip Griffioen van de vloot van Pieter Verhoeff, dat samen met de Rode Leeuw met Pijlen naar Japan werd gezonden. Hier werd hij door de scheepsraad verkozen om samen met Nicolaes Puyck met een brief van stadhouder Maurits naar de shogun Tokugawa Ieyasu te gaan. In augustus verschenen zij in zijn kasteel te Sunpu en verkregen een handelsvergunning voor de VOC. In februari 1612 werd Van den Broeck in Bantam veroordeeld wegens doodslag maar kreeg gratie. Hij was daarna in Boeton, Makassar en in Ambon, waarna hij door Pieter Both benoemd werd tot opperhoofd van Pattani. Hij was dat van juli 1613 tot mei 1614, toen hij teruggeroepen werd wegens wanbestuur en wat Both 'superbia' (hoogmoed) noemde. Op last van de Heren XVII werd hij in maart 1616 teruggestuurd naar de Republiek. had zich namelijk misdragen, en Janssen, 'aldaer wonder bemindt, bekent ende ervaren', liet zich 'naer veel weijgeringhe' opnieuw voor drie jaar aannemen. Hij kreeg ook de leiding over de kantoren in Siam, Ligor en Sangora. De handel daar bleef echter tegenvallen. Janssen deed zijn best dat ten goede te keren. Hij bouwde voort op de eerste contacten met Borneo en knoopte handelsbetrekkingen aan met Cambodja en Cochin China (het huidige Vietnam), weer vooral om Chinese artikelen te bemachtigen, maar er rezen in Bantam en bij de Heren XVII steeds meer twijfels over het nut van Pattani als leverancier of tussenstop voor de handel op China en Japan. De Chinese jonken kwamen ook naar Siam en inmiddels ook naar Bantam. Nog beter zou het natuurlijk zijn om in China zelf, of in ieder geval 'naeder by de wercken' een kantoor te hebben. In 1622 zou dat gebeuren op de Pescadores (Penghu-eilanden), en daarna op Formosa. Toen de directeur-generaal Jan Pieterszoon Coen plannen maakte om Pattani en andere kantoren in de regio op te heffen vroeg Janssen in oktober 1616 om ontslag bij de VOC om na een 19-jarige dienst terug te keren naar Nederland. Dat ontslag werd hem in april 1617 verleend.Als vervanger werd Gerrit Frederiksz. Druyff aangesteld, geassisteerd door onderkoopman Jan van Hasel. Door een ziekte belemmerd vertrok hij pas in oktober 1618 naar het nieuwe VOC-hoofdkantoor in Jacatra, op het schip de Zwarte Leeuw.

De Zwarte Leeuw en de stichting van Batavia miniatuur|Jacatra.|280x280px