thumb|Schematische weergave van intrusielichamen in een gebied waar vulkanisme plaatsvindt. A = batholiet (nog niet gestold: een magmakamer); B = gang; C = laccoliet; D = pegmatiet; E = plaat; F = stratovulkaan. Processen in de afbeelding: 1 = jongere intrusie snijdt door een oudere heen; 2 = xenoliet of roof pendant in een magmakamer; 3 = contactmetamorfose; 4 = aardoppervlak wordt opgeheven als gevolg van het ontstaan van een laccoliet. Intrusie, magmatisme of plutonisme is in de geologie het proces waarbij een magmalichaam in de ondergrond binnendringt. Zulke magmalichamen worden intrusies genoemd, ook nadat het magma gestold is en dieptegesteente is geworden. Wanneer een intrusie in vast gesteente binnendringt ("intrudeert") worden aanwezige oudere structuren in het gesteente door de intrusie doorsneden. Als magma tot aan het aardoppervlak doordringt spreekt men niet meer over magmatisme maar over vulkanisme. Het meeste magma stolt echter voordat het het oppervlak bereikt. Intrusies kunnen in verschillende vormen voorkomen, zoals batholieten, gangen, platen of laccolieten. Vanwege de relatief grote competentie van dieptegesteente gaat erosie relatief langzaam. Daarom vormen intrusielichamen vaak verhogingen in het landschap, zoals plateaus of bergmassieven. De aardkorst, met name het onderste deel, bestaat voor een groot deel uit (gestolde) intrusies.
Soorten intrusies thumb|Verschillende generaties gangen, waarbij de horizontale gang doorsneden wordt door de diagonale. Locatie: Gunnison National Park, Colorado (VS) thumb|Mount Moran en een intrusie - 1300 Ma oud - centraal in de berg - Tetongebergte, VS
Intrusies kunnen in zeer veel verschillende vormen en groottes voorkomen. De vorm van een intrusie is niet altijd gemakkelijk te bepalen omdat het gestolde lichaam aan het oppervlak gedeeltelijk door erosie verdwenen is, of omdat onduidelijk is hoe de intrusie onder het oppervlak precies doorloopt. Door middel van seismiek kan de vorm van een intrusie onder een vulkaan soms echter globaal in kaart gebracht worden.
Diepere intrusies heten plutonen. De grootste intrusieve lichamen worden batholieten genoemd. Plutonen en batholieten waren ooit grote magmakamers in de diepere delen van de aardkorst, die door opheffing en erosie aan het oppervlak zijn komen te liggen. Wanneer het totale oppervlak dat een intrusielichaam minder dan 100 km² is, spreekt men niet meer van een batholiet maar van een intrusiekern. Batholieten vormen vaak groepen. Die groepen liggen bijvoorbeeld langs de as van een gebergte of andere grote tektonische structuur, of in een lijn waarlangs een plaat over een hotspot is geschoven.
Gangen en platen zijn intrusies met een geringe dikte vergeleken met hun laterale afmetingen, het zijn planair lichamen. Ze kunnen dikten hebben van enkele millimeters tot honderden meters. De grootst bekende gangen strekken zich uit over honderden kilometers. Platen verschillen van gangen in hun oriëntatie: platen liggen meestal horizontaal of bijna horizontaal terwijl gangen een hoek met het oppervlak maken. Gangen vormen de vlakken waarlangs het magma zijn weg naar boven door de korst baant. Vaak komen ze voor in groepen, die gangencomplexen genoemd worden. Een actieve gang kan magma naar een vulkaan aan de oppervlakte brengen, of een ondiep magmareservoir voeden. Gangen komen soms voor in groepen, die samen een groot volume kunnen innemen. De dikte van een plaat is vergeleken met de lengte vaak groter dan die van een gang. Een laccoliet ligt net als een plaat meestal horizontaal, maar heeft een relatief grotere dikte. Het verschil in vorm ontstaat doordat het magma in een laccoliet stroperiger is en minder ver uitstroomt.Voor een overzicht over verschillende vormen van intrusies zie Tarbuck & Lutgens (1999), pp 106-110; Press et al. (2003), pp 100-104
Vorm en grootte De meeste grotere intrusies zijn niet in een keer ontstaan maar groeiden gedurende lange tijd. Vaak waren er verschillende fasen van magmatoevoer en -afvoer. Hoe snel magma toegevoerd kon worden hangt af van de productie van magma en de ontwikkeling van de grootte en aard van toevoerkanalen naar de intrusie.
Een intrusie kan parallel aan een bestaande structuur binnendringen, zoals een breuk, splijting of gelaagdheid. Dichter bij het oppervlak is gesteente bros en splijt het sneller. Op geringe diepte komen daarom meer conforme intrusies voor. De conforme aard van een intrusie is altijd een lokaal verschijnsel. Om een intrusie te vormen moet het magma ergens bestaande structuren doorsnijden. Op zulke plekken is de intrusie nonconform.Philpotts & Ague (2022)
Bij de intrusie van magma moet het gesteente waarin het intrudeert verplaatst worden. Nabij het oppervlak kan dit gebeuren door dat het gesteente omhoog gedrukt wordt. Daarbij vindt aan het oppervlak opheffing plaats. Op grotere diepte kan gesteente echter niet verplaatst worden om ruimte voor magma te maken. Hoewel de hitte van het magma het gesteente lokaal plastisch kan maken waardoor het weg kan stromen, is dit onvoldoende om de intrusie te verklaren.
Het afbrokkelen van blokken gesteente, die dan naar de bodem van het magmareservoir zinken is een mogelijk proces waarmee magma omhoog beweegt. Veel grote intrusies die op geringe diepte ontstonden bevatten bewijs voor dit proces. Langs de randen van veel grote intrusies komt stollingsbreccie voor, gesteente dat verbrokkeld is. Het magma is in de openingen tussen de brokken geïntrudeerd. Verder bevatten intrusies soms brokken van omringend gesteente die worden omringd door gestold magma.
Soorten magma
De samenstelling van magma kan bestudeerd worden op plekken waar het als lava aan het oppervlak komt. Makkelijker en directer is het om oude, gestolde intrusies die door erosie aan het oppervlak zijn komen te liggen te analyseren. Vooral op de continenten zijn vaak vele voorbeelden van zulke lichamen voorhanden.
Intrusies bestaan, wanneer ze zijn afgekoeld en gestold, uit intrusief gesteente (ook wel magmatisch gesteente of dieptegesteente genoemd). Dieptegesteente bestaat uit kristallen, die bij het stollen van het magma zijn gegroeid. Dit type gesteente vormt het overgrote deel van de aardkorstPress et al. (2003), p 89 (maar niet het grootste deel van het oppervlak). Het bekendste dieptegesteente is waarschijnlijk graniet, dat voornamelijk op continenten voorkomt.
Er zijn een groot aantal verschillende typen dieptegesteente, maar verreweg de meeste bevatten aanzienlijke hoeveelheden silica (SiO2). De hoeveelheid silica in een dieptegesteente is onder andere van invloed op de kleur en dichtheid. Gesteenten met relatief veel silica (tot 80% van het gewicht) worden felsisch genoemd en hebben een relatief lage dichtheid en een lichte kleur, zoals graniet. Gesteenten met relatief weinig silica (dat wil zeggen: minder dan 55% van het gewicht) worden mafisch genoemd, hebben een relatief hoge dichtheid en een donkere kleur, zoals gabbro. Daartussenin zitten intermediaire gesteenten, zoals dioriet. Gesteenten met minder dan minder dan 45% silica worden ultramafisch genoemd en zijn relatief zeldzaam.Zie voor beschrijvingen van de begrippen felsisch en mafisch Press et al. (2003), pp 91-95; Tarbuck & Lutgens (1999), pp 69-76; Winter (2001), pp 17-18 Er zijn slechts een paar zeer zeldzame uitzonderingen die nauwelijks silica bevatten, zoals carbonatiet, een dieptegesteente dat voornamelijk uit carbonaten (CO32−) bestaat.Schmincke (2004), p 22
Categorie:Structurele geologie Categorie:Petrologie