De ambassade van de Staten-Generaal naar Perzië in 1628-1630 werd ondernomen vanuit Batavia door Jan Jansz. Smidt, opperkoopman bij de VOC. Smidt verbleef vanaf mei 1629 ruim zes maanden in Isfahan, en had aan het hof meerdere ontmoetingen met sjah Sefi. Hij schreef hierover een verslag voor de Raad van Indië.
De aanleiding miniatuur|17e-eeuwse kaart van het gebied rond de Perzische Golf. De ambassade was een tegenbezoek voor het gezantschap van sjah Abbas I naar de Republiek. Sjah Abbas had gehoopt op steun van de Republiek in zijn strijd tegen de Ottomaanse Turken. Zijn ambassadeur, Moussa Beg, was door de VOC naar Den Haag vervoerd en had daar een grootse ontvangst gekregen door stadhouder Frederik Hendrik, maar de Staten-Generaal hadden een alliantie met de Ottomanen en wilden die liever te vriend houden. Wel wilde men de Perzen assistentie verlenen tegen de Spanjaarden en de Portugezen. Verder waren de 'absurde ende onbetamelycke manieren van den ambassadeur Moussabeeck soo excessijff geweest' dat het bezoek geen succes was. De kosten van de ontvangst, 100.000 gulden, werden doorberekend aan de VOC, die daar niet blij mee was.De Heren XVII: 'Het defroyement ende tractement, twelck den ambassadeur Moussabeeck ter eeren van de Conincklycke Mayesteyt van Parsia in Nederlandt aengedaen is, heeft niet min dan 100.000 gulden gecost, daertegen sijn de personele comportementen, absurde ende onbetamelycke manieren van den ambassadeur Moussabeeck soo excessijff geweest, dat sulx een groot affkeer gebaert heeft ende niemandt in ons landt meer aengenaem wesen soude Persiaensche ambassadeurs te sien. De sone van des Conings coopman heeft hem oock niet wel gecomporteert.'
De beleefdheid vereiste een tegenbezoek, dus de Staten-Generaal schreven twee credentiebrieven aan de sjah, een namens henzelf en een namens Frederik Hendrik. Men liet het over aan de gouverneur-generaal van de VOC Jan Pieterszoon Coen in Batavia om een ambassadeur aan te stellen. Op 14 juli 1628 benoemde Coen de pas uit Nederland gearriveerde Jan Smidt.
Over Smidt (ook wel Smith) is verder weinig bekend. Pieter van Dam noemt hem als iemand die in Nederland gefailleerd was maar bij uitzondering door de VOC-Kamer Amsterdam was aangenomen als opperkoopman. Smidt kreeg instructie om geen overeenkomsten aan te gaan in Perzië, maar alleen te bemiddelen in conflicten tussen Nederlandse en Perzische kooplieden. In Perzië waren in 1623 in Gamron en Isfahan VOC-factorijen gesticht door de opperkoopman Huibert Visnich. De Compagnie kocht er zijde bij een agent van de sjah, de koopman Moelaym Beg, voor een prijs die boven de marktwaarde lag, maar met vrijstelling van tol- en belastingheffing. De verkoop van specerijen, met name peper, op de lokale markt leverde een deel van de contanten op waarmee de zijde betaald werd. De rest moest van de Heren XVII in de Republiek komen.
De reis links|miniatuur|De vier schepen bij Hormuz in 1629. Smidt vertrok op 26 juli uit Batavia met een vloot van 4 schepen (de Utrecht, Gulden Zeepaard, Brouwershaven en Negapatnam) onder bevel van Jan van Hasel en deed op 12 oktober eerst Suratte aan, aan de noordwestkust van India. Van Hasel verving daar Pieter van den Broecke als directeur van de factorij. Geld en goederen werden er afgeleverd, en goederen voor Perzië en Perzische kooplieden werden aan boord genomen. Onder hen was de terugkerende ambassadeur van sjah Abbas, Moussa Beg, die in Batavia uit ongeduld met een schip naar de Coromandelkust was meegegaan om van daar over land naar zijn thuisland te reizen. Hij kwam na een moeilijke reis op 10 december in Suratte aan, en kon toen alsnog mee met de schepen naar Perzië. Die vertrokken onder leiding van Van den Broecke samen met enkele Engelse schepen op 5 januari uit Suratte en kwamen na een voorspoedige reis over de Arabische Zee op 5 februari aan bij de ingang van de Perzische Golf. miniatuur|Kaart van Perzië ca. 1606. Vlak voor de kust bevond zich Hormuz. De beroemde handelsstad was volledig verwoest door de Perzen na de verovering op de Portugezen met hulp van de Engelsen in 1622. Het fort was nog wel bemand, en werd zo eens per jaar van drinkwater voorzien als de VOC-schepen er waren om bescherming te bieden tegen kruisende Portugese fregatten. De sultan van het fort begroette de Nederlandse schepen met saluutschoten, en werd daarop door Smidt vereerd met een 'cleyn present'. Overgestoken naar Gamron op het vasteland werden Smidt en de zijnen vriendelijk ontvangen door de plaatselijke sultan en door Nederlandse en Engelse kooplieden. Vervolgens werden ze naar hun logement gebracht.
Op 21 februari kreeg Smidt het bericht dat sjah Abbas was gestorven. Dit was slecht nieuws, omdat verwacht werd dat na de dood van deze despotische leider zowel het hof als het gehele land gedestabiliseerd zouden raken. Bovenal had Visnich een zeer goede relatie met hem gehad. Aangezien Abbas zijn oudste zoon had laten ombrengen, twee andere blind had laten maken, en de vierde een natuurlijke dood was gestorven, werd hij opgevolgd door een zoon van zijn oudste zoon: Sefi, slechts 16 of 17 jaar oud.
Naar Isfahan miniatuur|320x320px|Het grote plein van Isfahan ca. 1714. In de verte de Grote Moskee, rechts het paleis van de sjah. Op 3 maart keerde Van den Broecke met de Nederlandse en Engelse schepen terug naar Suratte. Van den Broecke had 910 balen hoge kwaliteit zijde aan boord die door Visnich met veel moeite van Moelaym Beg waren verkregen.De zijde kwam overigens niet altijd met dezelfde kwaliteit aan in Nederland. De bewindhebbers klaagden soms over vochtschade, die volgens hen door het zweet van kamelen was veroorzaakt. Volgens Visnich was er op weg naar Gamron meer gevaar voor bevriezing dan voor bezweting en was het aannemelijker dat het op zee was gebeurd. In maart 1629 meldden de bewindhebbers: 'Wij hebben in een Persiaensche zydebale bevonden achthien ponden steen. Sulcke ende diergelycke schelmerye can meer gebeuren, soo niet tydelijck daerinne met goede ordre versien en worde'. De 15e ging Smidt op weg naar Isfahan. De tocht leidde door de woestijn en over bergpassen en duurde twee maanden, gebruik makend van nogal sober ingerichte Karavanserais langs de route: 'steenen geboutsels met verscheyden cleyne plaetsen voor een man off twee. Men vindt hier vuur, noch licht, noch yet om op te leggen'. Vaak werd de nacht buiten doorgebracht. Via de steden Lar en Shiraz kwam Smidt op 12 mei aan in Isfahan, waar hij verwelkomd werd door Visnich en andere Nederlandse, Engelse en Armeense kooplieden.Er bevonden zich naast medewerkers van de VOC en de EIC ook particuliere Europese handelaren in Isfahan. Isfahan was in betrekkelijk korte tijd door sjah Abbas ontwikkeld tot zijn hoofdstad, vol pracht en praal. Een stad van 'costelycke paleysen'. Inwoners waren vaak van elders gehaald en naar hun afkomst in verschillende wijken gehuisvest. In Smidts tijd was de stad nog deels in aanbouw.
Aan het hof van de sjah miniatuur|Sjah Sefi. Op 24 mei werden Smidt en zijn gevolgHet gevolg van den ambassadeur bestond uit de kooplieden Marcus Oldenburch (die Perzisch sprak), Hendrick Verbrugge en een assistent, twee adelborsten en enkele 'jongens'. Smidt klaagde in Suratte dat hij hen 'wel wat aensienlycker en ende beter gemaniert wenschte', maar Jan van Hasel rekende op de in Isfahan aanwezige Visnich om Smidt bij te staan. Vanuit Gamron ging nog mee de koopman Wouter de Leeuw. door 200 Perzische ruiters opgehaald om in het koninklijk paleis voor sjah Sefi te verschijnen. Deze zat met een aantal van zijn hovelingen op tapijten in de hoek van een zaaltje met in het midden fonteintjes voor de koelte. Smidt maakte een buiging en kuste symbolisch de handen van de sjah. De overigen kusten de onderkant van zijn gewaad. Smidt overhandigde de brieven van de Staten-Generaal en Frederik Hendrik, en een in het Perzisch gesteld document dat in het kort de redenen van zijn komst uiteenzette. De sjah gaf ze direct door aan zijn secretaris, aangezien de dag verder bedoeld was voor amusement, met muziek en veel wijn. Daarna volgde een uitgebreid banket in een tuin, ook daar gezeten op tapijten. De in het Nederlands geschreven brieven werden later door Visnich nog vertaald in het Perzisch en ook naar het hof gestuurd. links|miniatuur|Privé divan van sjah Sefi. De volgende dag werden geschenken overhandigd, samen met andere ambassadeurs, zoals die van het Mogolrijk en het Ottomaanse rijk. Ook de Engelsen waren present. De geschenken van de Europeanen vielen nogal pover uit. Die van de Indiërs werden gedragen door zo'n 2000 bediendes. Die van de Nederlanders door 62. De uitwisseling van dure geschenken speelde een belangrijke rol in de Aziatische diplomatie, waarmee de relatieve status en machtsverhoudingen tussen staten tot uitdrukking kon worden gebracht. De VOC, een handelsmaatschappij met ook statelijke bevoegdheden, moest aan dit kostbare spel wel meedoen om handelsrechten te verwerven en te behouden. Van de VOC werden vanwege haar wijdverbreide handelsnetwerk vooral exotische geschenken uit verre oorden verwacht, waarmee aan een hof goede sier gemaakt kon worden.
Op 2 juni bezocht men nog de hertog van Shiraz, Emam Couly (Imam Quli Khan), die ook in Isfahan was, en de 'principale patron' was van de Europeanen. De 10e bezocht men de hofgrote Mameet Alibeeck (Mohamed Ali Beg), ook een vriend van de Compagnie, maar deze bleek niet in de gratie bij de nieuwe sjah te zijn. Hij werd voor drie jaar op eigen kosten als ambassadeur naar het Mogolrijk van sjah Jahan gestuurd. Onderweg zagen Smidt en zijn metgezellen een honderdtal met stro gevulde hoofden op staken voor het hof staan, als teken van overwinning op de opstandige provincie Gilan in het noorden. Op de 15e volgde nogmaals een banket, ditmaal opgeluisterd met worstelaars en goochelaars, waarbij door sjah Sefi en zijn entourage weer stevig gedronken werd. Hier waren de Nederlanders getuige van de executie van de koning van Gilan, door hem met een haak door zijn kin aan een mast omhoog te hijsen en af en toe pijlen op hem af te schieten.
Smidt had instructie gekregen om met de hofkoopman Moelaym Beg een nieuw 3 of 6-jarig contract af te sluiten. Dit werd bemoeilijkt doordat de Compagnie vanwege geldtekort recent niet in staat geweest was de volgens het vorige contract afgesproken hoeveelheid zijde af te nemen. In plaats van de ontbrekende contanten werd peper aangeboden. Huibert Visnich was door Coen eerder al gevraagd deze kwestie glad te strijken met behulp van geschenken en het contract te hernieuwen. Sjah Sefi had echter geen zin zich met de zijdehandel bezig te houden en liet het aan Moelaym Beg over om zijde te leveren. Het monopolie van het hof op de zijdehandel werd hiermee feitelijk opgegeven. Visnich en Smidt kwamen nu in elkaars vaarwater, en in plaats van samen te werken kregen ze ruzie. Beiden klaagden in brieven aan Batavia dat de ander hem tegenwerkte. Volgens Smidt was het Visnich 'niet genoech, dat hy in de tijt van ses jaeren wel 200 duysent guldens hadde verovert en vergaedert' en frustreerde hij Smidts pogingen de 'onversoenlycke haet die Visnich en Moelambeeck malcanderen lange tijdt gedraegen hebben' ten goede te keren, vanwege zijn 'extreme gierijcheyt en ambitie'.Op een bijeenkomst op 9 juli bij Moelaym Beg met Nederlandse, Armeense en Engelse kooplieden kreeg Visnich volgens Smidt tijdens de maaltijd ruzie met de president van de Engelse factorij, William Burt, waarop hij, 'sijn mes begonde te trecken' door de Perzen 'qualijck getracteert' werd, zodat Smidt hem moest ontzetten. Visnich ontkende dat de ruzie zijn schuld was. Overigens werd bij zulke maaltijden meestal veel wijn gedronken. In de Engelse archieven is over het incident niets terug te vinden. links|miniatuur|Isfahan.