De geschiedenis van Tsjetsjenië omvat de geschiedenis van de huidige Russische republiek Tsjetsjenië en van de daar levende Tsjetsjenen en Ingoesjen, samen Vajnachen genoemd.

Prehistorie De oudste bekende bewoning van wat nu Tsjetsjenië is, vond plaats rond 12.500 v.Chr., in het laatpaleolithicum. Bewoners vande grotten, die als schuilplaatsen in de bergen dienden, gebruikten stenen werktuigen, vuur en dierenhuiden. Andere sporen van menselijke aanwezigheid gaan terug naar 40.000 v.Chr. met grotschilderingen en artefacten rond het Kezenojam-meer.

Men denkt dat de voorouders van de Vajnachen de centrale Kaukasus vanaf ongeveer 10.000 - 8.000 v.Chr. hebben bevolkt.

Koera-Araxescultuur

Al in 8000 v.Chr. werden in het gebied van het huidige Tsjetsjenië nederzettingen gebouwd. Aardewerk kwam ook rond dezelfde tijd al voor. Deze periode stond bekend als de Koera-Araxescultuur. Er was een sterke culturele diffusie tussen de late Koera-Araxescultuur en de westelijkere Majkopcultuur. De economie was voornamelijk gebaseerd op landbouw en veeteelt.

Kajakentcultuur Al rond 3000-4000 v.Chr. is er bewijs van metaalbewerking (inclusief koper) en meer geavanceerde wapens (dolken, pijlpunten, evenals pantser, messen, enz.). Deze periode van de kopertijd wordt de Kajakentcultuur genoemd. Paardrijden kwam rond 3000 v.Chr. voor, waarschijnlijk door contact met Indo-Europese stammen in het noorden. Steden uit deze periode worden vaak gevonden aan de rand van (of zelfs binnen) moderne steden in zowel Tsjetsjenië als Ingoesjetië, wat veel continuïteit suggereert. Er is bewijs in de vorm van beenderen dat kleine schapen en geiten werden gehouden. Klei en steen werden voor alle bouwdoeleinden gebruikt. Landbouw was sterk ontwikkeld, zoals blijkt uit de aanwezigheid van koperen en vuursteenbladen met houten of handgrepen van bot.

Charatsjojcultuur De Charatsjojcultuur duidt op de vroege bronstijd van Tsjetsjenië. Aardewerken kruiken en stenen graancontainers duiden op een hoog niveau van ontwikkeling van handel en cultuur. Andere vondsten laten zien dat de jacht nog steeds uitgebreid werd beoefend. Een afwezigheid aan varkensbeenderen toont aan dat de domesticatie van varkens zich nog niet in de regio had verspreid. IJzer had tegen de 10e eeuw v.Chr. steen, brons en koper vervangen als belangrijkste materiaal om te bewerken, eerder dan het grootste deel van Europa of zelfs gebieden van het Midden-Oosten.

Kobancultuur

De Kobancultuur was de meest geavanceerde cultuur in Tsjetsjenië voor de historische periode en ook de meest bekende. Ze verscheen tussen 1100 en 1000 v.Chr. De best bestudeerde site ligt aan de rand van Serzjen-Joert, een belangrijk centrum van rond de 11e tot de 7e eeuw v.Chr.

De overblijfselen omvatten woningen, stenen bruggen, altaren, ijzeren artefacten, botten en aardewerk- en stenen objecten. Er waren sikkels en maalstenen. Granen die werden gekweekt waren tarwe, rogge en gerst. Runderen, schapen, geiten, ezels, varkens en paarden werden gefokt. Er waren werkplaatsen van waar ambachtslieden werkten en hun producten verkochten. Er zijn aanwijzingen voor een gevorderd stadium van metallurgie en de beroepen er vond n differentatie van beroepen plaats die waren georganiseerd in clans.

Middeleeuwen De eerste bronnen over de Vajnachen stammen van de 7e eeuw uit het koninkrijk Armenië.

In de klassieke oudheid en vroege middeleeuwen kwamen de Vajnachen in contact met andere volken zoals de mensen van het op dat moment het koninkrijkSarir datde hoogten van de Kaukasus bestuurden. In de vlaktes ten noorden van de Vajnachen heersten de Alanen (zie Noord-Ossetië), die de Vajnachen wilden onderwerpen en dat later ook deden. In de eeuwen daaropvolgend namen de Alanen veel elementen van de Vajnachsche cultuur over. Hierna kreeg het gebied te maken met de Romeinen, Sassaniden, Arabische kalifaten, de Chazaren en verschillende nomadenstammen.

Tussen de 10e eeuw en de 13e eeuw werden de Vainachen bekeerd tot het christendom vanuit het koninkrijk Georgië dat ook een aantal nederzettingen en versterkingen bouwde en kerken stichtte. Het christendom werd door de Tsjetsjenen vermengd met hun natuurgodsdienst en met hun cultuur, maar in de eeuwen daarna verdween het christendom geleidelijk weer. Op het moment dat het Mongoolse Rijk zich ten noorden en zuiden van de Kaukasus uitstrekte, trokken de Tsjetsjenen vanuit de valleien de bergen in, om zich na de val van Timoer Lenk weer in de vlakten te vestigen.

In de 16e eeuw verspreidde zich vanuit Dagestan de islam over het gebied. Het soefisme kreeg daarbij de meeste volgers. De Vajnachen vermengden deze vorm van de islam eveneens met hun natuurgodsdienst. In die tijd ontstonden ook de eerste vriendschappelijke contacten tussen Tsjetsjenen en kozakken.

Russische Rijk De geschiedenis met het Russische rijk begon met de Russische tsaar Ivan de verschrikkelijke. In het jaar 1556 probeerde hij de Kaukasus aan het rijk toe te voegen, maar zijn invloed bleef gering. In 1559 ontstond de eerste Russische vesting bij de Dagestaanse stad Tarki waar Ivan de opdracht voor gaf. Vanaf 1587 ontstond de eerste kozakkennederzetting, waarna de etnische groep der Terek-Kozakken langzamerhand ontstond (uit de Don-Kozakken) en zich verspreidde over de Kaukasus. De Tsjetsjenen woonden op dat moment grotendeels in de bergen en begonnen zich ook langzaam te verspreiden over de vlaktes van het noorden.

Het was pas onder Peter de Grote, in het begin van de achttiende eeuw, dat het Russische Rijk te maken kreeg met de opstandige Tsjetsjenen. Peter de Grote had van het Russische Rijk een goed georganiseerde en sterke militaire macht gemaakt die ervan droomde om het Perzische Rijk te verslaan, waardoor de Noordelijke Kaukasus van cruciaal belang werd. De volkeren van de Kaukasus zagen dit als een bedreiging voor de relatieve onafhankelijkheid die zij genoten. Het lukte de stammen uit de Kaukasus om in 1707 een Russisch fort te vernietigen en in de bronnen over deze tijd komen de Tsjetsjenen voor de eerste keer duidelijk naar voren als volk. Het was ook in deze periode dat de eerste grote strijder van de Tsjetsjenen naar voren kwam: Sjeik Mansoer. Van 1785 tot 1791 leidde Mansoer een groot offensief tegen de Russische overheersing en in dat laatste jaar werd hij door de Russen gevangengenomen, wat hem deed uitgroeien tot een martelaar voor de Tsjetsjeense vrijheid.

In 1817 begon de Kaukasusoorlog, die met tussenpozen bijna 50 jaar zou duren, en waarbij de hele Noordelijke Kaukasus onder het bestuur kwam van de Russische tsaren. Door deze oorlog werd Tsjetsjenië in 1818 onderworpen door de Russische generaal Aleksej Jermolov, die zich schuldig maakte aan etnische zuivering en het uitmoorden van hele dorpen. Tijdens deze oorlog diende zich ook het tot op heden belangrijkste boegbeeld van de Tsjetsjenen aan: de Avaarse imam Sjamil. Deze wist als leider van het Kaukasisch Imamaat verschillende bergvolkeren te verenigen in de strijd tegen de Russen. Nadat hij uiteindelijk in 1859 in het Dagestaanse dorpje Goenib gevangen werd genomen, was de strijd dan ook snel afgelopen. Hoewel hij uiteindelijk werd vrijgelaten en zijn zonen bij het Russische leger gingen, groeide hij uit tot een belangrijk symbool van de Tsjetsjeense onafhankelijkheidsstrijd.

Sovjet-Unie In de Russische Burgeroorlog sympathiseerden de Tsjetsjenen en andere bergvolken in eerste instantie met de bolsjewieken in de hoop op onafhankelijkheid. Hoewel ze in 1921 officieel enige autonomie kregen in de vorm van de Autonome Socialistische Sovjet-Bergrepubliek binnen de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek, hadden ze in de praktijk weinig in te brengen. De Bergrepubliek viel snel uit elkaar doordat de verschillende bergvolken hun eigen autonome entiteiten kregen binnen de Russische SFSR. Zo werd in 1922 de Tsjetsjeense Autonome Oblast afgesplitst van de Bergrepubliek.

Deze oblast werd tien jaar later samengevoegd met de Ingoesjetische autonome oblast tot de uiteindelijke Tsjetsjeens-Ingoesjetische ASSR. De bolsjewieken probeerden ook in de Kaukasus de religie uit te bannen en de landbouw zo snel mogelijk te collectiviseren. Mede door migratie van Russen en andere niet-Kaukasische volken naar de Kaukasus, trachtte de Sovjet-regering de nationalistische gevoelens van de Tsjetsjenen en andere Kaukasische volken zo veel mogelijk te bestrijden.

Tweede Wereldoorlog Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ontstond er bij een deel van de Tsjetsjenen enige hoop. De Duitsers beloofden de Tsjetsjenen, als ze de Sovjet-Unie zouden weten te verslaan, vrijheid van geloof, een einde aan de landbouwcollectivisering waarbij ze ook het openstellen van scholen waar in de Tsjetsjeense taal en cultuur onderwezen zou worden in het vooruitzicht stelden. Door deze beloftes koos een deel van de Tsjetsjenen en Ingoesjen onder leiding van Chasan Israilov in 1940 tijdens de Kaukasische opstanden de kant van de Duitsers. Hierbij werkten ze samen met het Duitse Nordkaukasische Sonderkommando Schamil van de Abwehr. Nadat de Sovjettroepen de Duitsers in de Slag om de Kaukasus hadden teruggedrongen, richtte Stalin zijn wraak op de Tsjetsjenen en andere volkeren die de Duitse vijand hadden gesteund en daarvoor volgens hem dienden te worden gestraft. Als represaille liet hij onder leiding van Lavrenti Beria de gehele Tsjetsjeense bevolking in februari 1944 naar Centraal-Azië deporteren, voornamelijk naar Kazachstan.

Zij kwamen daar niet alleen terecht: ruim 3,2 miljoen burgers werden gedeporteerd naar afgelegen gebieden van de Sovjet-Unie wegens collaboratie. Bij deze deportatie werd geen enkele uitzondering gemaakt: de gehele Tsjetsjeense bevolking werd schuldig bevonden ongeacht of ze als soldaat in het Rode Leger hadden gediend, zelfs diegenen werden opgepakt en weggevoerd. In sommige streken gingen de Russen tot genocide over, zoals bij het Bloedbad van Chajbach, waar de 700 inwoners allen werden vermoord. Behalve een kleine groep die onder leiding van Sjeik Qureish Belhorev een guerrillaoorlog was begonnen, werd vrijwel de gehele Tsjetsjeense bevolking in korte tijd gedeporteerd. De gedeporteerde Tsjetsjenen kwamen in werkkampen terecht, waar een deel al snel omkwam van de honger, voor zover dit al niet tijdens de reis erheen was gebeurd als gevolg van de ontberingen. Uit onderzoek is gebleken dat 23,7% van de gedeporteerden de reis en de werkkampen niet hebben overleefd. Na de massale deportatie lag de weg voor de Sovjets open om Tsjetsjenië van de kaart te vegen: de grenzen werden opnieuw getrokken en alle plaatsen kregen een Russische naam.

Na-oorlogse periode Toen Stalin in 1953 overleed, ontstond er voor de zoveelste maal weer een beetje hoop voor de Tsjetsjenen. De leiders in het Kremlin kwamen er al snel achter dat de Tsjetsjenen (net als de andere gedeporteerde volken) hun land nog lang niet waren vergeten en dat er zelfs al enkelen teruggekeerd waren naar hun moederland. Tijdens zijn bekend geworden anti-Stalin-toespraak in 1957 gaf de nieuwe Sovjet-leider Nikita Chroesjtsjov daarop te kennen, dat de Tsjetsjenen stapsgewijs terug mochten naar hun land, waarna ze in speciale arbeiderskampen terecht zouden komen.