Deze lijst bevat een overzicht van religieuze gemeenschappen in de Rooms-Katholieke Kerk. Het begrip 'religieuze gemeenschappen' heeft in deze context betrekking op pauselijk of bisschopelijk goedgekeurde instituten van gewijd leven (waarvan de leden religieuze geloften afleggen) en gemeenschappen van apostolisch leven (waarvan de leden geen geloften afleggen). De eerste groep is de omvangrijkste; hiertoe behoren alle kloosterorden en de meeste congregaties.Seculiere instituten, waarvan de leden 'in de wereld' leven (niet in een klooster), vallen volgens het kerkelijk recht eveneens onder de instituten van gewijd leven. In de praktijk wordt de term echter vrij los gebruikt voor wat hierna 'gemeenschappen van Christus-getrouwen' worden genoemd. Al deze gemeenschappen vallen onder het kerkelijk (of canoniek) recht; sommige meer specifiek onder het pauselijk (pontificaal) recht, andere onder het bisschoppelijk (diocesaan) recht.Een overzicht van religieuze gemeenschappen is te vinden in het door de Heilige Stoel uitgegeven jaarboek van de Rooms-Katholieke Kerk, de Annuario Pontificio (2019), pp. 1351-1671. Niet opgenomen zijn broederschappen, sodaliteiten en andere zogenoemde 'gemeenschappen van Christus-getrouwen',In het kerkelijk wetboek Codex Iuris Canonici van 1983 wordt de term consociatio christifidelium gebruikt. waarvan het lidmaatschap een vrijblijvender karakter draagt.
De lijst telt circa 1700 organisaties, waarvan verreweg de meeste tot de Rooms-Katholieke Kerk in engere zin (de Latijnse Kerk) behoren. Enkele tientallen orden en congregaties behoren tot de Syro-Malabar-Katholieke Kerk of een van de andere oosters-katholieke kerken. Deze kerkgenootschappen zijn geaffilieerd met de Latijnse Kerk; ze erkennen het gezag van de paus en worden om die reden tot de Rooms-Katholieke Kerk in bredere zin gerekend. Uitdrukkelijk niet opgenomen zijn oosters-orthodoxe, oriëntaals-orthodoxe, oud-katholieke en anglicaanse orden en gemeenschappen.
Toelichting Er bestaan in de katholieke kerk geen eenduidige regels voor het gebruik van namen en afkortingen van religieuze gemeenschappen. Hoewel de meeste organisaties een min of meer officiële Latijnse naam hebben (soms in meerdere varianten), wordt in het dagelijks gebruik vaak de voorkeur gegeven aan de naam in de landstaal, de taal van het land waar men gevestigd is. Die plaatselijke benaming kan een letterlijke vertaling van de Latijnse naam zijn, maar kan ook daarvan afwijken. De afkorting kan afgeleid zijn van (een deel van) de officiële Latijnse naam of van de naam in de landstaal. Omdat sommige orden of congregaties in de loop der jaren (of eeuwen) van naam zijn veranderd, en de nieuwe, officiële naam in sommige gevallen niet in alle delen van de wereld ingang heeft gevonden, kunnen namen en afkortingen plaatselijk variëren. Fusies en afscheidingen kunnen eveneens tot naamsverwarring leiden. Soms worden verschillende namen en afkortingen naast en door elkaar gebruikt. Van een aantal organisaties is geen afkorting bekend.De Annuario Pontificio (2019) vermeldt enkele honderden religieuze instituten zonder afkorting.
In dit overzicht worden afkortingen van religieuze organisaties met hoofdletters en afkortingspunten genoteerd.Zowel in de Annuario Pontificio (2019) als in het Repertorium universale (1959), dat door de Belgische franciscaan Herwig Ooms OFM werd samengesteld, worden afkortingen met hoofdletters en punten geschreven; in de Nederlandse Pius Almanak met kleine letters en punten. In de praktijk worden ze vaak met kleine letters en/of zonder punten geschreven, met name bij gebruik als postnominale letters door leden van religieuze gemeenschappen. De postnominale letters zijn meestal niet uniek. Zo worden de afkortingen C.S.J. of S.S.J. gebruikt door een twintigtal congregaties uit diverse landen, die op één na alle gewijd zijn aan Sint-Jozef, en waarvan sommige historisch gezien connecties met elkaar hebben en andere niet. Veel congregaties worden tot een 'religieuze familie' gerekend, omdat ze de kloosterregel van een bepaalde orde volgen. Meestal gebruiken ze dan tevens de afkorting van die orde, al dan niet met aanvullende letters. Bekende religieuze families zijn de benedictijnen en benedictinessen (afkorting: O.S.B.), de franciscanen en franciscanessen (O.F.M. of O.S.F.), de dominicanen en dominicanessen (O.P.), de augustijnen en augustinessen (O.S.A.) en de ursulinen (O.S.U.). Een voorbeeld van een congregatie uit de 'dominicaanse familie' die de afkorting O.P. benut, is die van de dominicanessen van de Heilige Familie uit het Nederlandse Neerbosch. De dominicanessen van Sint-Rosa van Lima uit het Venezolaanse Mérida gebruiken die afkorting echter niet; zij hebben gekozen voor de afkorting HH.DD., afgeleid van hun Spaanstalige benaming Hermanas Dominicas. De dominicanessen van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans uit het Belgische Lubbeek maken, voor zover bekend, van geen enkele afkorting gebruik, evenmin als hun Congolese dochtercongregatie.
Onderstaande lijst is een selectie uit de duizenden religieuze gemeenschappen die in de loop van tweeduizend jaar christendom hebben bestaan.Bij de selectie is de nadruk gelegd op nog bestaande organisaties. Uitzonderingen zijn gemaakt voor voormalige orden, die in het verleden grote invloed hebben gehad, zoals de tempeliers en enkele ander ridderlijke orden, alsmede orden en congregaties die actief zijn geweest in de Nederlanden. Niet vermeld worden de vele honderden seculiere kapittels, die in het verleden verbonden waren aan belangrijke kerken en kathedralen en die plaatselijk soms grote macht uitoefenden. Evenmin opgenomen zijn begijnhoven en conventen, die vaak zelfstandig, soms buiten het bisschoppelijk toezicht opereerden.Veel begijnen en begarden namen later de derde regel van Sint-Franciscus of Sint-Augustinus aan, waarmee ze als 'tertiarissen' in de kerkelijke hiërarchie werden opgenomen. Daarbij wisten ze meestal hun zelfstandigheid te behouden. Van deze uitgebreide groep van franciscanessen, annunciaten, grauwzusters en zwartzusters is slechts een deel opgenomen in de lijst. Dat betreft dan vooral congregaties die meerdere 'huizen' (kloosters) bezitten of bezaten, of anderszins veel invloed hebben gehad. Van de religieuze gemeenschappen die wel op de lijst staan vormen de vrouwelijke een overweldigende meerderheid (circa 80%). Tot aan het einde van de middeleeuwen hielden mannelijke en vrouwelijke kloosterorden elkaar numeriek in evenwicht, maar vanaf de zeventiende eeuw nam het aantal vrouwelijke congregaties in verhouding sterker toe.Een aanzienlijk deel van de vrouwelijke congregaties is of was gericht op onderwijs, ziekenverpleging, bejaarden-, wezen- en gehandicaptenzorg, en opvang van jonge vrouwen en meisjes in moeilijke omstandigheden. Ook in de missie zijn vrouwelijke congregaties vanouds sterk vertegenwoordigd. Daarnaast kiezen veel vrouwen voor een meer beschouwend en besloten leven bij een contemplatieve congregatie. De meeste religieuze gemeenschappen ontstonden in de negentiende of vroege twintigste eeuw, vele daarvan in Zuid-Europa en Frankrijk.Bijna 40% van de organisaties in de lijst is ontstaan in Italië (ca. 380) of Frankrijk (ca. 260). In deze en andere vanouds katholieke landen vond, na een periode van religieuze verslapping in de achttiende eeuw en na de vernietiging van een groot deel van de kerkelijke infrastructuur als gevolg van de Franse Revolutie, vanaf circa 1830 een ware religieuze opleving plaats. De stichting van nieuwe kloosters en congregaties was daarvan onderdeel. Na Italië en Frankrijk volgen qua aantallen: de Verenigde Staten (154), Spanje (140), India (86), Mexico (76), Duitsland (65), Polen (61) en Canada (53). Een groot deel van de 'jongere' congregaties uit de tweede helft van de twintigste eeuw en de 21e eeuw is gesticht in niet-westerse landen, onder andere in India, Mexico en Brazilië.Een verklaring voor de sterke vertegenwoordiging van landen als de Verenigde Staten, India, Mexico en Canada kan gezocht worden in de wens van plaatselijke, vaak door Europese missionarissen gestichte kloostergemeenschappen, om zelfstandig verder te gaan. Ook lijken secularisering en ontkerkelijking in sommige van deze landen minder ver voortgeschreden dan in Europa. In België zijn in de loop der eeuwen zo'n zestig kloosterorden en congregaties gesticht; in Nederland circa vijftig.Hierbij moet worden opgemerkt dat van deze landen (België en Nederland) relatief veel kleinere, deels niet meer actieve congregaties zijn opgenomen.
Lijst van religieuze gemeenschappen